Belgische spin-offbedrijven krijgen broodnodige begeleiding

De nieuwe NV Vlerick Venture Coaching (VVC), met als hoofdaandeelhouder KPMG en als minderheidsaandeelhouders de Vlerick-school en het management van het nieuwe bedrijfje zelf, start met specifiek advieswerk voor spin-offs. De KPMG-diensten zullen hun standaardadvieswerk aan sterk gereduceerde tarieven aan hoogtechnologische starters aanbieden, maar de kern van de activiteiten wordt de specifieke begeleiding van allerlei partners, die een paar dagen per week voor VVC aan de slag gaan. Het initiatief kwam van Bart Clarysse, professor aan de Rijksuniversiteit Gent en aan de Vlerick Leuven Gent Management School, die samen met ir. Ans Heirman (eveneens Vlerick) en Jean-Jacques Degroof, master in science management aan het MIT in Boston, een studie maakte van de vroegste formele fase in het bestaan van een spin-off: de opstartfase.

Eerder dit jaar waren de onderzoekers in een studie in 14 Europese regio 's al tot de conclusie gekomen dat drie factoren de ontwikkeling van het ondernemingsklimaat in een regio bepalen: de beschikbaarheid van startkapitaal, het niveau van de incubatieactiviteiten en de sterkte van de ondernemersgemeenschap of de netwerken. In hun recente studie onderzochten ze in welke mate deze factoren in Vlaanderen en elders in België beschikbaar zijn.

In hoeverre kunnen hoogtechnologische starters een beroep doen op financieringsbronnen? Hoe kunnen ze de periode overbruggen tussen de oprichting en de eerste kapitaalinvestering? En aan welke voorwaarden? De antwoorden op deze vragen blijken zeer belangrijk om de succeskansen van spin-offs in te schatten. Het probleem is dat risicokapitaalfondsen zelden in de vroegste stadia van een onderneming investeren, menen de onderzoekers.

Kenmerkend voor deze fase is het leren, op verschillende niveaus. De starter werkt een businessconcept uit en gaat daarvoor op zoek naar zijn "gat in de markt". Hij legt contacten met mogelijke klanten, ontwikkelt een prototype, geeft demonstraties, identificeert concurrenten en mogelijke partners. Tegelijk zitten de ondernemers zelf in een leerproces.

Zij zijn vaak technisch geschoold en beschikken over weinig bedrijfservaring of alleszins weinig ervaring met het opstarten van een hoogtechnologisch bedrijf. Tijdens de opstartfase doen ze precies ervaring op en verwerven ze de vaardigheden om hun nieuwe bedrijf te sturen, aldus de studie. Enerzijds om de leerervaring te optimaliseren en anderzijds om geld in het nog lege laatje te brengen, ontwikkelen zij vaak snel complementaire activiteiten zoals technisch advieswerk, onderaanneming of co-ontwikkeling. Zij kunnen immers pas na die startfase terugvallen op zaai- of risicokapitaalfondsen. Ook heel wat middelen uit de publieke pot komen veel te laat voor de starters.

De onderzoekers stellen vast dat in een land waar de kapitaalmarkt zeer flexibel is, zoals de Verenigde Staten, het allerprilste financieringsprobleem wordt opgevangen door de zogenaamde 3F-geldschieters, wat staat voor "friends, family and fools". Dit gaat in Europa echter weinig op. Hier moeten starters op zoek naar gestructureerdere vormen van startkapitaal zoals universitaire fondsen, incubators, overheidsfondsen of business angels. Anders moeten ze de start zelf financieren.

De onderzoekers beklemtonen dat het in een regio zonder startkapitaal zeer moeilijk is voor technische entrepreneurs om een onderneming met groeiambities op te richten. Zij moeten dan immers met te weinig kapitaal beginnen en moeten hun Latijn te veel steken in het genereren van kasstromen met activiteiten waaruit ze weinig of niets leren. Vaak is het resultaat een puur adviesbedrijf zonder originele producten, leert de studie.

Het alternatief is dat het bedrijf van meet af aan een zeer ambitieus plan voorlegt om er direct risicokapitaal mee aan te trekken. De kapitaalverschaffers verwachten dan echter ook de exponentiële groei die het businessplan voorspelt, terwijl recent onderzoek nog eens aantoonde dat er tussen het moment van uitvinding en het begin van een significante verkoop bij hoogtechnologische producten 12 tot 17 jaar verstrijkt. Als het bedrijf eieren voor zijn geld kiest en dus toch maar de nadruk legt op het verkopen van diensten in een eerste fase, wordt dat door de risicokapitaalverschaffer vaak niet geapprecieerd. Hij wil liefst ineens veel boter bij de vis. Dit heeft veel te maken met het feit dat de risicokapitaalverschaffers volgens Bart Clarysse niet echt geïnteresseerd zijn in investeringen van minder dan 1 miljoen euro. "Maar vaak kan een hoogtechnologische starter zo 'n injectie niet aan", weet hij.

Zijn ervaring als begeleider van zulke starters leert hem dat zij zelf hun financiële noden zeer verschillend formuleren. "Om eenzelfde product te lanceren vraagt de ene starter 3 miljoen euro kapitaal, de andere een kwart miljoen. Wie veel vraagt, is op korte termijn het gemakkelijkst geholpen, op voorwaarde dat er veel risicokapitaal op de markt beschikbaar is en er weinig projecten zijn. Maar de verwachtingen zijn dan ook hooggespannen. Een starter die weinig kapitaal vraagt, zal vaak co-ontwikkelaars voor zijn product in de arm nemen, veelal grote spelers in zijn markt. Hij start dan wel trager, maar hij hoeft niet meteen een grote markt met zijn technologie te veroveren. Alles groeit geleidelijk."

De voorkeur van Clarysse gaat duidelijk uit naar deze laatste aanpak, maar de risicokapitaalverschaffers zijn minder geïnteresseerd. "Zij stoppen even veel inspanningen in een dossier van een kwart miljoen als in één van 3 miljoen. Dan verkiezen ze de grotere som." Zowel zijzelf als de spin-offondernemers die zij aantrekken, zijn te snel op het grote geld uit. Het lijkt Clarysse beter dat de ondernemer het risico spreidt over meer partijen.

Een tweede vereiste van het ondernemingsklimaat voor hoogtechnologische starters is een degelijk niveau van de incubatiemogelijkheden. De incubatieperiode is de tijd waarin een technologische innovatie wordt omgezet in een concreet businessidee en een bedrijf. Ook dit noemen de onderzoekers een leerperiode. De starter verkent de markt en leert hoe hij zijn product hieraan zal moeten aanpassen. Hij leert ook welk businessmodel het geschiktst zal zijn. Idem dito voor zijn patentstrategie, marketingaanpak en personeelsbeleid. "De loonkosten zijn bij ons veel hoger dan pakweg in de VS, maar dat kunnen bedrijven hier compenseren via de veel grotere subsidies. Het IWT (Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) speelt hierbij een belangrijke rol. Het personeelsbeleid, met daarin de werving voorop, blijkt één van de belangrijkste sleutels tot het succes van een hoogtechnologische starter te zijn." De starter moet ook leren een raad van bestuur te beheren en hij beschikt best over een raad van advies met goede begeleiders voor zijn opstartproces, zegt Clarysse.

De louter wetenschappelijke of technische scholing van de ondernemer leidt er echter toe dat hij in die incubatiefase veel kennis ontbeert. "Als hij die periode alleen moet overbruggen, is de kans groot dat ze veel tijd in beslag neemt of zelfs dat hij zijn initiële ambitie niet kan waarmaken", vreest de studie. Bart Clarysse merkt op dat de wetenschappers of techneuten vaak het probleem denken op te lossen door een manager in hun team op te nemen. "Maar welke manager die goed bezig is, neemt het risico om in zo 'n onzekere situatie te stappen? En als hij komt, is hij dan ook niet een beetje een deus ex machina?", waarschuwt Clarysse. Hij vindt het beter dat iemand uit het startteam zelf doorgroeit naar een managersrol, mits bijstand van procesbegeleiders.

Maar er zijn in ons land nog zeer weinig begeleiders aan betaalbare prijs beschikbaar die echt goed thuis zijn in de heel eigen problematiek van een hoogtechnologische starter. De begeleiding van een businessplan is al iets zeer aparts, onderstreept de Gentse professor. "Je moet een plan maken, terwijl je geen markt, geen prijs, geen klanten en zelfs nog geen product hebt. Het businessplan moet geloofwaardig zijn, maar ondertussen stelt het financieel plan nog niet gek veel voor, want op dat gebied ben je precies nog aan het zoeken. Wie met businesspartners wil starten, moet ook weten hoe hij daar het best mee omgaat." Het zijn maar een paar voorbeelden.

De starter kan geneigd zijn voor alles specialisten aan te spreken, maar dat lijkt Clarysse niet de beste aanpak. Hij heeft veel meer nood aan generalisten met een specialiteit. Zulke bedrijfsbegeleiding heeft heel wat invloed op de overlevingskansen en het groeipad van de startende onderneming, blijkt uit ander onderzoek. Met degelijke begeleiding worden meer ambitieuze bedrijfsplannen met een sterke productfocus gerealiseerd.

Een derde aspect van het ondernemingsklimaat voor hoogtechnologische starters is de netwerkdimensie, zeg maar de densiteit van hoogtechnologische starters in een regio. Deze dimensie is onder meer te herkennen aan de aanwezigheid van gespecialiseerde opleidingsprogramma 's en fora, aan de netwerken van business angels en aan de kruisbestuiving tussen de omringende industrie en de spin-offs. Grote bedrijven in de buurt zijn klant of leverancier. Er zijn ook gespecialiseerde dienstverleners en financiers te vinden. Deze omgeving blijkt vooral van belang te zijn voor de latere groei van de technologiestarter. Een dergelijk biotoop verlaagt ook de informatiekosten van de starters aanzienlijk, omdat zij zowat alle nodige informatie binnen handbereik hebben. Er ontstaan ook stambomen of "kin groups" van ondernemingen, waarbinnen informatie des te sneller doorstroomt. Maar zo ver is het nog nergens in België. De onderzoekers stellen vast dat de meest geavanceerde regio, die van Leuven, stilaan in de buurt komt van de kritische massa van spin-offs om deze ontwikkeling mee te maken. De netwerking wordt er sinds 1999 ook al nadrukkelijk bevorderd door de oprichting van Leuven Inc. In het Gentse neemt het Vlerick Innovation Network dat voor zijn rekening.

De Vlerick Venture Coaching Kick-Off Day van 12 september richt zich tot zaad- en risicokapitaalverschaffers en tot de interfacediensten met wie VVC in de toekomst regelmatig wil samenwerken. Bart Clarysse en Ans Heirman presenteren er de essentie van de resultaten van recente onderzoeken naar de kritische factoren om een goede omgeving voor nieuwe bedrijven te scheppen. Ook de nood aan coachinginitiatieven, aan zaadkapitaal en aan netwerking wordt belicht.

Inlichtingen: Mirjam Knockaert - Vlerick Venture Coaching, Bellevue 6, 9050 Ledeberg (Gent). Tel: 09/210.98.70; Fax: 09/210.98.03; E-mail: mirjam.knockaert@vlerick.be.; Website: www.vlerick.be.

Willem de Bock

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud