De onderwijscheque

Het onderzoeksbureau Deloitte & Touche heeft in opdracht van de Vlaamse overheid de objectiveerbare verschillen tussen de onderwijsnetten becijferd. Het bureau komt tot de slotsom dat de verschillende financiële behandeling van de onderwijsnetten door de overheden niet objectief te verantwoorden is. Samengevat komt het erop neer dat het katholiek onderwijs bij de verdeling van de werkings- en investeringsmiddelen gediscrimineerd wordt ten opzichte van het gemeenschapsonderwijs, maar vooral ten opzichte van gemeentelijk en provinciaal onderwijs.

Zeggen dat het katholiek onderwijs financieel stiefmoederlijk behandeld wordt, is een open deur instampen. Tijdens de vorige legislatuur werd al beslist de werkingsmiddelen van het katholiek onderwijs geleidelijk op te trekken tot 76 procent van de middelen voor het gemeenschapsonderwijs. Een verdere verhoging werd afhankelijk gemaakt van de resultaten van een studie die de objectiveerbare verschillen tussen de netten meet. Die studie is er nu en maakt in theorie de weg vrij om de onderwijsmiddelen van het katholiek onderwijs op te trekken tot pakweg het niveau van het gemeenschapsonderwijs. Dat wordt een miljardenoperatie.

Marleen Vanderpoorten heeft al laten verstaan dat daar geen sprake kan van zijn. Maar ook de auteurs van de studie zijn niet te vinden die oplossing. Ze pleiten onomwonden voor de invoering van een nieuw financieringssysteem, dat niet langer vertrekt van de netten maar van de scholen en de leerlingen. In een adem pleiten ze ook voor meer netoverschrijdende samenwerking als enig mogelijke weg om het onderwijs betaalbaar te houden.

Als het studiebureau wordt gevolgd, zal dit zonder meer een revolutie in het Vlaamse onderwijslandschap ontketenen. In essentie pleiten de onderzoekers voor de invoering van de onderwijscheque. De overheid geeft elk kind een cheque, waarmee dat kind naar de school van zijn keuze trekt. Het bedrag op de cheque varieert enkel naargelang de categorie waartoe het kind behoort (lager, middelbaar, bijzonder onderwijs, kansarm...). In dit financieringssysteem kunnen de netten blijven bestaan, maar verplaatst de concurrentie zich van de netten naar de scholen. Voor de overheid volstaat het de spelregels vast te leggen opdat die concurrentie eerlijk zou verlopen.

Het lijdt weinig twijfel dat de rechtstreekse concurrentie tussen scholen leidt tot een drang naar meer efficiëntie en dus schaalvergroting. Netoverschrijdende samenwerking volgt dan vanzelf. Als er al geen fusie van netten ontstaat, meer bepaald van het gemeenschaps- en gemeentelijk onderwijs.

Het is inderdaad de vraag of het nog tot de taken van gemeenten en provincies behoort onderwijs aan te bieden. Het is een vraag die thuishoort in het kerntakendebat dat de Vlaamse overheid dit najaar met gemeenten en provincies houdt. Als dit debat ten gronde gevoerd wordt, zal ongetwijfeld blijken dat de lagere overheden van de 21ste eeuw dwingender en geëigender taken te vervullen hebben dan het organiseren van onderwijs.

Stefaan HUYSENTRUYT

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud