Jong geleerd is jong gedaan

'Als jong kind al ging ik met mijn ouders mee naar de markt. Ze verkochten bloemen. Ik mocht braafjes het geld ontvangen. Toen ik als achttienjarige in de minionderneming van de school stapte en me kon uitleven in de verkoop van onze producten, werd het me helemaal duidelijk: hier ben ik voor geboren. Ik heb in die minionderneming op mijn tanden leren bijten. Ik was een flapuit. Maar stapsgewijs ontdekte ik hoe je met klanten en vooral met kritiek van klanten moet omgaan. Bovendien leerden we samen beslissingen nemen. Na dat schooljaar vormden we een hechte groep.'

Sofie Verbruggen is 23 en runt intussen al vier jaar een eigen bedrijf. Na haar beroepsstudie in de tuinbouw wilde ze meteen als zelfstandige aan de slag. 'Ik wilde een slabakkende zaak overnemen, maar kreeg van de bank het geld niet omdat ik nog geen werkervaring kon voorleggen en 'nog niets bewezen had'. Ze werkte willens nillens een half jaar in vast dienstverband. Daarna probeerde ze het, samen met haar broer, opnieuw. Nu leiden ze samen de BVBA Bloemen Verbruggen in Aarschot. 'Ik sta vijf dagen per week met mijn bloemen op de markt. Ik wist dat het hard zou zijn en dat ik de eerste jaren zou moeten zwoegen om mijn boterham te verdienen. Ik werk van vier uur 's ochtends tot elf uur 's avonds. Tijd om uit te gaan heb ik niet. Dat wist ik op voorhand. Ik kende het klappen van de zweep. Alle kleinkinderen van mijn grootouders zijn zelfstandig. Bloemen zijn bovendien een luxeproduct - dertig jaar geleden kon je er nog vanzelf rijk mee worden. Mijn ouders hadden me verwittigd, maar ze hebben mij nooit verhinderd om te doen wat ik wilde.'

Qua administratie moet Sofie Verbruggen haar eigen boontjes doppen. Elke week een paar uur boekhouding. Ze heeft er een broertje aan dood. 'We kregen op school wel informatie, maar die was te miniem. Bovendien verandert er zo veel en zijn al de documenten en brieven in moeilijk jargon opgesteld. Ik moet elke keer weer mijn boekhouder om raad vragen. Ook in de 'mini' liep destijds met het papierwerk een en ander mis.'

De liefde voor het vak, zoeken naar mooie 'marchandise', buiten kunnen zijn, veel volk om zich heen, kunnen vinden wat klanten vragen, zelfs al moet ze haar bloemen uit Canada of Afrika laten overkomen_ het geeft haar een ongelooflijk gevoel. 'Ik wil nog groeien, nog meer markten zoeken. Dat is niet gemakkelijk. Ik heb gemerkt dat je soms een lange arm nodig hebt. Die heb ik niet. Maar ik geef niet op. Ik bereik stilaan wat ik wil bereiken. Verse producten en klantgerichtheid zijn mijn troeven. Binnen vijf à zeven jaar wil ik een tweede zaak overnemen.'

Het verhaal van deze jonge ondernemer legt haast karikaturaal de geneugten maar ook de pijnpunten van de jonge zelfstandige bloot. Die minpunten - het hoge risico, het startkapitaal, de investeringen en financiële lasten, de administratieve formaliteiten, het beperkte sociale vangnet, weinig vrije tijd - geven bij de goegemeente blijkbaar de doorslag. Ouders gebruiken de argumenten om hun kinderen ver van het zelfstandig ondernemerschap weg te houden: 'Alles wat je wil, manneke, maar word geen zelfstandige.'

Hoeft het dan te verbazen dat Vlaanderen zo slecht scoort qua aantal starters? Uit de laatste General Entrepreneurship Monitor (GEM), die in juni dit jaar verscheen (Tijd van 29 juni 2001), bleek dat amper één Vlaming op de zeventig een eigen zaak bouwt of dat de laatste drieëneenhalf jaar deed. In België was dat één op de veertig. Een schril contrast met de VS, waar één op de acht een eigen zaak uit de grond stampte.

'Veel heeft te maken met de heersende mentaliteit', meent Peter Coenen, directeur van de Vlaamse Jonge Ondernemingen. Zijn organisatie wordt door de Vlaamse regering gesubsidieerd om studerende jongeren vroegtijdig vertrouwd te maken met ondernemerschap. Dat gebeurt onder meer door het opzetten van miniondernemingen (in middelbare scholen) en Small Business Projects (in hogescholen), trajecten die Coenen via een net van coördinatoren en via allerlei producten en initiatieven ondersteunt. 'Als het iemand lukt met een eigen succesvolle zaak te starten, lokt dat hier niet zelden jaloezie uit. Slaag je niet, dan word je gauw als een mislukkeling beschouwd. In Angelsaksische landen is dat heel anders. Je wordt er niet met de vinger gewezen. Een mislukte poging wordt er gezien als een goede ervaring waaruit je kan leren.' Volgens Peter Coenen moet Vlaanderen dus vooral werken aan een positieve beeldvorming rond ondernemen, en dat kan onder meer gebeuren via de minionderneming.

'In gesprekken met jongeren merk ik vaak dat het bedrijfsleven een negatief imago heeft. Ondernemers staan bijna gelijk met milieubelasters, zwartwerkers, fraudeurs. Die negatieve aspecten, die er zeker zijn, worden uitvergroot. De succesverhalen en de leuke kanten van het zelfstandig ondernemen komen te weinig aan bod. Als we in scholen de miniondernemingen promoten, zijn de reacties soms ronduit negatief: we willen van onze jongeren toch geen kapitalisten maken, mijnheer. Jammer dat men onze boodschap zo begrijpt.'

'Uiteraard moet een minionderneming met geld leren omgaan, het liefst ook winst maken. Maar het traject dat daar naartoe leidt, de attitudevorming, dat is belangrijk. De 'mini' is een gecontroleerd oefenveld waar jongeren kennismaken met velerlei aspecten van het ondernemingsleven. Goede zaken doen, zeker, maar ook milieuvorming, kwaliteitszorg, maatschappelijk verantwoord ondernemen, leren omgaan met klanten, een businessplan opzetten, producten kiezen met een toegevoegde waarde_ Het komt allemaal aan bod. Tijdens het jaar waarin jongeren een minionderneming beheren, leren ze ook zichzelf beter kennen, ze leren plannen, vergaderen, in overleg beslissingen nemen, drempelvrees overwinnen. Ze kunnen hun talenten ontwikkelen.'

Uiteraard komt deze kennis niet alleen de zelfstandige ten goede. Ondernemerschap is ook intrapreneurship. 'Wie in een bedrijf een afdeling of een groep mensen leidt, heeft eveneens een ondernemende geest nodig', aldus nog Peter Coenen.

Gert van Erum (32) is managing director van Vanerum NV in Diest, een bedrijf dat met 135 personen actief is in de productie en verkoop van schoolmeubilair en trainingsmateriaal. Veertien jaar geleden, als achttienjarige student economie-wetenschappen, stelde hij zich kandidaat als algemeen directeur van de minionderneming in zijn school. 'De geldzaken zijn effectief niet het belangrijkste in zo'n minionderneming', getuigt hij. 'We bedrukten en verkochten T-shirts, een moeilijk product, want een echt structurele verkoop was niet mogelijk. We moesten het hebben van familie en sympathisanten. Toch is de ervaring zeer nuttig geweest. Ik wist al langer dat ik ondernemersbloed in de aderen had. Via dat algemeen directeurschap heb ik daar mee kunnen experimenteren.'

Het volledige artikel staat in de OndernemersTijd, de wekelijkse bijlage bij De Financieel-Economische Tijd op vrijdag. Klik hier voor een vrijdagabonnement!

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud