Minder opvallende maatregelen in de hervorming van de vennootschapsbelasting

Vorige week werden de opvallendste punten van de hervorming van de vennootschapsbelasting opgesomd. Dankzij die hervorming wordt het totaaltarief verlaagd van 40,17 tot 33,99 procent. Bovendien worden de verminderde tarieven behouden, en ook verlaagd. Op een eerste schijf van 24.789,29 euro (1 miljoen frank) moet voortaan 24,98 (voorheen 28,84) procent betaald worden. Op de volgende 64.452,16 euro (2,6 miljoen frank) zou een tarief gelden van 31,93 (voorheen 37,08) procent. Van 64.452,16 tot 322.260,78 euro (3,6 tot 13 miljoen frank) moet vervolgens 35,54 (voorheen 42,23) procent betaald worden.

De verminderde tarieven gelden maar voor zover het belastbaar inkomen van de vennootschap niet meer bedraagt dan 322.260,78 euro (13 miljoen frank). Als men in de nu geldende tarieven op 322.260,78 euro de belasting berekent volgens het totaaltarief of volgens het verminderd tarief, komt men op hetzelfde bedrag uit. Dat evenwicht wordt een klein beetje verbroken. Met het nieuwe totaaltarief betaalt men op 322.260,78 euro 106.346,05 euro (4.290.000 frank), met de verminderde tarieven 106.383,24 euro (4.291.500 frank). Voortaan zit er dus wel een verschil op van 37,19 euro (1.500 frank). Dat wordt misschien weggewerkt als de tarieven in euro worden afgerond.

Maar de regering had bij haar aantreden gesteld dat de hervorming van de vennootschapsbelasting budgettair neutraal moet gebeuren. Dat betekent dat verschillende fiscale uitgaven moeten worden verminderd. We stipten vorige week al aan dat de compensatie zal gebeuren op vooral de liquidatieboni (en de inkoop eigen aandelen en het scheidingsaandeel), de afschrijvingen en de autokosten.

De degressieve afschrijvingen zouden bijvoorbeeld verdwijnen. Dat is merkwaardig om twee redenen. In een slabakkende economie is dat geen investeringsvriendelijke maatregel. Maar bovenal is het afschaffen van de degressieve afschrijving maar een 'timing difference'. Hier en daar wordt trouwens gefluisterd dat die compensatie niet al te serieus moet worden genomen. Wie gaat ooit controleren of de geplande compensaties effectief worden samengesprokkeld? Als de hervorming dan al budgettair neutraal is, zal dat micro-economisch niet het geval zijn. Er zullen winnaars en verliezers zijn.

Maar het plan bevat ook nog andere maatregelen. In het kader van haar beleid neemt de regering maatregelen die zijn afgestemd op de KMO's. De aanpassing van de verminderde tarieven is daar een van. Maar daarnaast zijn nog andere initiatieven gepland. De autofinanciering van KMO's wordt aangemoedigd door het toestaan van een vrijstelling ten gunste van de gereserveerde winsten. Dit zou een moderne versie worden van de investeringsreserve die begin jaren tachtig bestond.

Dat zou erop neerkomen dat een KMO een stuk van zijn winst van het boekjaar belastingvrij kan reserveren, voor zover uiteraard de onaantastbaarheidsvoorwaarde (art. 190 W.I.B. 1992) wordt gerespecteerd. Het geld moet effectief in de vennootschap blijven om de vrijstelling te genieten. Bovendien zal de vennootschap binnen een opgelegde termijn vermoedelijk iets moeten doen met de vrijgestelde winst. Dat stond althans in de regeringsverklaring 'De brug naar de eenentwintigste eeuw'.

Maar de vraag is of de gewone investeringsaftrek behouden blijft na de invoering van deze vrijstelling op gereserveerde winsten. Die wordt nu immers zo goed als uitsluitend toegepast door KMO's. Een volledige afschaffing zal moeilijk liggen, omdat deze techniek in het huidige wetboek ook wordt gebruikt om specifieke investeringen zoals milieu-investeringen te belonen.

De tijdelijke vrijstelling toegestaan aan KMO's die bijkomend personeel aanwerven, wordt voortgezet. Deze maatregel bestaat al een tijdje. Via de programmawet van 10 februari 1998 (B.S., 21.02.1998) werd een tijdelijke maatregel voor bijkomend personeel ingevoerd. KMO's die minder dan elf werknemers tewerkstellen op 31 december 1997 (of als ze later starten aan het einde van het eerste jaar), kunnen voor elke bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid een bijzondere aftrek krijgen van 3.718,39 euro (150.000 frank) (voor aanslagjaar 2002 geïndexeerd 4.280 euro) voor zover het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan een door de koning bepaald bedrag. Door een KB van 19 maart 1998 is dat dagloon vastgesteld op 79,82 euro en het uurloon op 10,51 euro. Bij de invoering van deze tijdelijke maatregel werd hij ingevoerd voor de aanslagjaren 1999, 2000 en 2001. Nu wordt hij verlengd. De regering zegt er niet bij voor hoelang. Maar het zou opnieuw om drie jaar gaan, dus voor de aanslagjaren 2002 tot 2004.

Tot slot neemt de regering voor KMO's nog enkele moedige en originele maatregelen, om het absurde stelsel van voorafbetalingen wat redelijker te maken. Vennootschappen die per kalenderjaar boekhouden, krijgen vier gelegenheden om aan voorafbetalingen te doen. Dat kan gebeuren uiterlijk op 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december van elk boekjaar. Om een verhoging wegens onvoldoende voorafbetalingen te ontlopen, moet de vennootschap de verschuldigde belasting over het boekjaar netjes betalen in vier keer. De ondernemer moet dus op 10 april 2001 weten wat zijn volledige winst zal zijn over het volledige boekjaar 2001. Daar moet hij dan de verschuldigde vennootschapsbelasting op berekenen en telkens een vierde betalen op de vermelde data.

De regering plant voor de KMO's een vrijstelling van elke belastingverhoging ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan in de loop van de eerste drie boekjaren na hun oprichting. Dat zou dus betekenen dat een nieuwe vennootschap die onderworpen is aan de verminderde tarieven, gedurende de eerste drie aanslagjaren niet moet voorafbetalen. Dat is in feite het doortrekken van de vrijstelling die bestaat in de personenbelasting (art. 164 W.I.B. 1992).

Maar daarnaast zullen de bedrijven die het wensen hun voorafbetalingen kunnen aanvullen met een laatste voorafbetaling ná de afsluiting van het boekjaar. Die laatste geplande maatregel is ronduit schitterend. Een vennootschap zal juist kunnen voorafbetalen wanneer ze de juiste winst kent. De vraag is uiteraard of, als de vennootschap wacht tot na het einde van het boekjaar om de juiste berekende belasting te betalen, geen enkele vermeerdering meer verschuldigd is. Dat zou wel het geval zijn. Maar de vermeerdering zou getemperd worden.

Een eerlijk systeem zou geen vermeerdering aanrekenen als de vennootschap gedurende het nieuwe boekjaar een voorafbetaling deed in vier keer gelijk aan de verschuldigde vennootschapsbelasting voor het vorige boekjaar. De belasting over het vorige boekjaar kan dan immers al perfect gekend zijn. Als de vennootschap dan kort na het einde van het boekjaar ziet dat de winst hoger is, zou ze de voorafbetaling moeten aanvullen met het tekort. In dat geval is het toch billijk dat geen vermeerdering wordt aangerekend? Maar dat betekent dan ook dat in de personenbelasting deze mogelijkheid geboden zou moeten worden voor eenmanszaken en vrije beroepers.

In vergelijking met de eerder geciteerde regeringsverklaring van midden 1999, blijft in het plan één ding achterwege. Er staat immers dat de regering in de vennootschapsbelasting het voornemen had de aftrekbaarheid van bepaalde onbetwistbare kosten geleidelijk uit te breiden. Dat kon en kan enkel betrekking hebben op de slechts gedeeltelijk aftrekbare beroepskosten, zoals van restaurant-, receptie-, kledij- en autokosten. Nu blijkt uit het plan net het omgekeerde. De autokosten worden aangepakt om het budgettair neutrale kader te bereiken.

Er worden eveneens concrete maatregelen uitgewerkt op diverse domeinen waarvoor op positieve resultaten kan worden gerekend. Gedacht wordt om maatregelen te nemen om de herinvlagging in België van de koopvaardij (weer) aan te moedigen. Ook de audiovisuele en de filmsector (een evergreen als het op aankondigingen van 'aanmoedigingen' aankomt) krijgen een steunbetuiging. De e-society zal via het aanmoedigen van de aanschaf van privé-pc's een steuntje in de rug krijgen. Ook het wetenschappelijk onderzoek en de verkeersveiligheid mag op stimulerende maatregelen rekenen.

Om de Belgische economie open te stellen, wil de regering de mogelijkheid onderzoeken om een specifiek fiscaal stelsel voor de Europese vennootschappen te ontwikkelen en om obstakels te verwijderen die grensoverschrijdende fusies in de weg staan. Blijkbaar wil België een gunstig fiscaal stelsel ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de Europese vennootschappen ervoor kiezen hun werkelijke zetel hier in België te vestigen. In het Europese ontwerp staat immers geen specifieke fiscale regeling. België wil daar blijkbaar van profiteren om ondernemingen die zo'n vennootschap willen oprichten naar België te halen. De vraag is uiteraard wat Europa en de commissaris die het concurrentiebeleid bestiert, Monti, daarvan zullen denken. Europa zal willen vermijden dat dit leidt tot een probleem coördinatiecentrum-bis.

In dezelfde gedachtegang wordt eveneens overwogen een stelsel van fiscale consolidatie in te voeren. Dat zou betekenen dat groepen in beginsel op het groepsresultaat belast zouden worden. Dat zou voor tal van groepen een einde kunnen maken aan de vele doorfacturaties die gebeuren om de resultaten in de juiste fiscale plooi te leggen.

Jan Verhoeye, accountant en docent aan het departement handelswetenschappen en bestuurskunde van de Hogeschool Gent

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud