Studeren kost geld

Studeren kost geld. Een jaartje secundair onderwijs kost gemiddeld zo'n 400 à 500 euro ( 16.000 tot 20.000 frank) per kind en per jaar, afhankelijk van het type van onderwijs dat wordt gevolgd. Maar volgt zoon- of dochterlief hoger onderwijs, dan lopen de kosten al snel op. Pendelt de student dagelijks heen en weer tussen thuis en de onderwijsinstelling, dan moet u rekenen op een gemiddelde kostprijs van 2.000 euro (80.000 frank) per jaar. Het exacte bedrag varieert uiteraard naargelang de gevolgde studierichting. En voor kotstudenten liggen de kosten bijna dubbel zo hoog. Een jaartje op kot gaat al snel met 3.750 à 4.000 euro lopen, zo hebben studies uitgewezen. Ook hier kunnen er uiteraard aanzienlijke verschillen zijn naargelang de gekozen studierichting.

Voor de raming van de kosten die een jaar hoger onderwijs meebrengen, neem je best op voorhand contact op met sociale dienst van de onderwijsinstelling die uw junior heeft uitgekozen. Inschrijvingsprijzen, kotprijzen en de prijzen van studentenvoorzieningen kunnen immers fors verschillen van stad tot stad en van onderwijsinstelling tot onderwijsinstelling. De kosten waar u zeker rekening mee moet houden zijn inschrijvingsgeld, studiemateriaal, voeding, huisvesting en ontspanning.

Al bij al kosten studenten behoorlijk wat geld. En daarbij kunnen de meeste ouders best wel een steuntje gebruiken. Die steun kan u aanvragen onder de vorm van een studiebeurs. Wat betreft de studiebeurzen voor het hoger onderwijs geldt vanaf het academiejaar 2001-2002 een nieuwe regeling. Eerst en vooral werd gepoogd de kloof te dichten die bestond tussen de werkelijke studiekosten en de studiebeurzen. Terwijl de werkelijke kostprijs van een jaar hoger onderwijs voor een kotstudent zoals gezegd ongeveer 3.750 euro bedraagt, bedroeg een studiebeurs voor een kotstudent maximaal 2.625 euro. Een stuk van dat verschil wordt weggewerkt in het nieuwe stelsel door de beurzen met ongeveer 5 procent op te trekken.

Een andere belangrijke nieuwigheid is de zogenaamde jokerbeurs. Wie vroeger een jaar moest overdoen, kon voor dat bisjaar geen beurs krijgen. Nu kan die zijn joker inzetten en toch nog een beurs krijgen. Elke student heeft echter slechts één joker. Een jaar bissen kan dus zonder verlies van de studiebeurs, maar een tweede jaar niet meer.

Voorts is men ook afgestapt van het principe dat de toekenning van de beurs verbond aan het inkomensniveau van twee jaar voordien. Wie wil, mag nu een beurs aanvragen op basis van zijn inkomen van het lopende jaar. Ten slotte werd ook beslist de uitkeringen te koppelen aan de gezondheidsindex. Al deze maatregelen zijn bedoeld om het hoger onderwijs voort te democratiseren.

Ook wanneer u niet zeker in aanmerking komt voor een studiebeurs doet u er goed aan toch een beurs aan te vragen. Hogeschool- en universiteitsstudenten die een beurs aanvragen, moeten bij de aanvang van het academiejaar immers slechts het verlaagde inschrijvingsgeld voor beursstudenten betalen. Komt u effectief in aanmerking voor een beurs, dan blijft het daarbij en hoeft u niets meer bij te betalen. Wordt uw aanvraag afgewezen, dan moet u het saldo pas in januari betalen. Op die manier kan u het inschrijvingsgeld in twee stukken betalen.

Naast de klassieke studietoelagen zijn er ook nog andere, minder bekende beurzen, uitgereikt door de provincie of door particuliere instellingen. Deze beurzen worden meestal voorbehouden voor begaafde maar minder gegoede studenten. De sociale diensten van de hogescholen en universiteiten kunnen hierover meer informatie geven. Deze diensten bieden soms ook aanvullende vormen van financiële ondersteuning. Zo kan u hier soms voorschotten krijgen op een studiebeurs en kan u er eventueel een extra studietoelage bekomen. Uiteraard is dergelijke steun enkel voorbehouden voor studenten in speciale situaties en worden de aanvragen grondig onderzocht. Elke universiteit heeft zo zijn eigen systemen, gaande van extra studietoelagen, die niet terugbetaald moeten worden, tot renteloze en omzetbare studieleningen, die na afloop van de studie in principe wél terugbetaald moeten worden.

Komt u niet in aanmerking voor een studiebeurs of voor de bijkomende financiële hulp van de sociale dienst van uw onderwijsinstelling, dan kan u ook bij de bank gaan aankloppen voor een studentenkrediet. Merk wel op dat dergelijke kredieten doorgaans enkel worden afgesloten voor hogere studies. De meeste grootbanken hebben hiervoor soepele kredietformules uitgewerkt met voordelige studententarieven. De studenten van vandaag zijn immers klanten van morgen. En die worden door de meeste banken maar al te graag verwelkomd. Al zijn er ook uitzonderingen. Bij Bacob bijvoorbeeld klinkt het dat er geen afzonderlijke kredietformules bestaan voor studenten. Zij kunnen, net als de anderen een lening op afbetaling afsluiten of een flexibele budgetreserve aanvragen, maar de voorwaarden zijn dezelfde als voor iedereen.

Het klassiek studentenkrediet zoals dat wordt toegekend door de meeste banken heeft meestal de vorm van een kaskrediet, ook wel eens budgetreserve genoemd. Opent de student zo'n krediet, dan krijgt die een voorafbepaalde budgetreserve op zijn zichtrekening die hij of zij kan opnemen wanneer het nodig is. Enkel op de opgenomen bedragen wordt rente aangerekend. Vergelijkbaar dus met onder nul gaan op uw zichtrekening.

De toegekende reserve wordt wél geplafonneerd. Hoeveel krediet de student precies mag opnemen, wordt geval per geval bekeken. Heeft de student een bijverdienste of niet? Is er iemand die borg staat voor het krediet? Welk studiejaar volgt de student (voor het eerste jaar gelden bij sommige banken lagere plafonds als voor de hogere jaren)? Dat zijn allemaal vragen die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de budgetreserve. In de meeste gevallen is de budgetreserve niet hoger dan enkele honderden, hooguit 1.500 euro. Al wordt in bepaalde situaties deze grens wel eens overschreden. Een budgetreserve van meer dan 2.500 euro zal u evenwel moeilijk te pakken kunnen krijgen. Tenzij u zich, bijvoorbeeld als student geneeskunde, tijdens uw specialisatiejaren bevindt. Voor studenten die zich na het behalen van hun basisdiploma voort specialiseren, wordt de limiet vaak nog opgetrokken 10.000 euro of meer.

Houdt er wel rekening mee dat de bank verwacht dat er zo nu en dan ook eens wat geld op de rekening komt. Krijgt een student lange tijd geen geld meer binnen, of wordt de toegestane limiet overschreden, dan wordt hij of zij op het matje geroepen en kan het krediet worden opgezegd. Is de student eenmaal afgestudeerd, dan neemt het krediet tegen studentenvoorwaarden eveneens een einde. U heeft dan twee mogelijkheden : ofwel betaalt u de lening meteen terug (bij BBL krijgt u hier evenwel twee jaar de tijd voor), ofwel laat u het krediet omzetten in een gewoon krediet. Maar dat is dan wel een krediet met de gewone rentevoeten en een vast afbetalingsplan.

De aangerekende rentevoeten zijn voor studentenkredieten meestal een stukje voordeliger dan voor gewone kasreserves voor niet-studenten. Bij Fortis bijvoorbeeld betaalt een student 10,08 procent op de opgenomen bedragen, terwijl u daar als niet-student 14,08 procent moet betalen op een gelijkaardige budgetreserve. BBL is iets goedkoper en rekent een rentevoet aan van 9,38 procent (tegenover 13,49 procent voor gewone kasreserves).

Hoewel de banken voor studenten dus duidelijk een extra inspanning doet, liggen deze tarieven nog altijd vrij hoog. Merk echter op dat de toegepaste rentevoeten wel eens kunnen variëren van bank tot bank. Renteverschillen van 2 procent of meer tussen de banken onderling zijn niet uitzonderlijk. Even langslopen bij verschillende banken voor u een beslissing neemt, loont dus beslist de moeite.

Heeft u extra geld nodig, dan kan u ten slotte ook als jobstudent wat proberen bij te verdienen. Een bijverdienste 's avonds of in het weekend kan een mooie stuiver opbrengen. Het (para-)fiscale droomregime dat geldt voor de traditionele studentencontracten tijdens de zomermaanden is dan echter niet van toepassing. Voor studenten die tijdens het schooljaar werken, bestaat er maar weinig verschil tussen een studenten- en een gewone arbeidsovereenkomst. Doorgaans is hier het gewone RSZ-regime van toepassing en belastingen zijn verschuldigd zodra het netto belastbaar de 5.350 euro overschrijdt, net zoals voor iedereen. Dat nettobelastbaar inkomen kan u berekenen door van het uitbetaalde loon uw 'beroepskosten' af te trekken. Daarvoor mag een forfaitair bedrag worden genomen van 20 procent van het brutoloon, met een minimum van 330 euro. Dat maakt dat het brutoloon van een student zonder andere inkomsten 6.687,50 euro mag bedragen vooraleer belastingen verschuldigd zijn op het loon.

Merk wel op dat eventuele andere inkomsten van de student bij het loon van de studentenjob worden opgeteld. Het is het totaal van alle inkomsten dat beneden de gestelde grens moet blijven. Dat kan wel eens lastig zijn voor kinderen van gescheiden ouders. Het ontvangen onderhoudsgeld moet immers voor 80 procent worden opgeteld bij de inkomsten van de studentenjob.

Zelfs wanneer de student geen belasting verschuldigd is op zijn studentenloon, wordt meestal toch bedrijfsvoorheffing ingehouden. U kan echter aan uw werkgever vragen om dat niet te doen. Wordt toch bedrijfsvoorheffing ingehouden, dan kan u die ook later nog recupereren. U hoeft als student dan enkel een persoonlijke belastingaangifte in te vullen op uw naam.

Een andere fiscale kwestie, die niet zozeer voor de student zélf dan wel voor zijn ouders van belang is, is of de student fiscaal al dan niet ten laste blijft thuis. Blijft de student ten laste, dan levert dat voor zijn ouders immers een aardige fiscale besparing op, zeker in grote gezinnen. Wil een kind ten laste blijven in een tweeoudergezin dan mag dat maximaal 2.450 euro bruto verdienen (verminderd met 20 procent forfaitaire beroepskosten komt dat overeen met 1.960 euro nettobelastbaar inkomen). Is de student ten laste van een alleenstaande, dan ligt de grens iets hoger, namelijk op 3.675 euro bruto (2.940 euro netto belastbaar). Wegens deze inkomensgrens is het voor kinderen van gescheiden ouders vaak erg lastig om al te veel bij te verdienen. Ook hiervoor moet immers 80 procent van het ontvangen onderhoudsgeld meegeteld als inkomen van de student. Ook kinderen met een overleden ouder kunnen in een soortgelijke vervelende situatie zitten wanneer ze wezengeld ontvangen van de groepsverzekeraar van de overleden ouder.

Hou er ten slotte ook rekening mee dat de kinderbijslag in het gedrang kan komen wanneer een student tijdens het school- of academiejaar werkt. In dat geval wordt de kinderbijslag enkel behouden wanneer minstens aan één van de twee volgende voorwaarden is voldaan. Ofwel mag de student maximum 79 uren per maand werken, ofwel moet hij tewerkgesteld zijn met een specifieke studentenovereenkomst.

En dan is er nog de studiebeurs. Heeft een student een heel jaar gewerkt en is hij of zij fiscaal niet meer ten laste thuis,

dan worden de inkomsten van de student bij de inkomsten van de ouders geteld om te bepalen of de student al dan niet recht heeft op een studietoelage. Zo kan u als gevolg van een bijverdienste uiteindelijk uw studiebeurs nog verliezen. Oppassen dus, voor u al te ijverig aan de slag gaat.

Frida Deceunynck

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud