'Voorakkoord over overname is bindend volgens Belgisch recht'

Het Belgische burgerlijke wetboek is duidelijk: koper en verkoper moeten in vertrouwen onderhandelen over een overname en rekening houden met de belangen van de tegenpartij. Doen zij dat niet, dan zijn zij aansprakelijk voor de gevolgen, vooraleer maar enig contract formeel is ondertekend. Volgens artikel 1382 van het burgerlijk wetboek dragen beide partijen in dat geval een precontractuele aansprakelijkheid en moet de partij die het vertrouwen schendt de andere partij vergoeden voor de gemaakte kosten, de verloren tijd en het mislopen van andere verkoop- of koopopportuniteiten.

City Bird, dat sinds begin juli onder gerechtelijk akkoord werkte, had een feitelijk verkoopakkoord met Thomas Cook en zou 9,9 miljoen euro ontvangen. Later werd de koopprijs verminderd tot 5,65 miljoen euro. Koper en verkoper mogen de onderhandelingen afbreken tenzij overeenstemming is bereikt over de inhoud en de prijs van de verkoop, stelt Wim Dejonghe, managing partner van het advocatenkantoor Allen & Overy België. Dejonghe, een topadvocaat op het vlak van fusies en acquisities (M&A), publiceerde zopas samen met Wouter van de Voorde het boek 'M&A in Belgium'.

De opschortende voorwaarden die Thomas Cook in afwachting van een definitief overnamecontract vastlegde, zijn niet zomaar te nemen of te laten. Als het om zuiver 'potestatieve voorwaarden' gaat, zoals bijvoorbeeld de goedkeuring door de raad van bestuur van de koper, zijn ze volgens het Belgische recht zelfs verboden, schrijft Wim Dejonghe. Een zuiver potestatieve voorwaarde is een voorwaarde die slechts afhangt van de wil van één van de partijen. Toegepast op de zaak City Bird betekent dit dat de opschortende voorwaarde van de goedkeuring door het groepsbestuur van Thomas Cook als een niet toegestane potestatieve voorwaarde kan worden beschouwd en dus ongeldig is. Thomas Cook riep ook de WTC-aanslagen van 11 september als overmacht in. Dat is een feitenkwestie die de rechter moet beoordelen. In veel standaardcontracten wordt nu een clausule inzake overmacht opgenomen.

Nog volgens Dejonghe bevatten veel voorakkoorden ('letters of intent') een clausule 'subject to contract', om te vermijden dat het voorakkoord bindend is. 'Subject to contract' is een Angelsaksische praktijk en betekent dat de overeenkomst pas geldig is zodra een definitief akkoord wordt ondertekend. Deze clausule geldt niet in het Belgisch recht. In een Belgisch voorakkoord kan de clausule 'subject to contract' de bindende kracht van de overeenkomst niet tenietdoen. Dat kan enkel indien het voorwerp van de verkoop en de prijs heel vaag worden beschreven of indien slechts een prijsvork wordt opgegeven. In de zaak van City Bird en Thomas Cook was reeds een precieze prijs afgesproken.

De Belgische wetgeving weerhoudt veel multinationale ondernemingen ervan contracten af te sluiten volgens Belgisch recht. De strikte principes van het Belgische burgerlijke wetboek over de totstandkoming van een overeenkomst en de interpretatie van een overeenkomst zijn immers ook van toepassing op voorakkoorden ('letters of intent'). Volgens Wim Dejonghe is het uiteindelijk de rechter of een arbiter die oordeelt over het bindende karakter van een 'letter of intent'. Zij gaan hiervoor niet enkel voort op geschreven documenten maar ook op alle andere communicatie tussen de betrokken partijen en op hun gedrag daarna. In kort geding besliste de rechter dat het voorakkoord tussen City Bird en Thomas Cook bindend was.

Veel betwistingen in verband met akkoorden en 'letters of intent' raken niet bekend omdat zij niet voor de rechtbank komen maar worden geregeld in arbitrage. Wel grote bekendheid kreeg de Texaco-Pennzoil-Getty-zaak, stelt Philippe Marchandise, bedrijfsjurist van TotalFinaElf en voorzitter van het Instituut van Bedrijfsjuristen. In 1984 nam Texaco Getty Oil over in de Verenigde Staten. Pennzoil betwiste deze overname en zwaaide zelf met een voorakkoord voor de overname van Getty. Pennzoil kreeg zowel in eerste aanleg als in beroep gelijk van de rechter. Texaco moest 3 miljard dollar schadevergoeding betalen aan Pennzoil en werd daardoor tot een gerechtelijk akkoord gedwongen. De rechter achtte het voorakkoord tussen Pennzoil en Getty bindend en bewezen op basis van drie feiten: een handdruk, een glas champagne en een persbericht.

KB

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud