nieuwsanalyse

13 blunders leidden tot 13 november

©REUTERS

De Belgische politiediensten hebben zeker 13 keer geblunderd in de aanloop naar de aanslagen in Parijs van 13 november. Te vaak is de uitleg: we hadden te weinig speurders.

Na de aanslagen in Parijs van 13 november vorig jaar, ploos de toezichthouder Comité P uit wat onze politiediensten over de daders wisten. Voor de zomer verschenen in de pers enkele sprokkels uit de tussentijdse verslagen. Maar nu is het definitieve rapport klaar. Wat wist onze politie, wat deed ze en wat liet ze na in de aanloop naar die fatale vrijdagavond in Parijs, die aan 130 mensen het leven kostte?

De bekendste daders van de aanslagen, Salah en Brahim Abdeslam, verschenen in de zomer van 2014 op de radar van de politie. Eerder raakte in de pers bekend dat iemand van de federale politie informatie kreeg over de radicalisering van de broers Abdeslam en over hun intentie om een ‘onomkeerbare daad’ te stellen. Maar uit het onderzoek van het Comité P blijkt dat het alleen zeker is dat de terrorisme afdeling van de federale gerechtelijke politie van Brussel (de OA3) in de zomer van 2014 vernam dat een van de broers Abdeslam radicaliseerde.

Over die radicalisering van een van de broers is volgens het Comité P een te beperkt politieverslag gemaakt. De politie argumenteerde dat ze niet zeker wist welke broer radicaliseerde en dat ze het beter vond geen informatierapport op te stellen om geen onschuldige Abdeslam in de politiedatabank verdacht te maken. Maar het Comité P pikt die uitleg niet. De broers Abdeslam stonden al voor andere feiten in de politiedatabank. Zo’n informatierapport is juist bedoeld om zachte informatie, die nog niet zeker is, te verspreiden binnen de politie.

In januari vorig jaar kreeg de politie van Molenbeek informatie over de radicalisering van de broers Abdeslam. De bron van die info werd niet opnieuw gecontacteerd.

Het Comité P vindt dat de politie de informatie over de Abdeslams op zijn minst voort moest onderzoeken. Als dat was gebeurd, had de politie later verbanden kunnen leggen. Nu was er niets.

Een half jaar later, in januari vorig jaar, kreeg ook de politiezone Brussel-West, die onder andere bevoegd is voor Molenbeek, informatie dat de broers radicaliseerden. Ze stelde twee processen-verbaal op. De informatie was tien maanden voor de aanslagen vrij concreet. Ze vermeldde ook de contacten van Salah Abdeslam met IS-sleutelfiguur Abdelhamid Abaaoud. Toch werd de bron die de info aanleverde niet opnieuw gecontacteerd. Ook de informatie over de band tussen Salah en Abaaoud werd niet verder benut.

Geen personeel

Een maand later, in februari, werden de dossiers over de Abdeslams van het lokale naar het federale niveau getild. Maar bij de terrorismeafdeling van de federale gerechtelijke politie van Brussel was geen personeel beschikbaar. De afdeling signaleerde dat tekort aan het federaal parket, maar zonder resultaat. Twee teams moesten bepaalde telefoongegevens van de Abdeslams ‘bevriezen’: ze bijhouden om ze later te onderzoeken. Dat gebeurde, maar niemand analyseerde de telefoongegevens.

Er kwam ook een proces-verbaal van ‘contextualisatie’, die de radicalisering van de Abdeslams in een bredere context plaatste. Die werd uitgevoerd door speurders die er amper ervaring mee hadden. Daardoor bevatte hun proces-verbaal niet alle beschikbare informatie en werd de link met Abaaoud, die voor de hand lag, genegeerd. Maar de contextualisatie kwam er pas nadat het federaal parket het dossier in juni vorig jaar zonder gevolg had geklasseerd. Daarna was er geen verder onderzoek tot 13 november.

Na het klasseren van de dossiers-Abdeslam ziet het Comité P ‘een vacuüm’. Hoewel het federaal parket aan de politie had gevraagd het seinen van de Abdeslams te handhaven en ze nog op de lijst met Syriëstrijders te laten staan, onderzochten de Brusselse speurders in die periode geen enkel ‘hit’ over de Abdeslams. De speurders geven daarvoor drie redenen: er was een gebrek aan personeel, het dossier was geklasseerd en de lokale politie moest de verdere radicalisering van de Abdeslams opvolgen. Dat laatste lijkt een drogreden, want de lokale politie van Brussel-West, die de radicalisering van de Abdeslams had gemeld, kreeg geen informatie doorgespeeld over ‘hits’ over de Abdeslams. Zelfs de politiedienst die de fiches over Syriëstrijders opmaakte, kreeg geen informatie meer. Er was een totaal vacuüm.

Verwaarlozing

De politie verwaarloosde ook de vragen uit het buitenland over de Abdeslams. Op 18 maart vorig jaar kreeg de politie een vraag uit Spanje over een reisbeweging van Brahim Abdeslam van september 2014. De politie beantwoordde de vraag pas op 28 december, een maand nadat Brahim zichzelf in een Parijs restaurant had opgeblazen.

Bepaalde politiezones staken hun informatie over de Abdeslams pas na de aanslagen van 13 november in de grote politiedatabank. Een gsm van Brahim Abdeslam, die de lokale politie van Brussel-West in februari vorig jaar bij een gewone controle in beslag nam, is verdwenen. Gelukkig waren de essentiële data er al uit gehaald.

Zelfs na de aanslagen gebruikte de politie voor het onderzoek niet alle beschikbare telefoondata en informatiedragers, zoals usb-sticks of computers, die bij de Abdeslams werden gevonden. Dat gebeurde in het beste geval pas zeer laat. De federale gerechtelijke politie van Brussel wijst op een gebrek aan personeel bij de computereenheid. Al zegt de dienst ook dat sommige informatiedragers sowieso geen nuttige info bevatten, de ongebruikte sim-kaarten bijvoorbeeld. Dat neemt niet weg dat ook nuttige gegevens niet werden gebruikt. De ‘bevroren’ telefoongegevens uit de periode tussen 1 maart 2014 en 19 februari 2015 bevatten informatie over de contacten van Salah Abdeslam met verdachten die de terrorismespeurders dan al viseerden.

Kamikaze

Wat deed de politie met de informatie over de 20-jarige kamikaze Bilal Hadfi? De eerste informatie kwam binnen in februari 2015 en koppelde Hadfi meteen aan radicalisering, wapensmokkel, een vertrek naar Syrië en een deelname aan de strijd daar. Dat was voldoende voor de Brusselse antiterreurspeurders om het dossier ‘HABIBI’ te openen, onder leiding van het federaal parket. Het duurde zes maanden, tot eind augustus 2015, voor de eerste onderzoeksdaden volgden. Opnieuw was de reden het personeelstekort. Er volgden acties om Hadfi, die mogelijk naar ons land was teruggekeerd, te lokaliseren, maar zonder resultaat. Op 9 oktober, een maand voor de aanslagen, zette de onderzoeksrechter het dossier ‘on hold’.

In februari vorig jaar was er al veel info over de Brusselse kamikaze Bilal Hadfi. Pas zes maanden later volgden de eerste onderzoeksdaden. Opnieuw was de reden: een gebrek aan personeel.

Hadfi moest internationaal geseind worden, maar ook daar werd geblunderd. Een opdracht van 2 juni vorig jaar om Hadfi internationaal te laten seinen en aan te houden werd niet meteen uitgevoerd door de lokale politie van de zone Brussel Hoofdstad/Elsene. Met belangrijke gevolgen: als Hadfi voor 1 september vorig jaar zou zijn gecontroleerd bij het oversteken van een grens zou hij niet zijn aangehouden. Hij had dan mogen beschikken na een ‘discrete’ controle.

Ook een vertrouwelijk verslag dat de politie van Brussel/Elsene op 12 oktober vorig jaar over Hadfi’s mogelijke terugkeer naar ons land opstelde, werd niet doorgespeeld aan de federale gerechtelijke politie van Brussel en het gerecht. Een maand later blies Hadfi zich op aan het Stade de France.

Abaaoud

Wat deed de politie met de tip dat tientallen Syriëstrijders naar ons land waren teruggekeerd onder leiding van de Molenbeekse terrorist Abdelhamid Abaaoud? De politie kreeg de verontrustende informatie dat Syriëstrijders aanslagen beraamden op massaevenementen in West-Europese landen, zoals België en Frankrijk, begin juli vorig jaar, meer dan vier maanden voor de aanslagen. De informatie zat in een vraag van een buitenlandse dienst. Maar de politie deed er niets mee. Tot de Brusselse recherche dezelfde informatie eind juli nog eens kreeg via een geclassificeerde nota van een buitenlandse veiligheidsdienst. Ondanks de concrete elementen - de link met België en met de Molenbeekse terrorist Abaaoud - kreeg het federaal parket de informatie niet doorgespeeld. Het federaal parket moet nochtans alle terrorismedossiers in ons land onderzoeken. De magistraten kregen de informatie pas na een officiële aangifte uit Frankrijk en tijdens een internationale vergadering begin september 2015, twee maanden voor de aanslagen.

Zelfs dan kregen onze magistraten nog niet alle elementen die de politie had. Terwijl die informatie, over mogelijke aanslagen in België onder leiding van Abaaoud, wel gekend was bij verschillende buitenlandse veiligheidsdiensten, zoals de Franse en de Amerikaanse. De federale gerechtelijk politie van Brussel verdedigde zich met het juridische argument dat ze zulke ‘geheime’ info van buitenlandse veiligheidsdiensten niet als politionele info mag gebruiken. Die uitleg pikt het Comité P evenmin. Zulke geheime info bevat zeer concrete namen en telefoonnummers van mensen die aanslagen voorbereiden. Het gerecht moet zo’n levensbelangrijke informatie toch kunnen benutten? Het is stof genoeg voor de parlementaire onderzoekscommissie Terroristische Aanslagen die de politiediensten de komende weken zal ondervragen.

20 databanken

Het Comité P signaleert een groot probleem met de databanken bij de antiterreureenheden van de politie. Als een buitenlandse veiligheidsdienst aan onze politie vragen stelt over een terreurverdachte, moet de politie dat natrekken in liefst 20 databanken bij zeven verschillende eenheden, verspreid over het land. Dat is allesbehalve efficiënt. Omdat de opzoekingen in die 20 verschillende databanken zo’n rompslomp zijn, worden voor veel vragen van buitenlandse veiligheidsdiensten niet alle databanken geraadpleegd. Kunnen de buitenlandse diensten daar dan op vertrouwen? Bij de grote databank van de politie, de Algemene Nationale Gegevensbank (ANG), heerst dan weer een chaos met de vele aliassen, oorlogsnamen en bijnamen van terroristen. De databanken van de centrale antiterreurdienst van de federale politie kampt het jongste jaar met tal van technische beperkingen, te wijten aan een gebrek aan budget en personeel.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud