Advertentie
Advertentie

Sociale partners willen proefperiode 'light' invoeren

Werkgevers en vakbonden willen weer een proefperiode 'light' invoeren, zodat werknemers makkelijker hun opzeg kan worden gegeven. ©Hollandse Hoogte

De vakbonden en de werkgeversorganisaties willen een proefperiode light invoeren en verzetten zich tegen het verlagen van de minimumlonen voor jongeren.

De vakbonden en de werkgeversorganisaties hebben maandagavond in alle stilte een akkoord gesloten over enkele netelige dossiers die al maanden aanslepen. Ze raakten het eens om de minimumlonen voor jongere werknemers niet te verlagen, over het invoeren van een soort van proefperiode voor nieuwe werknemers en over hoe de kortere ontslagtermijnen van onder meer bouwvakkers zullen uitdoven.

Zowel de vakbonden als de werkgeversorganisaties leggen het akkoord momenteel voor aan hun achterban. De Algemene Centrale van de socialistische ABVV heeft al gemopperd over hoe de ontslagtermijnen voor bouwvakkers worden hervormd en ook bij het ACV zal het akkoord naar verluidt niet zonder slag of stoot passeren.

Als het wordt goedgekeurd, komen de voorstellen op het bord van de regering-Michel terecht.

Jongerenlonen

De sociale partners vragen de regering om een geplande verlaging van de minimumlonen van jongere werknemers te schrappen. In het begrotingsakkoord van oktober vorig jaar besliste de regering-Michel dat bedrijven een lager minimumloon kunnen uitbetalen aan wie jonger is dan 21 jaar. Op die manier hoopte ze ondernemingen over de streep te trekken om sneller laagopgeleide jongeren aan te werven.

Omdat er veel weerstand was tegen de maatregel, maakte premier Charles Michel (MR) eerder duidelijk dat enkel de brutolonen dalen en dat de werknemers netto geen verschil mogen zien. Volgens de sociale partners is zo’n maatregel evenwel niet werkbaar en ze vragen de regering om hem te schrappen.

Proefperiode

In 2013 hebben de sociale partners een akkoord gesloten over de gelijktrekking van de opzegtermijnen van arbeiders en bedienden. Een gevolg daarvan was dat de proefperiode verdween. Tijdens die periode, doorgaans de eerste zes maanden van een vast contract, kon een werkgever een nieuwe werknemer zo goed als kosteloos ontslaan.

Door het nieuwe statuut moet een bedrijf dat een werknemer tijdens de eerste twee maanden ontslaat, een opzegvergoeding van twee weken betalen. Vanaf de derde maand komen daar elk begonnen kwartaal twee weken bij.

De sociale partners hebben nu beslist om de opzeg in de eerste twee maanden te herleiden tot een week om bedrijven aan te zetten werknemers sneller een vast contract te geven.

Opzegtermijnen

Door de gelijktrekking van de opzegtermijnen van arbeiders en bedienen bouwen beide groepen sinds 1 januari 2014 dezelfde opzegrechten op. Rechten die voordien werden opgebouwd, blijven behouden.

Voor ontslagen arbeiders, die in het verleden een minder gunstige regeling hadden, komt de overheid tussenbeide om het verschil met de huidige regeling bij te passen.

Voor werknemers in onder meer de confectie-, de diamantsector en de bouw bleven evenwel verlaagde opzegtermijnen van kracht. Voor die eerste twee sectoren is het een tijdelijke uitzondering die eind dit jaar afloopt. Voor bouwvakkers ging het over een permanente uitzondering.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in 2015 dat de permanente uitzondering voor de bouw ongrondwettelijk is, waardoor ze net zoals die voor de andere uitzonderingscategorieën op het einde van het jaar vervalt.

Er was evenwel nog onduidelijkheid over hoe de opzegtermijnen vanaf dat moment moeten worden berekend. Gelden de nieuwe opzegregels vanaf 2015 of pas vanaf 2018 voor werknemers die in de betrokken sectoren vanaf volgend jaar worden ontslagen?

De sociale partners kwamen overeen om voor de uitzonderingsgroepen de nieuwe opzegtermijnen pas vanaf 2018 te laten tellen. Zo wordt vermeden dat hun bedrijven hun ontslagkosten van de ene op de andere dag fors zien stijgen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud