nieuwsanalyse

Werknemer krijgt almaar kleiner deel van koek

Er rest de bevolking, anders dan de vakbonden beweren, meer dan wat kruimels. De vraag is of ze haar eerlijke deel van de koek krijgt. ©BELGAIMAGE

Hoewel de koopkracht stijgt, krijgen de werknemers een almaar kleiner deel van de koek toegeschoven. ‘Het kapitalisme bereikt zijn limieten.’

Kunnen werknemers dan toch meer dan 1 procent opslag boven op de index krijgen? De vakbonden en de werkgeversorganisaties buigen zich maandag opnieuw over die vraag. Het loonrapport van de Centrale Raad van het Bedrijfsleven (CRB) legde de lat voor loonsverhogingen in 2019 en 2020 op 0,8 procent boven op de index. Zo blijven de loonstijgingen in ons land gelijke tred houden met die in de buurlanden. Voor de vakbonden was dat te weinig. Daarom bliezen ze het loonoverleg op en staakten ze vorige week.

Met een truc werden de gesprekken nieuw leven ingeblazen. Het Planbureau heeft nieuwe economische vooruitzichten en de cijfers worden nog eens herberekend. De bedoeling is een algemene loonsverhoging van meer dan 1 procent mogelijk te maken. Zo willen de sociale partners tegemoetkomen aan het gevoel dat de werknemers de afgelopen jaren veel hebben gegeven maar te weinig hebben gekregen. In vakbondstaal: de gewone mensen krijgen enkel de kruimels van de koek.

Wat is er aan van die bewering? Uit cijfers van het Planbureau blijkt in elk geval dat een gemiddelde werknemer zijn brutoloon de afgelopen jaren zag stijgen. Bij het begin van de legislatuur was de toename miniem. Niet verwonderlijk, want de regering-Di Rupo had een politiek van loonmatiging gevoerd. De beperkte stijging van de brutolonen zette door in de eerste twee jaar van de huidige legislatuur. De regering-Michel voerde een indexsprong door en er waren slechts beperkte loonstijgingen mogelijk. De jongste jaren zag een werknemer zijn brutoloon met meer dan 2 procent per jaar stijgen. Na aftrek van de inflatie bleef de loongroei evenwel uiterst beperkt.

Ook het beschikbare inkomen van de Belgen steeg de afgelopen legislatuur. Dat is wellicht de beste indicator voor de koopkracht. Er wordt berekend hoeveel een Belg overhoudt van zijn inkomen - zowel lonen als inkomens uit kapitaal en sociale uitkeringen - na belastingen. Daarbij wordt anders dan bij de evolutie van de brutolonen rekening gehouden met de taxshift. Door die hervorming daalde de personenbelasting. Het brutoloon blijft daardoor ongewijzigd, maar het nettoloon stijgt.

We zien overal dat goed betaalde industriële jobs worden vervangen door minder goed betaalde dienstenjobs.
Koen De Leus
hoofdeconoom BNP Paribas Fortis

Aan het begin van de legislatuur daalde het beschikbare inkomen van de gemiddelde Belg, sinds 2016 is het jaar na jaar gestegen. Eerst voorzichtig, de voorbije jaren iets sterker. Vorig jaar nam het beschikbare inkomen van een gemiddelde inwoner met 0,7 procent toe, dit jaar wordt een groei van 1,6 procent verwacht. Die koopkrachtstijging is evenwel een gemiddelde. Ze neemt toe omdat meer mensen aan het werk zijn gegaan. Wie werk heeft gevonden, zag ongetwijfeld zijn koopkracht stijgen. Maar is dat ook zo voor wie al aan het werk was? Het kan dat de rijksten er fors op vooruit zijn gegaan en de rest van de bevolking haar welvaart zag stagneren.

Cijfers per inkomenscategorie zijn niet beschikbaar, al geeft een theoretische oefening van André Decoster en enkele collega’s van de KU Leuven wel enig inzicht. Ze isoleerden het effect van de taxshift op de inkomens en daaruit blijkt dat alle inkomensgroepen erop vooruitgaan. Al is de koopkrachtstijging van de rijkste helft van de bevolking groter dan de die van de andere helft. Dat is niet onlogisch, want de taxshift komt vooral wie werkt ten goede. Wie van een uitkering leeft, profiteert in veel mindere mate.

Er rest de bevolking, anders dan de vakbonden beweren, meer dan wat kruimels. De vraag is of ze haar eerlijke deel van de koek krijgt. Ondanks de loonstijgingen is het aandeel van de lonen in de totale welvaart al sinds de jaren 80 aan het dalen, blijkt uit cijfers van de Europese statistische dienst Eurostat. Dat loonaandeel geeft weer welk deel van de gecreëerde welvaart naar de loontrekkenden vloeit, belastingen op loon incluis.

De daling van het loonaandeel in de economie gaat gepaard met een toename van het bruto-inkomen van de ondernemingen, zelfstandigen en anderen die hun inkomen uit kapitaal halen. Het deel dat de loontrekkenden krijgen is de afgelopen jaren stelselmatig kleiner geworden, dat van de andere inkomens groter. In 1981 maakten de lonen en de belastingen en sociale bijdragen die daarop werden betaald nog 66 procent van het bruto binnenlands product uit. Dit jaar zijn ze nog goed voor zo’n 59 procent van het bbp.

©Filip Ysenbaert

Toch zijn de Belgische werknemers en ambtenaren niet zo slecht af. In de EU krijgen alleen de Bulgaarse en Sloveense loontrekkenden in verhouding een groter deel van de koek. In onze buurlanden is dezelfde dalende tendens van het loonaandeel merkbaar, al is die er nog meer uitgesproken. In de Angelsaksische wereld is dat nog meer het geval.

Liberale recepten

In zowat alle westerse landen maakt de evolutie van het loonaandeel eenzelfde evolutie door. In de jaren 70 is er een snelle piek, veroorzaakt door de oliecrisis waardoor de inkomsten van de bedrijven terugvallen. Sinds het begin van de jaren 80 daalt het loonaandeel stelselmatig, wat het gevolg is van een aantrekkende economie en de liberale recepten die in navolging van de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher overal in Europa worden toepast.

Het loonaandeel belandt op een absoluut dieptepunt in 2007, net voor het begin van de economische crisis. Door de moeilijke crisisjaren begonnen de lonen weer een groter deel van de koek in te nemen, al werd die evolutie overal in Europa in 2014 omgebogen. Vanaf dan ging het economisch beter. Bovendien deed de regering-Michel er alles aan om de stijging van de loonkosten onder controle te houden om de concurrentiepositie van onze bedrijven te vrijwaren.

‘De klap van de crisis werd in eerste instantie opgevangen door de bedrijven’, zegt econoom Gert Peersman van de UGent. ‘Ze kenden moeilijke jaren, maar hielden hun personeel zo veel mogelijk aan boord en moesten dat ook indexverhogingen toekennen. Het gevolg was dat het loonaandeel steeg. Nadien voerde de regering een correctie door, waardoor het loonaandeel weer daalde en we opnieuw op het punt van 2007 zijn beland.’

Gulle dividenden

Volgens de vakbonden is het geld via gulle dividenden vooral in de zakken van de aandeelhouders beland. Cijfers van de Nationale Bank bevestigen dat echter niet. In 2017 werd zo’n 10 procent van het bbp aan dividenden uitbetaald, ongeveer evenveel als twintig jaar eerder. De bedrijven investeren wel meer en potten ook een groter deel van de winst op. Dat kan zijn om toekomstige investeringen in onder meer digitalisering te financieren. Al kan het geld ook worden opgepot om later uit te keren aan de aandeelhouders.

De vraag is hoe problematisch het is dat het loonaandeel op een historisch dieptepunt staat. Peersman is voorzichtig. ‘De evolutie van de belastingen of de productiviteit kunnen het beeld vertekenen, maar het suggereert wel dat er iets aan de hand is. Dat past in een internationale dynamiek die de Franse econoom Thomas Piketty heeft beschreven.’ Die wijst erop dat het rendement uit kapitaal haast altijd hoger ligt dan het rendement uit arbeid en dat het aandeel van het kapitaal in de totale welvaart dus stelselmatig hoger wordt. De uitzondering daarop zijn de periode tussen de wereldoorlogen en de jaren 80.

Koen De Leus, hoofdeconoom bij BNP Paribas-Fortis, spreekt over een ‘winner takes it all’-samenleving, waarbij mensen die hun kapitaal kunnen beleggen, ondernemers en mensen met gegeerde talenten het goed hebben. ‘Daartegenover staat een groep mensen die door de economische veranderingen hun job verliezen. We zien overal ter wereld dat goed betaalde industriële jobs worden vervangen door minder goed betaalde in de dienstensector. Dat leidt tot ongenoegen, dat zich vertaalt in een populistische stem bij verkiezingen.’

In ons land is die tendens kleiner en door onze hoge belastingen en sociale zekerheid zijn we een van de meest herverdelende landen ter wereld. België is met andere woorden de Verenigde Staten niet, waar de kloof tussen het kapitaal en de rest gigantisch is geworden. Toch zijn Peersman en De Leus het erover eens dat de evolutie naar een almaar lager loonaandeel het best wordt gestopt, omdat ze tot veel maatschappelijk ongenoegen leidt.

Werknemers en werkgevers moeten een evenwicht bereiken in de verdeling tussen arbeid en kapitaal.
Gert Peersman
econoom UGent

‘Het kapitalisme bereikt zijn limieten’, poneert De Leus. ‘Mensen zullen er niet meer in geloven en we dreigen een tegenbeweging te krijgen waarbij het kapitaal en de hoogste inkomens zeer zwaar worden belast, wat de economie dreigt te schaden. Bij de Amerikaanse Democraten gaan al stemmen op om de hoogste inkomens aan een belasting van 70 procent te onderwerpen.’

Peersman vindt dat de sociale partners een belangrijke rol te spelen hebben. ‘Werknemers en werkgevers moeten een evenwicht bereiken in de verdeling tussen arbeid en kapitaal’, zegt Peersman. Het loonoverleg zit evenwel in het strakke carcan van de wet van 1996, waardoor de lonen dit en volgend jaar maar beperkt kunnen stijgen. ‘Op zich is het, om de concurrentiekracht van onze bedrijven te beschermen, goed dat we naar de buurlanden kijken’, zegt Peersman. ‘Maar het loonaandeel daalt daar ook, waardoor we vast komen te zitten. Als in alle landen dezelfde tendens speelt, is het voor ons land moeilijk om die evolutie te keren.’

‘Met lagere belastingen op arbeid kunnen we bereiken dat de werknemers meer overhouden. Met beter onderwijs zijn meer mensen geschikt om goedbetaalde jobs uit te voeren’, stelt De Leus. De echte oplossing ligt volgens hem echter op Europees vlak. ‘Daar moet het systeem drastisch worden hervormd.Om bedrijven aan te trekken proberen de Europese landen elkaar de loef af te steken met zo laag mogelijk belastingtarieven, bijvoorbeeld voor de vennootschapsbelasting. Idem met de tendens naar steeds lagere loonkosten. We moeten die race to the bottom stoppen.’

Dat wijst op de grenzen van ons Belgisch overlegmodel en zelfs op de grenzen van de Belgische politiek. Met verdere lastenverschuivingen, van arbeid naar kapitaal of naar groene fiscaliteit, kan een federale regering enkele stenen verleggen. Maar om te bereiken dat de loontrekkenden opnieuw een groter deel van de koek krijgen, is Europese actie nodig. Met enige overdrijving kan je stellen dat de bonden tegen het verkeerde beleidsniveau van leer trekken. Voor een deel doen ze dat uit onmacht. Op Europees niveau stellen de vakbonden nauwelijks wat voor.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect