Lagere vennootschapsbelasting vraagt offers bedrijfswereld

Minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) ©BELGA

Een lagere venootschapsbelasting van 25 of 20 procent is maar een haalbare kaart als de notionele intrestaftrek wordt afgeschaft en de roerende voorheffing fors wordt opgetrokken.

De verlaging van de vennootschapsbelasting, waaraan minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) werkt, wordt niet overal in de bedrijfswereld op gejuich onthaald. Er zitten namelijk nogal wat adders onder het gras. De afschaffing van de notionele intrestaftrek alleen zal niet volstaan om een substantiële verlaging van de vennootschapsbelasting te financieren, zo blijkt nu ook uit een studie van de Hoge Raad van Financiën.

De vennootschapsbelasting van 33,99 procent is goed voor zo’n 14 miljard euro aan inkomsten, wat overeenkomt met 3,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Een verlaging naar 25 procent vereist volgens de Hoge Raad van Financiën dat de belastbare basis verbreed wordt met 36 procent. Een verlaging tot 20 procent vereist zelfs een verbreding van de belastbare basis met 70 procent.

Het afschaffen van de notionele intrestaftrek, die volgens de Hoge Raad van Financiën in 2017 goed is voor zo’n 4,9 miljard euro aan inkomsten, zou slechts 48 procent van de kostprijs van een verlaging van de vennootschapsbelasting tot 25 procent financieren. Bij een verlaging van de vennootschapsbelasting tot 20 procent zou de afschaffing van de notionele intrestaftrek slechts een kwart van de kosten opvangen.

Volgens de Hoge Raad is de afschaffing van de notionele intrestaftrek hoe dan ook nodig, wil de regering een verlaging van de vennootschapsbelasting betaalbaar houden. Het voorstel van Van Overtveldt om bedrijven de keuze te laten tussen de hoge vennootschapsbelasting met notionele intrestaftrek of een lage vennootschapsbelasting zonder notionele aftrek is volgens de Hoge Raad budgettair geen haalbare kaart.

Het gevaar dat heel wat financieringsvennootschappen zouden vertrekken als het voordeel van de notionele intrestaftrek verdwijnt, lijkt volgens de Hoge Raad van Financiën geweken. De fiscale gunstregimes voor bedrijven worden internationaal steeds vaker afgeschoten, zoals de Europese Commissie onlangs nog deed met de Belgische ‘excess profit rulings’. Mochten die financieringsvennootschappen toch vertrekken, dan zou het afschaffen van de notionele intrestaftrek nog minder opbrengen’ merkt de Hoge Raad van Financiën wel op.

En zelfs met de afschaffing van de notionele intrestaftrek slaagt de regering er niet in een substantiële verlaging van de vennootschapsbelasting te financieren. Er zal dan ook verder moeten worden gegaan met het verwerpen van de aftrekbaarheid van bepaalde kosten, zoals restaurant- en representatiekosten. En volgens de Hoge Raad van Financiën zal het onvermijdelijk zijn ook hogere belastingen in te voeren op de vermogenswinsten, zoals een verhoging van de roerende voorheffing.

De invoering van een meerwaardebelasting op aandelen, een zogenaamde Coucke-taks, kan volgens de Hoge Raad van Financiën in theorie 3,5 miljard euro opleveren. Maar de Hoge Raad twijfelt aan die opbrengst. Heel wat transacties dreigen niet meer in België te gebeuren als de belastingvrijstelling wegvalt, wordt opgemerkt.

Vandaar dat de Hoge Raad voor een verhoging van de roerende voorheffing op dividenden en liquidatieboni gaat. In de praktijk zal de roerende voorheffing tot 34 of zelfs 38 procent moeten worden opgetrokken, luidt het.

En zelfs dan komt de regering er niet. Er zal dan nog moeten worden gerekend op terugverdieneffecten, ‘die moeilijk te berekenen vallen’, besluit de Hoge Raad van Financiën zijn analyse.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content