Advertentie

Twee maanden na de zondvloed: ‘We steken nog maar net onze kop boven water’

Emmanuel Meers en Sophie Deroux: ‘Belangrijk is dat eerst alles droog wordt. Pas dan kunnen we vooruitblikken.’ ©Valentin Bianchi

Pepinster ligt in België en dus maakt Donald Muylle ook hier keukens. Alleen weet hij zelf niet wanneer ze kunnen worden geleverd. De vraag zal groot zijn in de Vesder-vallei, die half juli overstroomde. Twee maanden later is vooral sprake van opkuis. Nog meer dan van heropbouw.

Richting Pepinster rijdend moet je over de A601 in Herstal. Dat is de stilaan bekende kilometerslange rouwband van schroot die de ramp van half juli herdenkt. Onder je wielen meandert de spooksnelweg vol oud ijzer, hout, stof en as. Je houdt het niet voor mogelijk.

Dat doe je ook niet in Pepinster. De straatnamen klinken op zich al wat wrang: Rue Neuve en Rue Hubert Halet. Omdat niets nog nieuw is in die ene hoofdstraat en omdat Hubert Halet de burgemeester van het naburige Cornesse was die op 12 augustus 1914 door de Duitsers werd neergeschoten. Het was oorlog toen en uitgerekend hier brak half juli die andere oorlog uit. Niet gevoerd door kogels en kanonnen, maar door dat alles wegvegende wassende water van de Vesder, die door Pepinster stroomt.

Ik ben niet beschaamd om het te zeggen: die hele eerste week heb ik gehuild.
Tony Campione
Tankstationuitbater

We zijn twee maanden later en over Pepinster hangt de geur van natte kelder. De vermufte geur van opgedroogd vuil, puin, van de resten van modder en water die aan de gevels kleven. ‘Mensen die van elders komen, zeggen me dat ze dit ruiken, maar zelf zijn we het allicht gewoon geworden’, zegt Jean-Marc Hubin. ‘Ik onderscheid die geur niet meer. Ik herinner me alleen de geur van die dagen nog. Stank is een beter woord. Boven Pepinster hing een verschrikkelijke stank.’

Hubin is 64, hier geboren en hier opgegroeid, in een familie van autoverkopers. In 1930 begon zijn opa in het centrum van Pepinster auto’s te verkopen. Zijn vader nam over en in 1993 was het aan Jean-Marc Hubin zelf. ‘Sinds 1930 doen we Opel.’ Duitse wagens dus. Zo staat het ook boven de inrit van zijn garage aan de Rue Neuve, 66: Hubin Opel. Er is een inrijpoort die toegang geeft tot de werkplaats achteraan, er zijn drie etalages en in de dubbele in het midden staat een gloednieuw model. Op de etalage hangt een grote sticker: ‘Réouverture 16 septembre.’ Dat was vorige week.

Jean-Marc Hubin en zijn echtgenote. ©Valentin Bianchi / Hans Lucas

‘Vroeger kon niet’, zegt Hubin in zijn eenvoudige kantoor dat via een groot raam uitgeeft op het al even eenvoudige kantoor van zijn echtgenote. Ze doen dit samen. ‘Het water stond anderhalve meter hoog in de toonzaal en in het atelier. Anderhalve meter, reken dat eens uit in een auto. We hadden er zes nieuwe staan en achteraan, op de parking, nog een heleboel occasies. Met anderhalve meter water waren die allemaal perte totale. Uiteindelijk verloren we 22 wagens.’

De geur boven Pepinster herinnert Tony Campione zich misschien nog beter. Vandaag veegt hij wat aarde weg voor zijn Q8-station in de Rue Hubert Halet, maar heel snel haalt hij zijn smartphone boven. Daarop staan beelden van wat het water deed aan de Q8 in Fôret-Trooz, het andere station dat onder zijn hoede valt. Auto’s op de kant. Een boom op een wagen. Water dat wast. Een ingezakt dak.

©Valentin Bianchi

‘Ik ben niet beschaamd om het te zeggen: die hele eerste week heb ik gehuild, telkens als ik alleen in mijn camion zat’, zegt hij. ‘En pas op: privé had ik niet te klagen. Mijn huis was niet getroffen. Maar tegenover al die mensen in de miserie voelde ik me bijna gegeneerd dat ik ’s avonds in een proper huis aankwam.’

Zijn tranen voegden zich bij al dat water, maar Campione prijst zich nog gelukkig. ‘Collega’s uit Charleroi en Brussel kwamen snel helpen. Zelfs mijn baas uit Antwerpen kwam met zijn vrouw een handje toesteken’, zegt hij. ‘Dat is het voordeel van onderdeel te zijn van een groter geheel. Ik zag het bij de overburen van Delhaize. Er kwamen autocars vol mensen die kwamen helpen. Na een week was de Delhaize weer open. Ik kreeg snel technische bijstand van Q8. Zo’n tankstation is iets ingewikkelder, maar in principe open ik volgende week.’

On y travaille!

Wie denkt om in Pepinster en in al die andere dorpjes langs de nu lieflijk stromende Vesder een paternoster van camions en camionettes te zien, komt bedrogen uit. Die zijn er nog niet. Geen aannemers, geen keukeninstallateurs, geen parketleggers. Wel busjes van Proximus en witte camionettes van energieleveranciers. ‘Daar wordt hard aan gewerkt’, zegt Cédric Halin, de burgemeester van het ook getroffen Olne. ‘Normaal is de gasaansluiting weer in orde over 14 dagen. Dat is net op tijd voor als het kouder wordt.’

Op glas moest je voor corona al tien dagen wachten, nu is dat gemakkelijk een maand.
Christian Belflamme
Glazenmaker

Die bedrijvigheid zie je dus wel. Aan beide kanten van de Rue Neuve en de Rue Hubert Halet in Pepinster ligt de straat open. Buizen en leidingen steken eruit als tekens van hoop in het centrum waar verder vooral leegstand en puin heersen. Steek het brugje over de Vesder over en gruw. Aan het huis waar de gevel brokkelig en maar amper overeind bleef, hangt een bord van het immobiliënkantoor Thonnard & Trinon: ‘Appartement à louer.’ De definitieve afbraak wacht. Naast het huis zijn in een berg van stenen en aarde drie opgegooide autowrakken herkenbaar. Vers onkruid groeit. Van heropbouw zal misschien nooit meer sprake zijn.

Dat bord is wrang. Maar ook andere boodschappen kan niemand lezen zonder stil te worden. Aan de deur van bloemenwinkel Bergamote-Fleurs hangt een papier met daarop: ‘Congé annuel. A partir du 12 juillet au 16 août inclus. Bonnes vacances.’ Dat bleef hangen. Ernaast hangt nu een groter blad: ‘On reviendra! On y travaille!’ Op de dichtgetimmerde Carrefour Market lees je: ‘Solidarité Merci!!!’ Coiffeurs Guido & Richard (Hommes et Dames) laten op de vitrine weten: ‘Nous allons bien!!! Réouverture dès que possible.’

Ergens hoor je geklop en dat mag. Op alle deuren - of houten platen die ze afdekken - hangt een politieverordening van 4 augustus. Daarmee is, na de verplichte evacuatie, toegestaan dat eigenaars alle mogelijke maatregelen kunnen nemen om hun huizen te verstevigen ‘en vue de rendre les logements habitables’. Daar is Christian Belflamme mee bezig. Hij woont in Batice, maar runt in Pepinster Vitrerie Belflamme en verhuurde dit huis. Al is de verleden tijd niet helemaal juist. ‘De dame die op de eerste verdieping woonde, is intussen terug. Dat kon en ze woont hier graag’, zegt Belflamme. ‘Waarom niet?’

Christian Belflamme. ©Valentin Bianchi / Hans Lucas

Je kan je ook afvragen: waarom wel? Beneden is van wonen geen sprake. Het water kwam tot net boven de eerste tussenverdieping, ‘Twee meter veertig’, schat Belflamme. Nu kapt hij in de keuken nog wat loszittend pleisterwerk weg, maar dan zal hij niet veel meer kunnen doen. ‘Van de verzekering heb ik een klein voorschotje gekregen, dus ik ging al maar wat aan de slag. Maar de reconstructie van Pepinster is op dit moment nog een catastrofe. Je moet hier ’s ochtends vroeg eens door rijden. Het is een spookdorp. Voor dit huis min of meer bewoonbaar is, reken ik op meer dan een jaar.’

Wachten op glas

Waar alles weg is en alles moet herbeginnen, zou voor ondernemers een goudmijn moeten liggen. Want ooit herleeft Pepinster, dat is zeker. Met zijn vitrerie zit Belflamme aan de kant van de aanbieders. Nieuwe ramen zijn voldoende nodig in de getroffen streek. ‘Toch heb ik al eens mijn rekening van het derde trimester van 2021 gemaakt en vergeleken met het derde trimester van 2020. Pas op: dat was coronatijd, hè. Wel, ik kom aan min 80 procent omzet uit.’

Wie echt dringend een auto nodig had, kon natuurlijk niet bij ons terecht.
Jean-Marc Hubin
Autoverkoper

‘Hoe dat komt? Eén: ik moet zelf aan materiaal geraken. Op glas moest je voor corona al tien dagen wachten, nu is dat gemakkelijk een maand. Maar voor raamprofielen, waar vroeger een wachttijd van zes weken op zat, moet je nu minstens acht tot twaalf weken wachten. En twee: ik raakte zelf mijn materiaal kwijt. Al mijn voorraad en mijn werktuig, ongeveer mijn hele atelier en mijn camionette van Citroën. Die kosten lopen al op tot gemakkelijk 280.000 euro. Op een nieuwe camionette zou ik tot februari 2022 moeten wachten. Ik heb me dus voorlopig een tweedehands gekocht, die weliswaar kleiner is en waarvoor ik een nieuw bagagerek moest bestellen. Wachttijd: vijf weken.’

In zijn kantoortje achter glas heeft Jean-Marc Hubin zijn eigen rekening nog niet helemaal gemaakt. Maar met 22 verloren auto’s en alle schade in het atelier schat hij het gemakkelijk op 100.000 euro. Of daar twee maanden sluiting mee ingerekend zitten, is onduidelijk. Het verlies van herstelling en verkoop, gedurende al die tijd, kan niet zomaar worden berekend.

©Valentin Bianchi

‘Veel mensen verloren hun auto tijdens de ramp’, zegt hij. ‘Natuurlijk was in Pepinster iedereen getroffen en ik kan me voorstellen dat vooral huisvesting voor de meeste mensen een prioriteit was. Meer dan een auto. Maar wie echt dringend een auto nodig had, kon natuurlijk niet bij ons terecht. Wellicht zijn die mensen bij andere verkopers gegaan. Als ze belden, hebben wij ze wel zo veel mogelijk naar collega’s doorverwezen. Maar je weet het nooit. Ik ga er alleen van uit dat onze trouwste klanten ons ook trouw bleven.’

De tweedehandsmarkt boomde wel in de streek, heeft Hubin vernomen. In augustus 2021 steeg het aantal nieuw aangevraagde nummerplaten voor tweedehandswagens met 10 procent. Hoe het met nieuwe wagens zit, valt af te wachten. ‘Sinds we vorige week openden, hebben we vier auto’s verkocht. (met een glimlach) Daar zou ik elke week voor willen tekenen. Maar ik ben realist. En natuurlijk zijn ook bij ons de wachttijden groot. Je moet snel vier tot zes maanden rekenen voor je nieuwe auto er is. Maar dat probleem bestaat al langer, zeker door het tekort aan elektronica. Corona, dat weet u. De natuurramp hier heeft daar niets mee te maken. Deze streek is alles bij elkaar maar een paar vierkante kilometer groot. Die gaat de Belgische markt niet bepalen. Laat staan de Europese.’

Stress en ongeduld

We vertrekken uit Pepinster en rijden door dorpen als Trooz, Trasenster, Nessonvaux en Olne. De sporen van het verval blijven onmiskenbaar. Mensen poetsen nog altijd. Aan afsluitingen van huizen, in struiken en langs de oever van de Vesder is afval blijven hangen. Nog lang niet alles ligt op de A601 in Herstal.

Op deze wegen reden we ook op 21 juli. Het was nationale feestdag, we waren een week na de ramp en in de Rue Moirivay was een hondenteam van de politie op zoek naar de dode lichamen van enkele vermisten. De uiteindelijke balans zou zwaar zijn. Zeker 41 mensen verloren het leven die dagen. Zeker vijf van hen woonden in de Rue Hubert Halet. Een man uit Olne, die met zijn quad mensen wilde helpen, verdronk. In deze bocht van de Vesder in Olne werden twee mensen gevonden.

In diezelfde bocht vertelde Emmanuel Meers, samen met zijn vriendin Sophie Deroux, op 21 juli over wat was gebeurd. Hij leidde ons rond op zijn terrein dat volgestouwd lag met huisraad vol modder. Hij toonde ons zijn pas vernieuwde, compleet verwoeste keuken. Nu stoppen we hier opnieuw. Sophie is weer gaan werken, Emmanuel nog niet. Hij werkt voor Securail, maar werd door zijn dokter op ziekteverlof gezet. ‘De stress maakte het onmogelijk mijn job, met honden, goed te doen. Ik verloor zomaar mijn geduld, kon niet rustig blijven. Dat kan niet als je met mensen moet werken.’

We stappen zijn terrein op. De meeste huisraad is weg, maar ze wonen nog altijd in hun caravan. Hij opent de deur van de keuken waar we toen al stonden. De keuken is weg, op het vuur na. In de ruimte staat een enorme machine die het vocht moet wegtrekken. In de ruimte ernaast hetzelfde. ‘De gemeente heeft ons die bezorgd’, zegt hij. ‘Normaal kost dat je tot 300 euro per maand aan elektriciteit, omdat die dag en nacht aan staan. Maar ook daar zou ik me geen zorgen over moeten maken.’ De machines doen hun werk. Je ziet dat één muur al wat droger is dan de andere.

Is van heropbouw al sprake? Meers schudt het hoofd en gebruikt dan, zonder dat hij het beseft, een bijzonder beeld. ‘We steken nog maar net onze kop boven water’, zegt hij. ‘We gaan langzaam vooruit. Belangrijk is dat eerst alles droog wordt. Dan kunnen we eindelijk vooruitkijken.’ Meteen vertelt hij dat hij dat toch al deed. Hij contacteerde elektriciens, vloerders en keukenbouwers. ‘Ze kwamen wel, deden zelfs al voorstellen. Maar nu is het wachten op een go van de verzekering. En dat duurt. Dat begrijp ik, natuurlijk. Iederéén in de streek wacht op antwoord. Alleen willen wij zelf wel vooruit kunnen.’

Oppeppende vrienden

Voor zijn keuken nam Meers contact op met Dovy. We bellen dus met Donald Muylle, de stichter en zaakvoerder van de West-Vlaamse keukengigant die - zoals zijn advertenties zeggen - ‘uw keuken in België’ bouwt. Wallonië hoort daarbij.

‘We hebben twaalf toonzalen in Wallonië’, zegt Muylle. ‘Enfin, ik moet nu zeggen dat we er elf hebben. Onze toonzaal in Verviers werd verwoest door de overstromingen. Ze stond langs de Vesder. Het water kwam er 2,30 meter hoog, ik moet u niet zeggen dat alles kapot was. Daar kunnen mensen dus niet terecht. We gaan die winkel wel opnieuw openen, maar dat zie ik pas in het voorjaar van 2022 gebeuren.’

Ondertussen kunnen klanten naar Dovy in Awans, ook niet zo ver weg. ‘Het is niet zo gemakkelijk te zeggen of we dat nu hard merken, maar we lijken in Awans zo’n 20 procent meer trafiek te hebben dan anders. Is dat veel? Het is meer. Natuurlijk zijn die mensen daar niet onmiddellijk mee geholpen. Keukens zijn een bijzonder artikel. Sowieso zitten ook wij, zeker na corona, met wachttijden van soms enkele maanden voor sommige toestellen worden geleverd. En wij kunnen pas plannen en ontwerpen als er kan worden opgemeten. In het geval van al die zwaar beschadigde huizen betekent dat vooral wachten op bouwen of verbouwen.’

Emmanuel Meers glimlacht en dat valt op. Toen al, op 21 juli. En nu, op 22 september - opnieuw. Hij glimlacht, is vriendelijk, behoudt zijn goed humeur. Waar haalt hij de moed? ‘Er zijn dagen geweest dat ik het niet zag zitten’, zegt hij. ‘Maar dan kwamen er voor de zoveelste keer vrienden langs om te helpen. Die pepten me op: ‘We proberen het samen beter te maken dan voordien.’ Het lukte ze telkens om me dat te laten zien. Dus hervatte ik altijd moed. Ik probeer het moreel hoog te houden. Ik geef niet op.’

Eigenlijk zegt hij wat hij toen al zei. Hij zegt het nog eens. ‘Het zal een jaar duren voor mijn huis in orde is. Maar kom dan maar eens kijken. Het zál in orde zijn.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud