Het politieke loopgravengevecht over uw loon

Jean-Luc Dehaene was als premier de architect van een wet die moet vermijden dat de lonen in België ontsporen in vergelijking met onze buurlanden. ©Photo News

In de 1 meisfeer van de voorbije dagen is het debat over de loonnorm en de wet op de concurrentiekracht van 1996 losgebarsten. Wie die wet loswrikt uit het gebouw van de Belgische arbeidsmarkt dreigt alles naar beneden te zien komen.

Om de sfeer tussen de vakbonden en de werkgevers gemoedelijk te houden liet premier Jean-Luc Dehaene die avond in april 1996 rond 20 uur filet américain van Taverne du Passage aanrukken in Hertoginnedal. Om 1 uur ’s nachts was er ajuinsoep. Om 6 uur ’s ochtends was er een akkoord.

De sfeer was zo goed dat de vakbondsbonzen en de voorzitters van de werkgevers Dehaene flankeerden toen hij op 17 april het ‘Toekomstcontract voor de werkgelegenheid’ voorstelde. Toen Mia De Vits, voorzitster van het Vlaams ABVV, iets te laat arriveerde en geen stoel meer vond vooraan in de zaal stond VBO-topman Wilfried Beirnaert in alle hoffelijkheid op om zijn plaats aan haar af te staan. ‘Het Belgische consensusmodel functioneert nog’, concludeerde deze krant na het beschrijven van de anekdote.

Akkoord weggestemd

De anekdote contrasteert met de felheid waarmee het gevecht tussen de vakbonden en de werkgevers over de lonen onlangs weer is losgebarsten. In de regering drijft het de spanning op tussen de groenen en de socialisten aan de ene kant en de liberalen en CD&V aan de andere kant.

De context is vandaag helemaal anders dan in 1996. Ik vind het legitiem die wet te evalueren.
Ive Marx, Econoom en hoogleraar (UAntwerpen)

Toch waren het vooral die paar dagen in april 1996 die uitzonderlijk waren. De consensus die toen ontstond, was meteen weer voorbij. In zijn memoires schreef Dehaene dat hij er na die nacht met de filet américain vrij gerust op was dat hij een akkoord met de vakbonden had. Maar nog geen week later bleek dat de vakbondsmilitanten hun leiders niet volgden. De ACV-achterban keurde het akkoord goed met slechts 52 procent van de stemmen. Het ABVV stemde het weg. Wat een pact tussen de regering, de werkgevers en de vakbonden had moeten worden, werd in 1996 daarom regeringsbeleid, dat bovendien grotendeels met bijzondere machten door het parlement werd gejaagd.

België probeerde toen al meer dan twee decennia de loonkostenhandicap tegenover de buurlanden weg te werken. In het midden van de jaren 70 bleken de Belgische loonkosten 12 procent sneller gestegen te zijn dan elders in de toenmalige EU-landen. Daarom volgden de devaluatie van de Belgische frank en indexsprongen, waardoor de lonen niet altijd meestegen met de inflatie. Toch was de loonhandicap door saneringsmoeheid in 1993 alweer opgelopen.

Toekomstcontract

Tegen die achtergrond smeedde Dehaene zijn toen al fel omstreden Toekomstcontract. Het zit sindsdien zo muurvast in de Belgische constructie dat het er niet meer uit te wrikken was. Het centrale compromis van 1996, zo legde hij opnieuw uit in zijn memoires, was dat de automatische indexering van de lonen gepaard gaat met de loonnorm. En zo is het in grote lijnen nog altijd.

Dat de automatische indexering mocht blijven, was de toegeving aan de vakbonden. Het leidt ertoe dat als de prijzen in de winkel stijgen de lonen automatisch mee omhooggaan. De koopkracht van je loon blijft op die manier intact: normaal zou je met hetzelfde inkomen altijd dezelfde winkelkar moeten kunnen betalen.

Wat zegt de wet op de concurrentiekracht uit 1996?
De lonen in ons land mogen niet sneller stijgen dan het gemiddelde van de buurlanden, zodat er geen loonhandicap ontstaat die banen kost. Preventief wordt daarom een loonnorm opgelegd.

Wat was het compromis destijds?
De automatische indexatie van de lonen bleef, waardoor er een verplichte minimumstijging is. De loonnorm bepaalt vervolgens een plafond.

Wat is de discussie vandaag?
De vakbonden en de linkse partijen willen het plafond op de loonstijging weer weg. Het debat daarover barstte los doordat de regering-Michel in de vorige legislatuur de wet van 1996 strakker maakte.

Nerveus

In andere landen is dat niet zo. Als de Duitse industrie vreest dat ze te zwak staat om duurder geworden grondstoffen door te rekenen aan haar klanten kan ze ervoor kiezen de lonen trager te laten stijgen dan de inflatie. Dat gebeurt vandaag: terwijl in België een loonakkoord van 3,2 procent opslag voorligt - 2,8 procent inflatie en 0,4 procent koopkrachtstijging - sloot de Duitse industrie vorige maand een akkoord met de vakbonden over 2,5 procent opslag in totaal.

De automatische loonindexering creëert daardoor een onontkoombare minimale loonstijging die de werkgevers nerveus maakt. Want de vakbonden mogen dan wel stellen dat 0,4 procent opslag een aalmoes is, werkgevers moeten erover waken dat hun inkomsten met 3,2 procent stijgen om alleen maar de lonen te blijven betalen. Ze vrezen bovendien dat hun loonkosten daardoor sneller stijgen dan die van concurrenten in de buurlanden.

Als kleine exporteconomie zonder veel binnenland heeft België nooit de optie gehad voor zichzelf een volstrekt onafhankelijke koers uit te stippelen.

De grote nieuwigheid van 1996 was daarom dat strenger werd gekeken of de lonen niet sneller stijgen dan in de buurlanden. Ook die reflex was niet nieuw. Als kleine exporteconomie zonder veel binnenland heeft België nooit de optie gehad voor zichzelf een volstrekt onafhankelijke koers uit te stippelen. Altijd al was het beleid noodgedwongen afgestemd op de buurlanden. Al lang voor de komst van de euro was de Belgische frank gekoppeld aan de Duitse mark. En de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), een instelling waar de vakbonden en de werkgevers sinds 1948 het socio-economisch beleid bespreken, controleerde ook voor 1996 al of de Belgische lonen gelijke tred hielden met die in de buurlanden.

Alleen gebeurde dat begin jaren 90 via een controle achteraf. Tot ergernis van de werkgevers werd daardoor vooral vastgesteld dat een loonhandicap was ontstaan, zonder dat er nog veel ruimte was om iets te doen daaraan. In 1996 draaide Dehaene dat ‘curatieve’ systeem om naar een ‘preventief’ systeem.

Strak keurslijf

Sindsdien kennen we het in andere landen onbekende fenomeen dat de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven om de twee jaar berekent hoeveel ruimte de komende twee jaar zal ontstaan om de lonen te laten stijgen, zonder dat ze sneller zouden aandikken dan in de buurlanden. Vandaag bedraagt die marge 2,8 procent inflatie en 0,4 procent koopkracht daarbovenop.

Vervolgens sluiten de werkgevers en de vakbonden een interprofessioneel akkoord (ipa) voor heel België, waarbij ze binnen de krijtlijnen van de CRB blijven. Daarna volgen sectorakkoorden, die binnen de krijtlijnen van het nationaal ipa moeten blijven. Bedrijven moeten vervolgens binnen de lijnen van hun sectorakkoord blijven.

Op die manier zijn loononderhandelingen in België in een bijzonder nauw keurslijf gedwongen. De automatische indexering garandeert vandaag een minimumstijging van 2,8 procent. De CRB plafonneert de maximumstijging op 3,2 procent.

Als de lonen toch ontsporen, wordt dat voortaan automatisch gecorrigeerd door de ruimte voor opslag in een volgende ipa kleiner te maken.

Dat de vakbonden daar vandaag lastiger over doen dan vroeger komt door de strijd die is ontstaan tegen de centrumrechtse regering-Michel. Die bouwde extra veiligheidsmarges in de wet op de concurrentiekracht van 1996 in. Als de lonen toch ontsporen, wordt dat voortaan automatisch gecorrigeerd door de ruimte voor opslag in een volgend ipa kleiner te maken. Het gebeurde na nieuwe zorgen over de concurrentiekracht, omdat in 2013 zowel Caterpillar als ArcelorMittal aankondigde samen 2.700 jobs te schrappen in ons land.

De vakbonden vonden het beleid van Charles Michel (MR) echter ‘sociale horror’, waardoor in de verkiezingscampagne van 2019 de strijd losbarstte: breken met het beleid van Michel of de lijn doortrekken? In het regeerakkoord van de regering-De Croo werd het dat laatste: er is afgesproken niet opnieuw aan de wet op de concurrentieckracht te raken. De 1 meisfeer van de voorbije dagen leert evenwel dat de vakbonden niet van plan zijn hun strijd daarover te staken, waardoor ook de linkse regeringspartijen moeilijk zitten.

Bredere verhaal

‘Politiek bekeken begrijp ik het ergens dat je het niet op de spits wil drijven en stabiliteit zoekt’, zegt hoogleraar Ive Marx (UAntwerpen). ‘Maar dit brengt ons in een heel rare situatie. Ik vind het legitiem om te kijken of een wet die 25 jaar geleden werd aangenomen vandaag nog werkt. Voor 1996 waren de lonen herhaaldelijk ontspoord. We hadden de euro nog niet. De context is vandaag helemaal anders. Ik vind het legitiem om die wet te evalueren.’

Je moet bovendien oog hebben voor het bredere verhaal, zegt Marx. ‘Over bijna alle lonen in België wordt collectief onderhandeld. Bijna nergens ter wereld zijn zoveel mensen voor hun arbeidsvoorwaarden gebonden door wettelijk algemeen verbindend gemaakte cao’s. De loonvorming gebeurt daardoor met rigide regels over functieclassificaties en anciënniteit. Leg daarbovenop nog eens dat strakke kader voor de globale loonevolutie en je merkt dat dat geen gezonde situatie is.’

‘We organiseren een knelpunteconomie’, zegt Marx. ‘Alles zit vastgebetonneerd. In het regeerakkoord staat dat 80 procent van de arbeidsbevolking aan het werk moet zijn, maar er zijn weinig details over hoe we dat precies gaan doen. We kijken naar de vakbonden en de werkgevers om het uit te voeren en zij doen niets. Dit is een ongezonde impasse.’

Waarom mogen bedrijven niet zelf bepalen hoe hoog hun lonen zijn? Ergens is dat logisch, maar de vraag is hoe je dan op macroniveau vermijdt dat de lonen sneller stijgen dan in de buurlanden.

De discussie van vandaag roept een hele reeks vragen op over de wet van 1996. Heeft ze gewerkt? De rapporten van de CRB tonen dat de loonhandicap sindsdien - zeker in vergelijking met daarvoor - alvast grotendeels onder controle bleef. Na de ingrepen van de regering-Michel - de automatische correctie - is dat zeker zo.

Waarom mogen bedrijven niet zelf bepalen hoe hoog hun lonen zijn? Ergens zou dat logisch zijn, omdat werknemers en werkgevers elkaar op dat niveau het best kennen. Maar de vraag is hoe je dan op macroniveau vermijdt dat de lonen sneller stijgen dan in de buurlanden en er een economisch probleem ontstaat zoals in het begin van de jaren 90, merkt arbeidsmarkteconoom Stijn Baert (UGent) op. ‘Daarom zal je altijd een centraal overzicht nodig hebben.’

Zijn loonkosten nog altijd belangrijk? Er blijkt wel degelijk nog altijd een verband met werkgelegenheid, zegt Baert. Hij wijst op recent werk van de Amerikaanse econoom Daniel Hamermesh (Columbia University), die een overzicht maakte van het onderzoek in dat domein. Zijn conclusie: hoe hoger de loonkosten, hoe minder talrijk de jobs.

Scandinavië

Maar zijn loonkosten het alfa en het omega? Dat nu ook weer niet. Marx merkt op dat OESO- data leren dat de productiviteit in België tot de late jaren 90 gelijke tred hield met die in de buurlanden, maar dat sindsdien achterstand is opgelopen. Het ultieme doel van destijds - groei en economische slagkracht - is dus niet bereikt.

Baert is milder en merkt op dat de wet van 1996 nooit bedoeld was als de ‘silver bullet’ om die groei te bereiken. Ze was defensiever en diende vooral om een nieuwe loonhandicap te vermijden. Voor echte slagkracht zijn ook andere hervormingen op de Belgische verstarde arbeidsmarkt nodig.

Over dat laatste zijn Baert en Marx het eens. Er is vooral een bredere evaluatie en hervorming nodig die de verstarde Belgische arbeidsmarkt moet openbreken naar iets wat beter werkt. Het Scandinavische model - een flexibele arbeidsmarkt maar een stevige sociale bescherming - blijft daarbij het ultieme voorbeeld.

Of anders gesteld: als je met de wet op de concurrentiekracht de draagbalk loswrikt die Dehaene in het Belgische huis gebetonneerd heeft, dreigt de hele constructie naar beneden te komen. En dan heb je maar beter een plan klaar voor het nieuwe huis dat je in de plaats wil zetten. Het zou niet slecht zijn om aan dat plan te beginnen werken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud