Advertentie
Advertentie

‘We moeten echt af van die invulboeken'

Ann Dooms, wiskundeprofessor aan de VUB ©rv

We waren ooit wereldtop in wiskunde, maar het niveau van onze Vlaamse leerlingen daalt in een dramatisch tempo. ‘Dat is een probleem voor onze innovatiekracht’, zegt wiskundeprofessor Ann Dooms.

‘Mijn dochter zit in het eerste leerjaar. Als je haar vraagt wat
7 maal 8 is, zal ze zeggen 56’, zegt Ann Dooms. ‘Maar ze heeft nog geen enkel idee wat dat betekent. Het is voor haar gewoon een zin. Iets wat ze haar broer, die in het derde leerjaar zit, heeft horen zeggen. Ze begrijpt niet wat erachter zit. Daar schuilt een gevaar.’

Dooms is wiskundeprofessor aan de VUB. Met haar vakgroep Wiskunde en Data Science coördineert ze de centrale toetsen waarmee Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) de kwaliteitscrisis in het onderwijs wil aanpakken. Die crisis is prangend, bleek deze week. In het internationale TIMMS-onderzoek scoorden Vlaamse tienjarigen opnieuw beduidend slechter. In amper tien jaar is Vlaanderen van de 7de naar de 17de plaats in de ranglijst getuimeld.

‘De centrale toetsen kunnen een schokeffect veroorzaken,’ gelooft ze, ‘maar een wonderoplossing zijn ze niet.’ We staan tegenover een veelkoppig monster, met een probleem van leerplannen, handboeken, druk op leerkrachten en algemene waardering van het onderwijs.’

De analyse van onderwijsexpert Dirk Van Damme is dat er te weinig focus is op het ‘erin rammen’ van kennis en te veel op vaardigheden.

Ann Dooms: ‘Drillen is belangrijk, maar er is nog een stap voor: het begrip. Dat mis ik nu te vaak. Mijn eigen schriftjes van de lagere school heb ik niet meer, maar ik herinner me wel dat we leerden tellen met blokjes, iets tastbaars. Daardoor voelde je wat achter het symbool 6, 7 of 8 zat. Dat is er nu niet meer. Leerlingen mogen niet vervallen in het van buiten leren dat drie plus drie zes is als een soort definitie, als een zin. Dat zien we terug in het middelbaar. Men vervalt al snel in formules en recepten zonder voldoende achtergrond te geven over hoe men tot een bepaald begrip of formule komt. Terwijl wiskunde net daarover gaat: het is een instrument om problemen die je wil oplossen te vertalen naar een geschikte abstracte structuur waar je vervolgens mee aan de slag kunt. Dat vraagt inzicht.’

Ann Dooms (42)

Ann Dooms is professor wiskunde aan de VUB en leidt er de onderzoeksgroep Digitale Wiskunde.

Vanuit haar wiskundige expertise schrijft ze algoritmes voor de analyse van digitale documenten en ingescande manuscripten of schilderijen. Haar team werkte in 2008 mee aan de renovatie van ‘Het Lam Gods’. Met digitale beeldverwerking kon ze minieme barstjes analyseren.

In 2014 ontving ze de tweede jaarprijs wetenschapscommunicatie, omdat ze de toepassing van wiskunde op kunst helder kan uitleggen aan een breed publiek.

Is het dan vooral een probleem van de eindtermen?

Dooms: ‘Daarin zijn op het vlak van wiskunde soms foute keuzes gemaakt. Ik merk dat bij de studenten die aan de universiteit binnenkomen: ze kennen een aantal concepten niet meer. Ik geef altijd het voorbeeld van matrices. Een deel daarvan is gesneuveld in de eindtermen. Misschien werd het te moeilijk geacht. Het gevolg is dat leerlingen matrices vooral in de context van een rekenoefening zien, maar niet meer begrijpen welk inzicht die kunnen geven in een meetkundig probleem. Maar dat is maar één deel van het verhaal. Een van de belangrijkste pijnpunten is het keurslijf waar leerkrachten in zitten. Er is enorm veel administratie en daardoor onvoldoende tijd om eigen cursussen te maken, wat een belangrijke oefening is om het goed te kunnen uitleggen.’

Het gevolg is dat leerkrachten worden geduwd naar handboeken, volgens sommigen teveel invulboeken.

Dooms: ‘Klopt. Die handboeken geven de garantie dat ze de eindtermen en de leerplannen volgen. Daar horen toetsen en onlineleerplatformen bij. Zo is de leerkracht ingedekt tegen kritiek van de inspectie of van de ouders. De handboeken blijken inderdaad invulboeken: je vult alleen in. Dat is voorgekauwd en stimuleert het denken niet. Daar moeten we echt vanaf. Als je al
in het eerste leerjaar begint met de som 3+3=6 zelf op te schrijven, ben je veel bewuster bezig met de oefening.’

U coördineert met uw vakgroep de centrale toetsen die vanaf 2023 in het middelbaar en vanaf 2024 in het lager onderwijs worden ingevoerd. Minister Weyts wil zo in kaart brengen hoe we ervoor staan en waar we beter moeten.

Dooms: ‘Die toetsen opstellen wordt een moeilijke oefening, daar ben ik me van bewust. We moeten er vooral op letten dat de vragen goed geformuleerd zijn, zodat ze de kennis juist testen. Ook qua taalgebruik. We moeten daar niet flauw over doen. Voor kinderen bij wie het Nederlands niet de moedertaal is, kan dat een probleem zijn. We moeten ook geen wonderen verwachten. Het zal een traag proces zijn. Maar we moeten wel iets doen om het
niveau weer op te krikken.’

Er is kritiek op de centrale toetsen: scholen hebben schrik voor onderlinge concurrentie en experts waarschuwen voor ‘teaching to test’, lesgeven in functie van de test.

Dooms: ‘Over dat eerste, hoe de testen worden opgevolgd, wil ik me niet uitspreken. Dat is iets voor de andere specialisten in het steunpunt. Maar in teaching to test zie ik geen groot probleem. Als je met je centrale toets wil onderzoeken of leerlingen bepaalde begrippen snappen en kunnen gebruiken, en leerkrachten focussen daar vervolgens op, dan is dat toch goed. Hopelijk veroorzaakt het een schokeffect en verandert het de manier van lesgeven, de leerplannen, de inspectie en uiteindelijk de handboeken.’

‘Vroeger had men ook een soort van teaching the test-effect met het toelatingsexamen voor burgerlijk ingenieur. Elke leerkracht in het middelbaar oefende op die soort vragen. Ze gingen verder dan de eindtermen. Geen enkele leerkracht wilde aangewreven worden dat hij zijn leerlingen niet goed voorbereid had op die testen. Voor een stuk dankten we daar ons hoog niveau in wiskunde aan.’

Als we slechter scoren op internationale tests, betekent dat dat andere landen het beter doen. Waar zit het grote verschil?

Dooms: ‘Uiteraard zijn er de Aziatische landen, waar veel meer discipline is. Niet dat dat per se zaligmakend is, maar in Vlaanderen zitten we toch aan het andere uiterste. Sinds eind jaren 90 is het mantra dat ons onderwijs ‘ludiek’ moet zijn. Ik begrijp dat niet goed. Vergelijk het met sport. Kinderen weten dat je op training hard moet werken om iets te bereiken. Maar ze vinden wel plezier in het winnen van een wedstrijd. In het onderwijs lijkt de toets een noodzakelijk kwaad. Idem voor de invulboeken: het mag vooral geen moeite kosten. We vermoorden de drive in ons onderwijs, terwijl een kind heel gretig is om te leren. Kijk naar hoe verbeten een peuter leert kruipen of lopen. Vallen, opstaan, vallen, opstaan.’

‘We durven ook geen schouderklopjes te geven aan de leerlingen die het goed doen, omdat we dat erg vinden voor wie minder goed presteert. Maar in de sport doen we dat wel. In Oost-Europese landen als Polen word je op een piëdestal geplaatst als je goed bent in wetenschappen, hier word je bijna verguisd.’

In Zwitserland verdient een leerkracht bijna zoveel als een arts. Natuurlijk trek je dan goede mensen aan.

‘Het heeft te maken met het pushen van onze kinderen, maar ook met de waardering voor de leerkrachten. Als ik Zwitserse collega’s hoor, heeft het onderwijs daar veel meer aanzien. In Zwitserland verdient een leerkracht bijna zoveel als een arts. Natuurlijk trek je dan goede mensen aan. Maar bij ons is het onderwijs niet aantrekkelijk voor sterke wetenschappers wegens de verloning, het carrièrepad, het gebrek aan jobzekerheid en het keurslijf waar leerkrachten in zitten. De industrie lonkt dan. Maar zo ga je kinderen niet enthousiasmeren om die richting te kiezen. Dat herwaarderen is cruciaal. Hopelijk kunnen we met die centrale toetsen op zijn minst daar wat aan veranderen, door weer meer de nadruk te leggen op inhoud en toptalenten aan te trekken.’

De slechte wiskundescores leveren geen vrolijk perspectief op voor het potentieel van onze kenniseconomie.

Dooms: ‘Voor onze innovatiekracht is dat een probleem, ja. België heeft zoveel knappe koppen afgeleverd. Denk aan Ingrid Daubechies, Jean Bourgain of Pattie Maes. De wereld keek naar ons. Als we dat verliezen, worden we afhankelijk van anderen, moeten we kennis aankopen. In de huidige globale context beseffen we allemaal hoe belangrijk het is die controle te behouden. Kijk naar de corona-app. Voor de privacy en de beveiliging ervan heeft een groep van de KU Leuven in Europa de lead genomen. Die groep zit vol wiskundigen.’

‘Maar het gaat niet alleen om de mensen die we nodig hebben om robotica of artificiële intelligentie te ontwikkelen. Als je als bedrijf een pakket aankoopt om machinelearning toe te passen, heb je een minimaal begrip nodig van wat daar gebeurt om tot relevante resultaten te komen. Anders gaan we veel ongelukken zien. De wiskunde die we nodig hebben om dat te begrijpen, hebben we gehad in het middelbaar. Volgens mij alleen niet op de goede manier. Dat moet anders.’

We vieren dit jaar Simon Stevin, de Bruggeling die de Nederlandse term wiskunde bedacht. Hij stierf 400 jaar geleden. Een verjaardag in mineur.

Dooms: ‘Zijn definitie is veelzeggend, ja. Wiskunde werd toen gezien als de kunde van het weten, van het ‘wissen’. Het was een taal om de wereld te doorgronden. Nu zien we wiskunde veel te veel als rekenen, als het toepassen van receptjes.’

Om de cirkel rond te maken: maakt u zich zorgen over de opleiding van uw kinderen?

Dooms: ‘Mijn zoontje is gek van robots. Hij wil dingen automatiseren. Ik hoop dat hij de juiste concepten aangeleerd krijgt om te kunnen vernieuwen. Maar nog meer dan het inhoudelijke, hoop ik dat hij niet ontmoedigd wordt door hoe die dingen aangeleerd worden. Daar maak ik me soms zorgen over. Want met motivatie staat of valt alles.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud