interview

‘Dominante bedrijven verzieken onze economie’

‘Marktmacht doet als een dalend tij alle bootjes zakken: de lonen dalen.’ ©Xavier Cervera

We betalen te veel voor onze producten én we verdienen te weinig. De schuldigen? Dominante bedrijven die de concurrentie buitenhouden en de welvaart naar zich toetrekken. ‘Deze epidemie heeft tijd nodig om te genezen’, zegt economieprofessor Jan Eeckhout.

Zoals veel goede verhalen begint dit met een raadsel. Lange tijd was de verdeling van de economische koek tussen arbeid en kapitaal haast een wetmatigheid: twee derde van alle gecreëerde waarde in de economie was voor de werknemers, een derde voor de eigenaars van bedrijven. Zelfs de ingrijpende overgang van een economie gebaseerd op landbouw naar industrie en tot slot diensten veranderde daar niets aan.

Tot de jaren 80. Plots begon het aandeel van arbeid stelselmatig te krimpen, om tegenwoordig rond 59 procent te schommelen in de VS. Een enorme shift waarachter stagnerende lonen en groeiende ongelijkheid schuilgaan. Hoe kwam het dat de productiviteitsgroei - ofwel de toenemende productie per werknemer, dé motor van onze welvaartsgroei - zich niet langer vertaalde in hogere reële lonen voor de gemiddelde arbeider?

Economen braken zich het hoofd over een verklaring voor dit wereldwijde fenomeen. Tot twee Belgische economieprofessoren met het ontbrekende puzzelstuk kwamen. Met hun spraakmakende paper ‘The Rise of Market Power’ zetten Jan Eeckhout en Jan De Loecker in 2017 de groeiende monopoliemacht van bedrijven bovenaan op de agenda. Dankzij een nieuwe meetmethode slaagden ze er voor het eerst in de marktmacht van individuele bedrijven over alle sectoren en over vele decennia vast te pinnen. Ze keken daarvoor naar de evolutie van de winstmarges.

Het resultaat was een verontrustend patroon: terwijl Amerikaanse bedrijven in de periode 1950 tot 1980 hun prijzen gemiddeld 25 procent boven de kostprijs van een product zetten, steeg de marge vanaf de jaren 80 stelselmatig tot 54 procent in 2019 (zie grafiek). Het Belgische duo vond een gelijkaardig patroon in Europa en Azië, bovendien voor zowat alle sectoren, van kledingketens tot techbedrijven. Hardnekkig hogere winstmarges wijzen op marktmacht en barrières die concurrenten buitenhouden, want in een competitieve markt duiken nieuwkomers onder de prijs en vreten ze zo de excessieve winstmarges weg.

Marktmacht leidt niet alleen tot artificieel hoge prijzen en dus een aantasting van onze koopkracht, maar knabbelt ook rechtstreeks aan ons inkomen. De hogere prijzen waarmee bedrijven hun winst maximaliseren, betekenen automatisch dat ze hun productievolume beperken. Meer mensen zouden een iPhone kunnen kopen als die 500 euro in plaats van 1.000 euro zou kosten, maar Apple’s totale winst is groter met een duurdere iPhone, zelfs als dat de vraag drukt. Die lagere vraag vertaalt zich ook in een lagere vraag naar arbeid om al die iPhones te maken en te verkopen.

Als niet alleen Apple maar dominante bedrijven in de hele economie minder arbeid nodig hebben, dalen de lonen. Dat is simpelweg de wet van vraag en aanbod, en de oplossing van het raadsel van de krimpende arbeidskoek.

De welvaartskosten van marktmacht zijn gigantisch, tot 9 procent van het bbp.
Jan Eeckhout
Professor Pompeu Fabra-universiteit

De ontwrichtende impact van marktmacht op de arbeidsmarkt is de focus van ‘The Profit Paradox’. In dat nieuwe boek ontmaskert Jan Eeckhout, professor aan de Pompeu Fabra-universiteit in Barcelona, de paradoxen die achter florerende bedrijven schuilgaan. Zo kunnen dominante bedrijven dankzij hun kostenbesparende schaalvoordelen de prijzen voor de consument verlagen - wat mooi is - maar tegelijk hogere winstmarges opstrijken ten nadele van diezelfde consument. Die krijgt niet de volledige kostenbesparing doorgespeeld zoals in een concurrentiële markt het geval zou zijn. Met andere woorden: producten op Amazon zouden nog goedkoper moeten zijn.

Evengoed valt de idee dat winstgevende bedrijven per definitie goed zijn voor de economie niet te rijmen met hun nefaste invloed op de arbeidsmarkt, stelt Eeckhout. Een groot deel van de werknemers ziet zijn reële loon (na inflatie) al decennia niet meer stijgen, een frustratie die het populisme voedt.

Mythes bij het huisvuil

Vooral omdat een kleine groep hogeropgeleiden en managers net wel profiteert van de technologische evolutie die bedrijven hun marktmacht bezorgt. Terwijl computergestuurde automatisering arbeiders naar de uitgang duwt, verhoogt ze des te meer de productiviteit van hogeropgeleiden zoals programmeurs, die hun vergoeding navenant zien stijgen. De globalisering zet daar nog een turbo op: de hele wereld is binnen handbereik, met grootverdienende ‘supersterren’ als gevolg. De verliezers kunnen zich troosten met nieuwe jobs - denk aan de groeiende ontspannings- en zorgsector - al zijn dat typisch laagbetaalde banen.

Om de toegenomen marktmacht te illustreren zet Eeckhout meteen enkele ‘mythes’ bij het huisvuil. Zoals de idee dat banen vroeger veiliger waren en mensen langer dezelfde job deden. Dat klopt niet: de gemiddelde jobduur in de VS is nu een jaar langer dan in de jaren 80, wat impliceert dat mensen vandaag in een willekeurige maand een derde minder vaak van job veranderen dan een kwarteeuw geleden. Die dalende dynamiek in de arbeidsmarkt is schadelijk voor werknemers omdat ze een rem zet op de sociale mobiliteit en promoties die gepaard gaan met jobwissels.

Marktmacht speelt daar op verschillende manieren een rol, waaronder een opmerkelijke daling in het aantal start-ups. Die creëren proportioneel meer jobs dan gevestigde bedrijven, maar komen moeilijker aan de bak nu dominante bedrijven de markt - en de innovatie door nieuwkomers - versmachten. Dat we een bloeiperiode van start-ups beleven, is een andere mythe die Eeckhout graag corrigeert.

Alsof de lange lijst kwalen ten gevolge van marktmacht nog niet genoeg is, waarschuwt Eeckhout dat het datatijdperk verdere concentratie in de hand dreigt te werken. Wie als eerste enorme hoeveelheden data weet te verzamelen voor het voeden van artificiële-intelligentiesystemen dreigt een onoverkomelijke slotgracht rond zijn business te bouwen. Het is een pure ‘winner-takes-allmarkt’.

Een mogelijke oplossing - ook daar heeft Eeckhout aandacht voor in zijn boek, al lijken oplossingen lastiger dan het stellen van de diagnose - zijn ‘omgekeerde datapatenten’. Grote dataverzamelaars als Alphabet (Google) worden daarbij verplicht na verloop van tijd hun data geanonimiseerd publiek te maken, zodat concurrenten ze kunnen gebruiken om eigen algoritmes te trainen. Het valt te verwachten dat de nieuwe monopolisten en hun lobbyisten en aandeelhouders daar niet voor staan te springen, maar Eeckhout benadrukt dat regelgeving met tanden nodig is om de epidemie van marktmacht te bezweren.

Uw onderzoek linkt een verontrustend fenomeen - de krimpende economische koek voor arbeid - aan de toenemende marktmacht van bedrijven. Hoe legt u dat verband?

Het heeft geen zin bedrijven op te splitsen als je zo de efficiëntiewinsten verliest.
Jan Eeckhout

Jan Eeckhout: ‘Er zijn honderden economische papers geschreven om de dalende arbeidskoek te proberen verklaren - via demografie, technologie - maar alleen marktmacht biedt een afdoend antwoord. Marktmacht betekent dat bedrijven in staat zijn hun verkoopprijzen te hoog te zetten in verhouding tot de kostprijs. Daardoor daalt de vraag naar het product - minder mensen kunnen het zich permitteren - en dus ook de vraag naar arbeid om het product en de hele service errond te leveren. Als zowel Apple in tech, AB InBev in bier, Bertelsmann in boeken en duizenden andere dominante bedrijven dat doen, krijg je een breed macro-economisch effect waarbij een dalend tij alle bootjes doet zakken: de lonen dalen.’

‘Of bekijk het anders. Een bedrijf geeft geld uit aan arbeid en aan kapitaalinvesteringen - machines, marketing - en wat overschiet, is de winst. Welnu, de data tonen duidelijk dat het aandeel van de winst gevoelig gestegen is ten koste van arbeid en kapitaal, die typisch samen bewegen. De winst als percentage van de omzet van een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf is gestegen van 1 tot 2 procent in 1980 naar 7 tot 8 procent in 2016. Dat is enorm.’

‘De idee dat hoge winsten en bijgevolg hoge beurswaarderingen goed zijn, klopt alleen als er geen marktmacht aan verbonden is. Marktmacht is inefficiënt en het teken van een ongezonde economie. De welvaartskosten zijn gigantisch, tot 9 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat is het voordeel dat de consument zou moeten ontvangen als prijzen concurrentieel zouden zijn. Ter vergelijking: de kostprijs van inflatie bedraagt 0,5 tot 1 procent.’

Technologische vooruitgang is een cruciale aandrijver van marktmacht, maar mag volgens u niet als de slechterik gezien worden in dit verhaal. Hoe verzoent u beide?

Eeckhout: ‘We mogen het kind niet met het badwater weggooien. Technologische vooruitgang leidt tot kwaliteitsverbete- ringen en economische groei. Tegelijk creëert ze ongelijkheid tussen bedrijven. Sommige bedrijven worden veel productiever dan andere. Zoals Amazon, dat door nieuwe technologie en forse investeringen in logistiek goedkoper producten kan leveren. Die verhoogde efficiëntie is goed en willen we ook, maar als je door de achterliggende schaalvoordelen slechts één productief bedrijf overhoudt, heb je geen concurrentie meer en kan Amazon een deel van de besparing in eigen zak steken.’

‘Het probleem is dat dezelfde technologie waarmee een bedrijf een nieuwe markt creëert gebruikt wordt om de concurrentie buiten te houden zodra het de markt ingepalmd heeft. Dat was honderd jaar geleden al zo met de spoorwegen in de VS. Wie erin slaagde de markt te domineren door de spoorinfrastructuur te consolideren, kon die positie uitbuiten door ticketprijzen artificieel hoog te houden. Er is geen concurrentie, want die zou dan de enorme investeringen in een tweede spoornet moeten doen. Zulke schaalvoordelen beschermen ook Amazon of de kledinggroep Inditex (Zara), die met haar datagedreven logistiek razendsnel kan inspelen op wat aanslaat bij klanten en in korte tijd aangepaste kledinglijnen kan leveren in zijn winkelnetwerk. Daar is schaal voor nodig.’

Het toezicht moet gebeuren door een krachtige, onafhankelijke concurrentiewaakhond naar het model van de centrale bank.
Jan Eeckhout

‘Bij de onlineveilingsite eBay speelt iets gelijkaardigs: netwerkeffecten. Als verkoper op een veilingsite wil je een markt waar veel potentiële kopers zitten, en omgekeerd verkiezen kopers de plaats met het meest uitgebreide aanbod. Beide versterken elkaar. De site die het eerst de nodige schaal heeft en dus de meeste waarde biedt, wint. Zo is Yahoo! er ondanks verwoede pogingen - tot nul commissies op verkopen - nooit in geslaagd eBay te onttronen. EBay kan zeggen dat het betere technologie heeft, maar is dat zo? Die technologie is echt niet zo moeilijk te kopiëren. Trouwens, in Japan heeft Yahoo! wel de dominante veilingsite omdat het daar eerder de nodige schaal had. Dat bewijst dat het geen kwestie van superieure technologie is. Maar intussen kan eBay wel bovenmaatse commissies aanrekenen in zijn markt.’

‘In de jaren 90 zag je bij ontluikende internetbedrijven dan ook een enorme concurrentie ontstaan om de eerste en de grootste te zijn in de markt: noem het concurrentie voor de markt. Maar zodra de markt was ingepalmd, was er geen concurrentie ín de markt. We moeten een manier vinden om meer concurrentie ín de markt te brengen.’

Fusies en overnames zijn een andere manier om marktmacht te verwerven. De oplossing lijkt daar eenvoudig: marktverstorende deals verbieden. Waarom gebeurt dat niet?

Eeckhout: ‘Sinds de jaren 80 zijn de VS in de greep van de doctrine van de Chicago School. Die stelt dat marktmacht niet zo’n probleem is omdat de efficiëntiewinsten domineren en interventie via regulering de zaken verslechtert. De overnemende bedrijven en hun leger advocaten argumenteren dat de overname synergieën creëert die doorgespeeld worden naar de consument. Het resultaat is dat er de voorbije decennia veel minder fusies en overnames aangevochten werden door de concurrentiewaakhonden. Het verklaart waarom Facebook probleemloos Instagram en WhatsApp kon overnemen en zo de socialemediamarkt kon inpalmen. Evengoed zou InBev nooit Anheuser-Busch hebben mogen overnemen.’

Wat met bedrijven die organisch gegroeid zijn dankzij technologische innovatie? Is opsplitsen een goed idee als je daardoor de schaaleffecten verliest?

Eeckhout: ‘Het heeft geen zin bedrijven op te splitsen als je zo de efficiëntiewinsten verliest. Je moet sowieso alles geval per geval bekijken: de productie van vaccins heeft niets te maken met sociale netwerken. Het toezicht op dat alles moet gebeuren door een krachtige, onafhankelijke concurrentiewaakhond naar het model van de centrale bank. Die laatste is erin geslaagd de link te breken tussen oplopende inflatie en politici die met het oog op hun herverkiezing de economie oververhitten. De centrale bank heeft daartoe een duidelijk mandaat, baseert zich op onafhankelijk onderzoek en telt in het geval van de VS 23.000 medewerkers. Vergelijk dat eens met de amper 2.000 medewerkers van de Amerikaanse concurrentiewaakhonden, terwijl de schade van marktmacht vele malen groter is dan die van inflatie.’

Jan Eeckhout ©Xavier Cervera

‘Voor supersterbedrijven gestuwd door nieuwe technologie is de verplichte toepassing van interoperabiliteit een oplossing. Het gaat er daarbij om een systeem te laten werken in verschillende omgevingen. Geen aangepaste lader dus voor de eigen smartphone, wat marktmacht creëert, maar een lader die universeel is. Een goed voorbeeld is het Europese telecomnetwerk, dat verplicht opengesteld is voor concurrerende dienstenaanbieders tegen betaling van een vastgelegde vergoeding voor het gebruik van de infrastructuur. Het resultaat is dat je meer dan honderd aanbieders in Europa hebt, tegenover drie in de VS met elk hun eigen netwerk. Het gevolg? Telecomprijzen liggen hier twee- tot driemaal lager dan in de VS. Je creëert concurrentie ín de markt.’

‘Op eenzelfde manier kan je concurrentie creëren binnen internetplatformen als Amazon en Facebook, al is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Je mag fors verzet van die bedrijven verwachten.’

Hun aandeelhouders zouden in de klappen delen. U zegt dat de Amerikaanse beursindex tot twee derde kan dalen als marktmacht adequaat wordt aangepakt. Is het echt zoveel?

Eeckhout: ‘Ik heb geen glazen bol, maar als je becijfert hoeveel de winsten van Apple en co. zouden dalen, gaat het om die grootteorde. Dat verlies aan beurswaarde - het product van een ongezonde economie - zou kleiner zijn dan de bredere verliezen die marktmacht veroorzaakt, ook voor de gemiddelde kleine aandeelhouder.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud