Amper marge voor loonsverhoging

ACLVB-voorzitter Mario Coppens (l.) en VBO-topman Pieter Timmermans zetelen in de Groep van Tien, die zich moet buigen over eventuele loonsverhogingen. ©BELGA

De lonen kunnen in de loop van dit en volgend jaar met maximaal 0,4 procent stijgen boven op de index, blijkt uit het loonkostenrapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). In 2019 en 2020 ging het nog om 1,1 procent.

Om de twee jaar leggen de vakbonden en de werkgeversorganisaties vast hoeveel de lonen in de privésector kunnen stijgen boven op de index. Ze baseren zich daarvoor op het loonkostenrapport van de CRB, dat donderdagmiddag werd gepresenteerd.

De CRB brengt in kaart hoeveel de lonen in de buurlanden naar verwachting zullen stijgen en bepaalt dan hoeveel de lonen in ons land kunnen worden verhoogd boven op de automatische loonindexering om gelijke tred te houden met de loonevolutie in de buurlanden. Naar schatting vindt er de komende twee jaar een loonindexering van 2,8 procent plaats.

Voor 2021 en 2022 is een maximale loonstijging mogelijk van 0,4 procent boven op de index, blijkt uit het rapport van de CRB. Volgens de prognoses is er eigenlijk ruimte voor 0,9 procent opslag, maar daarvan wordt een veiligheidsmarge van 0,5 procent afgetrokken.

Loonoverleg

Op basis van de maximale beschikbare marge begint het loonoverleg tussen de vakbonden en de werkgeversorganisaties. Zij kunnen ervoor kiezen de 0,4 procent als norm te behouden, of om dat cijfer naar beneden bij te stellen. Voor de vakbonden is dat laatste allicht geen optie.

In de Groep van Tien leggen de sociale partners vast hoeveel de lonen maximaal mogen stijgen. In de sectoren buigen de vakbonden en de werkgeversorganisaties zich dan over de vraag hoeveel de lonen minimaal moeten worden verhoogd.

In de bedrijven moet dan een cijfer worden vastgelegd dat tussen dat interprofessionele maximum en het sectorale minimum zit. Dat is de uiteindelijke loonsverhoging die alle werknemers van het betrokken bedrijf krijgen.

Achterpoortje voor hogere lonen

De vakbonden lieten eind vorig jaar al verstaan dat ze een stevige loonsverhoging verwachten. Volgens Miranda Ulens, de topvrouw van de socialistische vakbond ABVV, moeten de mensen gecompenseerd worden voor de moeilijke maanden die ze kenden door de coronacrisis.

Met een marge van 0,4 procent is de ruimte voor hogere lonen uiterst beperkt. Ter vergelijking: zowel in 2017 als in 2019 klopten de sociale partners af op een maximale loonstijging van 1,1 procent.

De vakbonden hopen dat de regering een achterpoortje zal openen om de lonen met meer dan 0,4 procent te kunnen verhogen in sectoren die nauwelijks getroffen werden door de coronacrisis.

De vakbonden hopen dat de regering een achterpoortje zal openen om de lonen met meer dan 0,4 procent te kunnen verhogen in sectoren die nauwelijks getroffen werden door de coronacrisis. Ze rekenen erop dat minister van Werk en Economie Pierre-Yves Dermagne (PS) daarvoor via een rondzendbrief de deur openzet. Die mogelijkheid is voorzien in het regeerakkoord.

Strikt omlijnd kader

Het Belgische loonoverleg is met de wet van 1996 in een strikt omlijnd kader gestoken. Dat moet vermijden dat de lonen in ons land sneller stijgen dan in de buurlanden, waardoor onze bedrijven met een concurrentiehandicap zouden worden opgezadeld.

Onder de regering-Michel werd de loonkostenwet verstrengd, want hij bood onvoldoende garanties om de loonstijgingen onder controle te houden. Zo werd onder meer de veiligheidsmarge van 0,5 procent ingevoerd. Er was de voorbije jaren een politiek van loonmatiging nodig om de loonkostenhandicap die sinds 1996 was opgebouwd weg te werken.

De werkgeversorganisaties wijzen erop dat arbeid in ons land ook voor 1996 duurder was dan in de buurlanden en dat er daardoor nog altijd een verschil blijft bestaan. De vakbonden vinden dat loonverschil te verantwoorden omdat veel bedrijven in ons land ook productiever zijn dan hun concurrenten in de buurlanden.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud