nieuwsanalyse

De jobillusie van onze politici

©Jacques Moeraert

Het standaardantwoord van Belgische politici op de ontsporende begroting is dat alles in orde komt als we erin slagen evenveel mensen aan het werk te krijgen als Nederland of Duitsland. Dat is gemakkelijk gezegd, maar niet zomaar gedaan.

Bij haar aantreden beloofde de regering-Michel de begroting van ons land in orde te brengen, maar ze faalde volledig in die doelstelling. Het Belgische structurele begrotingstekort, dat van de deelstaten inbegrepen, loopt volgend jaar op tot 10 miljard euro. Dat is een gat van 2,1 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Tegen het einde van de huidige legislatuur in 2024 is dat zelfs 13 miljard euro, of 2,5 procent van het bbp, bleek afgelopen week uit nieuwe cijfers van het monitoringcomité, dat de begroting opvolgt. Dat is zowat het volledige Vlaamse budget voor onderwijs.

De begrotingsinspanning waar de volgende federale regering voor staat, is de grootste in bijna drie decennia. We moeten al terug naar het begin van de jaren 90 en de besparingsoperatie die toenmalig premier Jean-Luc Dehaene (CD&V) moest doorvoeren om ons land in de euro te loodsen om een gelijkaardige taak te ontwaren. Toch doen toppolitici behoorlijk luchtig over die inspanning. Als we meer mensen aan de slag krijgen, smelt het begrotingstekort als sneeuw voor de zon, is de nieuwe populaire debatfiche.

Of de vraag aan de socialisten of aan de N-VA gesteld wordt, het antwoord is steevast hetzelfde. Bovendien moeten de extra inkomsten die de nieuwe werkenden opleveren niet alleen het gat in de begroting helpen te dichten, ze moeten ook nieuw beleid mee financieren. Een minimumpensioen van 1.500 euro? ‘Er zijn geen duizend manieren om dat te doen’, stelde vicepremier Alexander De Croo (Open VLD) afgelopen weekend nog in Het Laatste Nieuws. ‘De beste sociale bescherming is meer mensen aan het werk krijgen. Daar is naast de N-VA ook de PS het mee eens.’

Voluntaristische berekeningen

Natuurlijk zou het goed zijn meer mensen aan een job te helpen. Vandaag is 70 procent van de Belgische bevolking tussen 20 en 64 jaar aan de slag. Vlaanderen doet het met 75 procent behoorlijk goed, Wallonië en Brussel doen het met niet eens 65 procent slecht. Ter vergelijking: in Nederland en Duitsland piekt de werkzaamheidsgraad op 80 procent. Om even goed te doen moeten er in ons land zo’n 700.000 banen extra komen, waarbij Brussel en Wallonië voor de zwaarste inspanning staan.

Bij het ineenknutselen van de arbeidsdeal in de zomer van 2018 ging de regering-Michel ervan uit dat één extra werkende de overheid jaarlijks 40.400 euro oplevert. Wie werkt, betaalt immers socialezekerheidsbijdragen en belastingen. Bovendien moet de overheid dan een uitkering minder betalen, waardoor geld wordt bespaard. Stel dat we uitgaan van die 40.400 euro - zelfs al was dat volgens experts een nogal voluntaristische inschatting - dan leveren 700.000 extra werkenden 28 miljard euro op.

Een hogere werkzaamheidsgraad realiseer je niet van vandaag op morgen.
Gert Peersman
econoom UGent

Een eenvoudige rekensom leert dat er tegen 2024 322.000 banen nodig zijn om het gat van 13 miljard euro in de begroting te dichten. In de realiteit zullen het er meer moeten zijn, want de beroepsbevolking stijgt nog altijd waardoor ook voor nieuwe instromers banen zullen moeten worden gecreëerd. De vraag is dan ook hoe realistisch de creatie van minstens 322.000 extra banen in vijf jaar is? Het zou betekenen dat de werkzaamheidsgraad met bijna 5 procentpunten moet stijgen. Ter vergelijking: in de voorbije legislatuur, waarin een recordaantal banen werd gecreëerd, steeg de werkzaamheidsgraad met 2,4 procentpunt.

Het toont aan hoe ambitieus het is om te rekenen op de jobcreatie voor het wegwerken van het begrotingsprobleem. ‘Voluntaristisch’, zegt econoom Gert Peersman (UGent). ‘In theorie klopt het dat ons begrotingsprobleem opgelost is als we een Duitse of Nederlandse werkzaamheidsgraad zouden hebben en we moeten daar ook naar streven. Alleen realiseer je zoiets niet van vandaag op morgen. En die jobs komen er ook niet spontaan: je moet daar geld voor uittrekken en hervormen.’

In de vorige legislatuur kwam er een recordaantal jobs bij door de harde economische meewind. De economie deed het goed, waardoor de jobs bij wijze van spreken uit de lucht vielen. Daarenboven voerde de regering-Michel met de taxshift een belastingverlaging door die de jobcreatie extra moest aanzwengelen. Dat was evenwel een dure maatregel, die in de plaats van geld op te brengen een gat in de begroting sloeg.

Beter doen zonder bijkomende ingrepen wordt door de wat inzakkende economie moeilijk. Zo stelden de cijferaars van het Planbureau de jobcijfers voor volgend jaar al fors naar beneden bij. Buitenlandse ervaringen leren ook dat het lang duurt om meer mensen aan de slag te krijgen. Duitsland slaagde erin de sprong van een werkzaamheidsgraad van 70 naar 80 procent te maken in tien jaar, maar daarvoor waren wel de erg verregaande en pijnlijke arbeidsmarkthervormingen van de toenmalige sociaaldemocratische bondskanselier Gerhard Schröder nodig.

De uitdaging is des te groter omdat er nu al veel krapte is op de arbeidsmarkt. Ondanks onze relatief lage werkzaamheidsgraad vinden bedrijven moeilijk personeel. Zeker in Vlaanderen is het aantal werklozen tot een historisch dieptepunt gezakt. Wel zitten nog altijd veel mensen in andere stelsels: ze krijgen bijvoorbeeld een ziekte-uitkering of ze zijn vervroegd uit de arbeidsmarkt getreden. Ervaringen uit het verleden tonen aan dat het bijzonder moeilijk is hen te activeren. De regering-Michel faalde bijvoorbeeld in haar voornemen langdurig zieken die nog konden werken aan de slag te helpen.

Ook bij de laaggeschoolden is er nog marge. Minder dan de helft van de mensen zonder diploma middelbare school is aan de slag. Daarmee zijn we veruit het slechtst presterende land van West-Europa. In Vlaanderen is dat een probleem, maar vooral Wallonië en Brussel kampen ermee.

Ook wat betreft de werkzaamheidsgraad van de middengeschoolden bengelen we aan de staart van het Europese peloton, terwijl er nergens meer hooggeschoolden aan de slag zijn. Mensen van allochtone origine hebben vaak een lager opleidingsniveau, waardoor minder dan de helft van de mensen uit die groep in ons land aan de slag is. Alweer doet in Europa bijna niemand slechter.

Links-rechtskloof

Economen als Ive Marx (UAntwerpen) wijzen er al langer op dat op onze arbeidsmarkt nauwelijks banen zijn voor laagopgeleiden. In ons land ligt de focus nog altijd op vaste en relatief goedbetaalde contracten, waarvoor veel laagopgeleiden niet in aanmerking komen. Laagopgeleiden omscholen voor hoogopgeleide banen blijkt in de praktijk doorgaans niet haalbaar.

De Duitse - maar eerder ook de Nederlandse en Scandinavische - ervaring leert dat diepgaande hervormingen nodig zijn om de werkzaamheidsgraad te doen stijgen. Die landen voerden een flexibilisering van hun arbeidsmarkt door, waarbij werd ingezet op deeltijdse en soms laagbetaalde jobs, die al dan niet gepaard gaan met uitkeringen. Zulke hervormingen zijn in ons land bijzonder omstreden. De centrumrechtse partijen zijn voor, centrumlinks is tegen. Links gelooft meer in betere opleiding en begeleiding.

Opgejaagd door de PTB en het Vlaams Belang lijken de PS en de N-VA minder dan ooit bereid om lastige akkoorden te sluiten.

Partijen zijn het dan wel eens over de doelstelling - meer mensen aan het werk - maar over de weg ernaartoe verschillen ze zwaar van mening. Een federale regering vormen met Vlaamse centrumrechtse partijen zoals de N-VA en Open VLD en een Franstalige linkse partij zoals de PS blijft daarom bijzonder moeilijk. In de regering-Di Rupo sloot de PS tussen 2011 en 2014 nog enkele moeilijke compromissen over de arbeidsmarkt, maar die betaalde de partij cash bij de verkiezingen. Met die ervaring in het achterhoofd en opgejaagd door de extreemlinkse PTB lijken de Franstalige socialisten minder dan ooit bereid lastige akkoorden te sluiten.

Bovenstaande cijferoefening leert bovendien dat er meer nodig is dan alleen extra jobs om de begroting te fatsoeneren. De informateurs Johan Vande Lanotte (sp.a) en Didier Reynders (MR) maakten het al duidelijk aan de politieke partijen: er zullen ook nieuwe besparingen en nieuwe inkomsten nodig zijn. Lees: extra bezuinigingen op de overheid en de sociale zekerheid en nieuwe belastingen zijn onvermijdelijk. Over nieuwe besparingen en nieuwe belastingen zijn links en rechts het misschien nog meer oneens dan over arbeidsmarkthervormingen.

Nauwelijks productiever

Zelfs met een werkzaamheidsgraad van bijna 100 procent kunnen we volgens Peersman de vergrijzing op de lange termijn niet betalen. ‘Het probleem is dat onze economie de jongste jaren nauwelijks productiever is geworden, wat weegt op de groei.’ De productiviteit, zeg maar wat één werknemer kan produceren tijdens een dag, is tijdens de voorbije legislatuur jaarlijks met slechts 0,4 procent gestegen. Om de vergrijzingskosten betaalbaar te houden, zouden we volgens de Vergrijzingscommissie elk jaar 1,5 procent productiever moeten worden.

Om onze productiviteit op te krikken zijn nog meer hervormingen nodig. ‘Op de korte termijn zou het helpen als het fileprobleem wordt opgelost’, zegt Peersman. Hij denkt aan maatregelen zoals het inperken van de salariswagens of het rekeningrijden. Tegelijk pleit hij voor maatregelen die op de lange termijn een impact hebben, zoals beter onderwijs en meer overheidsinvesteringen. Het zijn opnieuw thema’s waarover links en rechts diep verdeeld zijn.

Het is een verklaring waarom de vorming van een federale regering zo moeizaam loopt. Bij gebrek aan een centrumlinkse of centrumrechtse meerderheid in het parlement op een moment dat een diepgaande saneringsoperatie en hervormingen zich opdringen is het vinden van een compromis moeilijker dan ooit. Voeg daarbij nog eens dat de grootste partijen in elk landsdeel worden opgejaagd door een extreme partij - de N-VA door het Vlaams Belang en de PS door de PTB - en het verklaart waarom de impasse compleet is.

‘Iedereen heeft zijn taboe’, besluit Peersman. ‘Bij links zijn dat arbeidsmarkthervormingen, rechtse partijen zoals de N-VA willen dan weer niet weten van bijvoorbeeld het rekeningrijden. Daarover hebben ze beloftes gemaakt aan de kiezer die ze moeilijk kunnen verbreken. En die kiezer heeft laten verstaan dat hij het liefst geen hervormingen wil. Het leidt ertoe dat alles vastzit. Dat is niet echt geruststellend, want op de lange termijn zullen we daarvoor een prijs betalen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect

Gesponsorde berichten

n