‘Onder een vergrootglas is niemand proper'

‘Dit wordt mijn einde’, ging er na de verkiezingsuitslag van 13 juni door zijn hoofd. En toen moest het allemaal nog beginnen. N-VA-voorzitter Bart De Wever spreekt over het wel en wee aan de onderhandelingstafel, het gewicht van 785.000 voorkeurstemmen, en zijn respect voor Elio Di Rupo.

Negenentwintig telefoons, dertien mails, zevenendertig sms’en. Meer dan 150 dagen heeft het me gekost om Bart De Wever te spreken te krijgen. De afspraak is dat we het niet over de inhoud van de onderhandelingen zullen hebben. Te gevaarlijk, in de zenuwoorlog die volop woedt. Maar voor het overige staat vragen vrij en gaat de N-VA-voorzitter geen onderwerp uit de weg. Bart De Wever krijgt het interview, eind november afgenomen, anderhalve dag voor publicatie na te lezen. De onderhandelingen zijn net een paar dagen op een waakvlam gezet, om koninklijk bemiddelaar Johan Vande Lanotte de kans te geven om voor zijn zieke moeder te zorgen. De Wever verandert geen komma.

‘De druk op Bart De Wever neemt met de minuut toe’, hoor ik onderweg naar het NV-A-hoofdkwartier op de radio, maar daar valt in zijn bureau alvast weinig van te merken. Enkele uren voor de zoveelste vergadering met Vande Lanotte, op dat moment nog aan het werk, worstelt de N-VA-voorzitter met een klassiek probleem. ‘Ik heb net een brief gekregen van een mevrouw van 84’, zegt hij. ‘Ze stuurt me een oud-Grieks vers waar ze al haar hele leven kracht uit put. ‘Epei maqon emmenai esqloV.’ Ik mag haar altijd bellen voor de vertaling, schrijft ze. Maar daar ben ik te trots voor. Wéér iets om van wakker te liggen. U hebt toevallig geen idee? (*) Enfin, ú wilde de vragen stellen, vermoed ik.’

Hoe gaat het met u?

Bart De Wever: ‘Hoe gáát het met mij? Kijk, dat vind ik nu eens een moeilijke vraag, zie. Ik voel me moe. Moe maar onvoldaan. Zo gaat dat met onderhandelingen. Mag ik er al een quote bij sleuren? ‘Une nation fatiguée de longs débats consent volontiers qu’on la dupe, pourvu qu’on la repose.’ Vrij vertaald: ‘Een land, moe van lange debatten, wordt graag gedupeerd, als het maar rust krijgt.’ Alexis De Tocqueville. 200 jaar oud. Dat vat perfect samen wat ik er de jongste weken van denk.’

U onderhandelt al drie jaar over een grote staatshervorming.

De Wever: ‘Het voelt alsof het al veel langer is.’

U wist in elk geval waar u aan begon in juni. Hebt u ook maar een seconde geloofd in de euforie na de verkiezingen?

De Wever: ‘Die euforie was nodig om de onderhandelingen een kickstart en een kans te geven. Dus ja. Ik ben daarin meegegaan. De verkiezingen waren gewonnen door twee partijen die elkaars tegenovergestelde waren. Als we op dat moment geen positief signaal hadden gegeven, had iedereen gezegd: ‘Rien ne va plus.’ We wisten dat het een sprong was in het diepe, diepe duister. Maar we konden niet anders dan springen, en zeggen dat we goede hoop hadden. Ondanks onze achterban. Ondanks onze eigen scepsis misschien zelfs. Het probleem is natuurlijk dat zo’n stemming dan keert. En dan word je daarop geciteerd: ‘Jullie hadden toch gezegd dat er na de zomer een akkoord zou zijn?’ Inderdaad. Maar: we konden niet anders dan dat toen te zeggen.’

De vraag was: gelóófde u erin?

De Wever: ‘Absoluut. Al wist ik dat het heel erg moeilijk zou worden. De gesprekken die we nu voeren, na decennia van imbroglio’s en compromissen, gaan over de kern. Het aller-allermoeilijkste. Over een staatshervorming die eigenlijk een langzame staatsontbinding is. De twee gemeenschappen in ons land kijken er totaal anders tegenaan. De meeste Vlamingen zeggen voluntaristisch ‘nu’, de meeste Walen ‘nooit’. Met zo’n uitgangspositie krijg je geen walk in the park.’

U zag in 2007 Yves Leterme onderuitgaan, de man van de 800.000 voorkeurstemmen. Was dat een schrikbeeld voor u?

De Wever: ‘Ik geef het als nuchter mens niet graag toe, maar ja. Ik heb dat sterk gevoeld toen de verkiezingsuitslagen binnenliepen. Iedereen denkt dat ik op 13 juni euforisch tegen het plafond hing, maar het omgekeerde was waar. Ik werd net heel stil. Op weg naar ons overwinningsfeest in The Claridge, hoorde ik hoeveel voorkeursstemmen ik al had. (Het werden er 785.776,red.) ‘Dit wordt mijn einde’, heb ik toen blijkbaar gezegd aan één van onze parlementsleden die me naar het podium escorteerde. ‘Dit is mijn hoogtepunt, maar dit wordt ook mijn einde.’ Ik was dat zelf al vergeten, maar hij herinnerde mij daar onlangs aan. Dat had indruk op hem gemaakt.’

Argusogen

Waarom had u dat gevoel?

De Wever: ‘Simpel: historisch besef. Twee mensen hadden ooit méér voorkeursstemmen. Leo Tindemans in 1979 een miljoen. Daar gaat niemand nog over. Yves Leterme drie jaar geleden 800.000. Wat is er nadien met hen gebeurd? Het begin van veel geluk is dat niet geweest, hè. Veeleer het einde. Als je zoveel stemmen haalt, gunt niemand je nog iets. Iedereen komt om zijn pond vlees. Dat zit zelfs in kleine dingen. Mijn woordvoerder zegt bijvoorbeeld al maanden dat ik moet stoppen met columns schrijven. Hij heeft overschot van gelijk, natuurlijk. Mijn tegenstanders halen daar vaak munitie uit. Maar ik wil daar niet aan toegeven. Ik wil niet gebukt gaan onder het gewicht van al die stemmen.’

‘De voorbije jaren kreeg ik heel veel ruimte. Heel veel zaken die ik deed waren USP - unique selling proposition - omdat iedereen er zijn neus voor ophaalde. Welke niet-80-jarige was er in godsnaam conservatief? Wie wilde nu zo terminaal onhip zijn? Ik had het uiterlijk, de uitstraling noch de ideologie om een topper te worden. Iedereen liet me doen. Ik was toch ongevaarlijk. Maar dat verandert als je 28 procent haalt. Dan bekijkt iedereen je plots met argusogen. ‘Hoe heeft hij dat klaargespeeld? Kunnen wij dat ook? En zo niet: hoe kunnen we dat saboteren?’’

‘Alles wordt anders als je de grootste bent. Hoe hard je ook jezelf probeert te blijven. Alles en iedereen rond je verandert. De context. Je eigen rol, ook. Plots ben je de locomotief. Dat is aanpassen hoor, als je jarenlang de prullenman bent geweest. Een wereld van verschil. Als ik er vroeger een lap op gaf, en het was er half naast: tant pis. Er was toch niet echt iemand die goed luisterde. Sinds 13 juni wordt elk woord omgedraaid, gewikt, gewogen en dan nog eens onder een microscoop gelegd. Niets is nog vrijblijvend.’

Wat veranderde er concreet op 14 juni - de ‘morning after’?

De Wever: ‘Wel, om te beginnen werd ik op het paleis ontboden. Na alle vorige verkiezingen kroop ik om zes uur ’s ochtends naar huis. Nu lag ik om één uur nuchter in bed, in de wetenschap dat een paar uren later de koning zou bellen. Een paar dagen later werd ik al meteen tot informateur gebombardeerd. Twee weken om een nota te op te stellen hoe we het allemaal gingen oplossen. Begin er maar aan! Dan moet je assumeren, zoals dat in het Frans zo mooi heet. Niet vanzelfsprekend. Zeker niet voor de kleine partij die we toen nog waren. Voor 13 juni telde ons hele partij-apparaat 15 mensen. Poetsvrouw inbegrepen. Met zo’n kleine ploeg een informatieopdracht rondkrijgen, dat was... bij de beesten af. Wie deed het secretariaat? Wie vertaalde? Had iemand het telefoonnummer van Elio Di Rupo? Niet onbelangrijk.’

‘We hebben de voorbije zes maanden een geweldig parcours afgelegd, maar de partij is nog altijd niet 100 procent up to speed. De eerste maanden werden we daar elke dag mee geconfronteerd. In de Senaat, bijvoorbeeld. De N-VA had nooit echt in de Senaat gezeteld. Op Louis Ide na. ‘Louis, wat gebeurt er daar?’, vroegen we af en toe. ‘Weinig’, zei Louis dan altijd. Dus wat investeerden we in de Senaat, toen we na 13 juni de grootste fractie werden? Weinig. Tot plotseling bleek dat de grootste fractie alles bepaalt. Ineens komen mensen die daar al honderd jaar zitten aankloppen: ‘Zeg, de buitenlandse missies: hoe gaan we dat aanpakken? Wie sturen we naar de unie van interparlementaire blablabla?’ Dat zijn dan van die dingen waar je nooit van gehoord had. Of waar je altijd van dacht: daar houdt toch niemand zich écht mee bezig? Tot blijkt dat wel degelijk iemand zich daarmee bezig moet houden. En dat jij dat bent. Je valt van de ene verbazing in de andere.’

Was Kim Geybels, de senator die meteen weer moest opstappen na een drugsincident in Thailand, een van die groeipijnen?

De Wever: ‘Nee, dat is het ’m juist. Dat was géén groeipijn. Dat maakte het net zo tragisch. Mijn boutade van na de verkiezingen is - helaas - bekend: ‘Iedereen die moest verkozen worden, werd verkozen. Iedereen die níét moest verkozen worden, ook.’ Maar dat sloeg abso-luut niet op Kim Geybels. Ze had alles om het te maken. Jong. Arts. Niet onknap - we moeten daarin eerlijk zijn. Van Limburg, bovendien. Dat plaatje klopte. En dan gebeurt dát.’

13 juni veroordeelde u tot onderhandelen met de man die N-VA jarenlang demoniseerde. In 2007 luidde uw slogan ‘Laat Vlaanderen niet verstrikken’. Op de affiches stond een gevarendriehoek, met het typische strikje van Di Rupo.

De Wever: ‘Hij herinnerde zich dat helaas maar al te goed. Deze zomer zag ik Ben Weyts aan de onderhandelingstafel kladpapier uit zijn boekentas halen. Vol verbodstekens en strikjes. Ik bestierf het. Iedereen zat te gesticuleren: ‘Doe dat weg!’ Maar Di Rupo, die rechtover hem ziet, had het gezien, natuurlijk. ‘C’est quoi ça, monsieur Weyts? Montrez voir!’ Ge-weldig gênant moment.’ (lachje)

‘Serieus. Wat kan ik zeggen? Elio Di Rupo was jarenlang een typetje voor de N-VA. Een karikatuur. Een symbool voor een bepaald soort Wallonië. Hij moest dat ook zijn. Je kon heel veel aan hem ophangen. Vandaar die campagne. Maar als je zo iemand dan als mens leert kennen, verandert dat helemaal. Ik heb hem op een onbewaakt moment eens een verleidelijke man genoemd, Di Rupo. Dat ga ik hier nu niet herhalen. Maar wat een stijlvolle, charmante man. Wat een levensverhaal, ook. Vader overleden op één jaar. Moeder kon niet lezen of schrijven. En dan toch geraken waar hij geraakt is. Voor zo iemand kan je niet anders dan respect voelen. Ook al is hij op veel vlakken mijn absolute tegenpool.’

‘Een van onze eerste ontmoetingen zei hij: ‘Bart, leg me dat nu eens uit, nationalisme. Hoe zitten jullie psychologisch en politiek in elkaar?’ Ik raadde hem de film ‘Michael Collins’ aan, over een Ierse onafhankelijkheidsstrijder. Wel, de volgende dag had hij die al gezien. ‘Dis, Bart’, zei hij toen hij binnenkwam. ‘Ces nationalistes… Ils tuent quand-même pas mal de gens, hein.’ Dat was hilarisch. Een heel schoon moment.’

Gentleman

Naar verluidt was de sfeer onder de onderhandelaars een pak beter dan drie jaar geleden.

De Wever: ‘Dat klopt, en maar goed ook. In 2007 werd er geroepen, getierd, gescholden en met deuren geslagen. Toen bleef geen enkele kinderachtigheid ons bespaard. Dat was er nu allemaal niet bij. Elio Di Rupo is te veel een gentleman om een debat te laten ontaarden. Hij kan furieus zijn, maar ook dat doet hij met gratie en stijl. En zelf ben ik allergisch aan mensen die brullen. In 2007 vond een liberaal kopstuk - ik zal zijn naam niet noemen - het nodig me met overslaande stem uit te maken voor al wat lelijk was. ‘Is het nu de bedoeling dat ik onder de indruk ben van u, of zo?’, vroeg ik, ijzig kalm. Op dergelijke momenten krijg je geen millimeter beweging in mij.’

‘Je kan van deze generatie politici veel zeggen, maar ze werkt een pak professioneler dan de voorgaande. Als je van anciens hoort hoe er vroeger werd gezopen, in welke toestand bepaalde akkoorden werden gesloten, en hoe vilein er werd gedebatteerd... Daar waren die off-the-recordcommentaren in La Libre Belgique niets tegen. Politiek ging het er tijdens deze onderhandelingen vaak keihard aan toe, maar niemand heeft op de man gespeeld. Ook Di Rupo en ikzelf niet. We hebben elkaar nooit ad personam verwijten naar het hoofd geslingerd. Politiek ontmenselijkt, dat is jammer genoeg eigen aan de stiel. Dan moet je daar niet nog een schep bovenop doen.’

Er waren toch emotionele uitbarstingen en drama’s? U voelde zich toch ‘beledigd’ toen de PS uw nota afschoot? En Di Rupo voelde zich toch ‘vernederd’?

De Wever: ‘Pfff. Politiek is een mix van ratio en emotie. Dat is het altijd geweest. Om steun te winnen bij het grote publiek ga je makkelijker via de emotie. Zeker als het om ingewikkelde, institutionele kwesties gaat. Weinig mensen zijn vertrouwd met de finesses van het financieringsmodel. De meesten hebben andere hobby’s - gelukkig maar. Maar de boodschap ‘We voelen ons tekortgedaan en we zijn kwaad’ vat wél iedereen.’

U ontkent niet dat u de voorbije maanden zeer berekend een aantal sentimenten hebt bespeeld?

De Wever: ‘Natuurlijk niet. Dat vált gewoon niet te ontkennen. Elke keuze die je maakt als politicus, is voor een stuk berekend. Dus ook de keuze om bepaalde emoties uit te spelen. Maar die emoties zijn daarom niet onoprecht. Het is niet één grote fabula, één grote act. Je maakt zo’n keuze ook in een split second, heel instinctief. Omdat je nu eenmaal een politiek dier bent. Je moet je daar geen uren strategische afwegingen bij voorstellen. Bij mij toch niet. Iets gebeurt, en mijn instinct dicteert: ‘Zeg dat je het kotsbeu bent.’ Of: ‘Zwijg’. Dat is gewoon het aanvoelen van een momentum.’

‘Emoties bespelen hoeft trouwens niet per se negatief te zijn. Soms helpt het om openingen te creëren. Opportuniteiten. Dat gebeurde na de verkiezingen, ik zei het al. De sfeer in Wallonië was uitgesproken negatief: ‘Wat is er gebeurd in Vlaanderen? Zijn die nu allemaal zót geworden?’ Op zo’n moment zegt je politieke instinct: ‘Er is geen momentum voor onderhandelingen. Creëer het. Make it happen. Maak duidelijk dat N-VA’ers geen Serviërs van het Noorden zijn.’

Halverwege de onderhandelingen, de avond dat de Vlaamse partijen de financieringswet op tafel legden, ging u onderuit. Letterlijk.

De Wever: (sarcastisch) ‘Dat was geveinsd, hebt u dat niet gelezen? Dat stond in de beroemde off-the-recordcommentaren die La Libre publiceerde. Dat was een van de fijnere zaken die ik over mezelf heb mogen lezen.’

‘Het ergste was: ik wíst het. Ik wist dat dat geschreven zou worden. ‘Dit is dikke shit’, ging de hele tijd door mijn hoofd toen ik me slecht voelde worden. Ik had geen gevoel meer in mijn armen. Alles gebeurde in slow motion. Maar ik wilde niet opgeven. Ik wist dat ik ’s anderendaags ter plekke gestorven zou zijn. Ik zag de commentaren al voor mij: ‘Den dikken is van zijn sus gedraaid.’ Of: ‘Hij heeft een spelletje gespeeld’. Maar ik moest me toch gewonnen geven. Joëlle Milquet heeft me naar mijn auto gebracht. Ik was compleet gedesoriënteerd. Ze toonde me een uitgang zonder pers. Allemaal tevergeefs, natuurlijk. Het verhaal was in real time buiten. Daar had ik me geen enkele illusie over gemaakt. In de politiek heb je geen vrienden. Ook op zulke momenten niet.’

‘Ik wist meteen dat het niets ernstigs was, gelukkig. Ik heb geen seconde gepanikeerd. Gewoon de combinatie van een nacht doorwerken, een dag niets eten en stress. Ik wist dat de financieringswet voor Di Rupo onbespreekbaar was. Ik vond het menselijk heel moeilijk om hem tegen zijn kar te rijden. Ook al liet hij me politiek geen andere keuze. Dat helpt niet, natuurlijk, als je staat te zwijmelen. De wetenschap dat je naar een heel onaangenaam moment gaat.’

Het was u niet gewoon te veel, zoals geschreven werd? U werd niet onwel omdat u al weken niet meer sliep van de stress?

De Wever: ‘Ik slaap al twintig jaar niet goed. Dat is er de voorbije maanden niet op verbeterd, maar zeker ook niet spectaculair op verslechterd. Ik werk ook niet meer uren dan vorig jaar of het jaar daarvoor. Dat was eenvoudigweg niet mogelijk. Mijn vrouw en mijn vier kinderen hebben me niet minder gezien dan de voorgaande jaren. Voor hen is er - helaas - niets veranderd.’

‘Toen het kartel met CD&V brak, op 23 september 2008, ben ik in een demonische razernij beginnen te werken. Ik wist: ‘Nu is het erop of eronder. Ik heb een klein jaar, tot de Vlaamse verkiezingen van 2009. Ofwel stáát N-VA er tegen dan, ofwel is het gedaan.’ Elke zaal in Vlaanderen heb ik in dat jaar gezien. Van Hasselt tot De Panne. Ik vertrok op 23 september 2008, ik kwam op 10 juli 2009 om 2 uur ’s nachts weer thuis. ’s Anderendaags trouwde ik. Ik zal het nooit vergeten. Ik maakte mijn vrouw wakker en vroeg: ‘Wat moet ik aantrekken vandaag?’

Sinds 2007 leeft u permanent onder een vergrootglas. Wat doet dat met een mens?

De Wever: ‘Ik wil mijn vast cliché afdraaien voor ik op die vraag antwoord. Ik sta daarop. Ik wil niet klagen over het leven dat ik leid. Ik heb van mijn passie mijn beroep kunnen maken, en ik word daar uitstekend voor betaald. Ik zou het grotesk vinden te zeuren. Zeker over te veel aandacht. Ik heb jarenlang op mijn knieën moeten zitten om ergens te mógen komen. Ik heb dingen moeten aannemen waarvan ik dacht: ‘Moet dat nu écht? Ja, want zo geraak ik ook eens op VTM.’ Dát was pas lastig.’

Máár?

De Wever: ‘Er zijn een paar zaken die ik erbij moet nemen. Zoals dat vergrootglas. Dat is hard, bij momenten. Iedereen is vuil onder een vergrootglas. Niemand is proper. Ook de bevolking is zeer hard voor politici. Wij moeten blank zijn als sneeuw en bijna perfect als mens. We worden bovendien geacht - zeker nu - dag en nacht te werken. Zodra je je neus langer dan één minuut buiten steekt, zit je mailbox vol: ‘Hebt gij niks beters te doen, vuile zakkenvuller?’

‘Maar dat hoort erbij. Hugo Schiltz heeft me altijd gezegd: ‘Bart, een politicus moet als een eend zijn. Als ge daar een emmer water over kapt, dan schudt die eens goed, en dan is die weer droog.’ Maar bij momenten waren het geen emmers meer die ik over me heen kreeg, maar halve tsunami’s. Ik ben opgevoed door een collaborateur, is gezegd en geschreven. Ook al werd mijn vader pas in 1934 geboren. Ik heb de deurbel van mijn moeder en de grafsteen van mijn vader op televisie gezien, in een sfeer waarin de nazi’s zo door het beeld liepen. ‘Il a flammandisé son nom en Rik’, zeiden ze. Je zult het maar horen, hé, over je overleden vader. Er zijn echt wel grenzen verlegd de voorbije maanden. Maar soit. Alles went. Ook dat. Op de duur was mijn reflex: ‘Leg maar op de hoop. Steek maar in de map.’

Shit-map

De map?

De Wever: ‘Ik heb een map waarin ik die dingen verzamel. De shit-map. (grijnst) En een andere map voor bedreigingen. Ik rangschik ze volgens drie gradaties. De mailers, daar heb ik weinig schrik van. Die maken dan een hotmail-adres om u anoniem eens goed uw vet te geven. ‘Het kan maar deugd doen’, denk ik dan. Mensen die brieven schrijven, dat is al iets minder plezant. Die hebben al de moeite gedaan je adres op te zoeken, een postzegel te kopen of het zelf bij u in de bus te stoppen - dan zeggen ze tussen de regels: ‘Ik weet u wonen.’ Kogels en stront, dat is écht niet leuk. Van mensen die je dat toesturen, denk je: ‘Die zouden het wel eens kunnen menen.’ Die zijn gelukkig het zeldzaamst. Maar zelfs daaraan raak je gewend.’

‘Het volgt de conjunctuur, ook. Neemt de spanning toe, dan de bedreigingen ook. Neemt de spanning af, dan is het rustiger. Geef ik een interview op de RTBF: gegarandeerd een piek.’

U hebt een paar keer een klacht ingediend voor artikels die over u verschenen. Was dat er niet wat over?

De Wever: ‘Ik heb dat drie keer gedaan. In drie jaar tijd. Met tegenzin. Ik weet dat ze me dan weer ‘Calimero’ gaan noemen. Ik ken de clichés. ‘Hij moet dat maar verdragen’, gaat Marc Reynebeau dan in ‘Terzake’ vertellen. ‘Dat hoort bij de stiel.’ Híj zou het eens moeten meemaken. Als er nu, behalve politici, één mensensoort is van lichtgeraakte ijdeltuiten, dan zijn het toch wel journalisten, zeker? Je moet nog maar eens scheef naar hen kijken, en het kot is al te klein.’

‘Er is een groot verschil in psychologie tussen Franstaligen en Vlamingen. Franstaligen zijn ‘partisan’ als iemand van hen aangevallen wordt. Vlamingen niet. Die zien niet liever dan een andere Vlaming die serieus op zijn bek gaat. Het masochisme is ons eigen.’

Er zijn ook klachten over de agressiviteit van úw achterban. ‘Er heerst een klimaat van intellectuele terreur’, zei een collega-onderhandelaar. ‘Er is nog maar één goede Vlaming: de N-VA-Vlaming.’

De Wever: (gooit de armen in de lucht) ‘Djiezes, zeg, van dramatisering gesproken! Mensenlief! Jarenlang ben ik uitgelachen in de Wetstraat - dat mag u letterlijk nemen. ‘Ha, hier zie, de man van de vijf zetels is hier ook’, zeiden ze, als ik ergens binnenkwam. En nu, een goed jaar later is er al maar één soort Vlaming meer: de N-VA-Vlaming. Sjongejonge. Wat een onzin. Wás het maar zo, dat is het enige wat ik daarop kan zeggen. Ik heb niet de indruk dat de media door dat soort Vlamingen bestierd worden. Maar dat zal dan wel weer mijn Calimero-reflex zijn, zeker? Zou iemand daarover janken als de sp.a. op 30 procent zou staan? ‘De enige Vlaming is een Gennez-Vlaming.’ Ik denk het niet, hè. Van die gedachte zou niemand bevallen.’

Enkele weken geleden doekte u uw zogenaamde strategogroep op, wegens lekken. Blijkbaar kunt u zelfs in uw eigen partij niet iedereen vertrouwen.

De Wever: ‘Ik doekte de strategogroep vooral op omdat er niets meer gebeurde. Dan beginnen allerlei dynamieken te spelen die nergens goed voor zijn. Een paar weken geleden lekte er iets, waardoor ik mijn strategie moest aanpassen. Niets fundamenteels, maar toch. Dat stoorde me ontzettend. Toen heb ik gezegd: ‘Het is gedaan met die grote groep. Vanaf nu komen we enkel nog in kleine groepjes samen.’

‘Dit gezegd: de N-VA heeft zijn boyscoutsallures nog. Dat meen ik. Er zijn wel eens meningsverschillen en ruzies, zoals overal. We zijn de Wiener Sängerknaben niet. Maar het eerste mes moet nog altijd in mijn rug geplant worden. Ik heb mijn thesis gemaakt over partijpolitiek. Ik weet dat je ergste vijanden meestal in je partij zitten. Ik heb dat de voorbije jaren ook van dichtbij gezien. Hoe collega’s op de laagst mogelijke manier afgemaakt werden door hun eigen partijgenoten. Hoe met persoonlijke verhalen geleurd werd. Hoe dingen gemonteerd werden tegen mensen. Crapuleuze toestanden. Mij ga je écht niet doen zeggen dat ik mijn mensen niet meer kan vertrouwen omdat ik weleens een zin uit een vergadering woordelijk lees in een krant.’

De druk op u is groot en wordt steeds groter. Van uw ‘ja’s’ en ‘neens’ hangt de toekomst van miljoenen mensen af. Hebt u nooit schrik om u te vergissen?

De Wever: ‘Constant. Maar nooit over waar we naartoe moeten, alleen over de manier waarop. Alleen ‘in modo’, zoals ze in het Latijn zo mooi zeggen, niet ‘in re’. Ik weet dat ze van me zeggen dat ik opgesloten zit in mijn Grote Gelijk. Maar dat vind ik al helemaal onzin. Afstappen van je gelijk - Bert Anciaux is daar destijds mee begonnen. Zeg dan gewoon dat je geen overtuigingen hebt. Zeg dan dat je in niets meer gelooft. Maar stóp er dan in godsnaam mee. Als je niet 100 procent overtuigd bent dat jouw weg de beste is voor het grootste geluk van het grootste getal, waarom zit je dan nog in de politiek?’

‘‘Je suis tranquille avec moi-même.’ Kent u die uitspraak? Paul Van den Boeynants heeft dat ooit gezegd. ‘VdB, on l’aime ou on l’aime pas, mais je suis tranquille avec moi-même.’ Ovidius schreef iets gelijkaardigs, maar veel cassanter: ‘Op straat spuwen mensen in mijn gezicht, maar thuis applaudisseer ik voor mezelf.’ Zo arrogant ben ik niet, maar alles wat ik over me heen heb gekregen, heeft me zeker niet fundamenteel doen twijfelen aan mezelf. Ik besef dat het geduld bij de mensen stilaan op is. Ik weet wat ze zeggen: ‘Sluit ze op in een hotel, neem hun gsm’s af, en laat ze pas buiten als er witte rook is.’ Maar daar zou alleen maar meer onheil van komen. Binnen de kortste keren zouden onderhandelaars uit het raam springen. In plaats van witte rook, zou je een grote zwarte rookpluim krijgen. Het hele hotel zou afgebrand zijn.’

(*) ‘Ik heb geleerd altijd dapper te zijn.’ Uit boek 6 van de ‘Ilias’ van Homeros. Hector zegt het bij het afscheid van zijn vrouw Andromache, die hem verzoekt niet te gaan strijden. Maar hij moet wel, zegt hij, omdat hij anders verteerd zou worden door schaamte en gedeukt eergevoel. In dezelfde rede zegt hij - niet geheel ontoepasselijk: ‘Want ik weet dat ooit de dag zal komen dat het heilige Troje zal vallen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud