Syriëcrisis verstikt Staatsveiligheid

De voorbije gevechten in Kobani ©AFP

De Staatsveiligheid verdrinkt in een vloedgolf aan informatie over Syriëstrijders. Daardoor worden alle andere dreigingen minder opgevolgd en lopen we gevaar, waarschuwt het Comité I.

Sinds donderdagavond 15 januari beseft heel België hoe groot het gevaar is dat jihadstrijders die terugkeren uit Syrië of Irak hier een aanslag plegen. Gelukkig kon de terroristencel in Verviers op de valreep geneutraliseerd worden. Dat was zeker ook te danken aan het inlichtingenwerk van de Staatsveiligheid de maanden voordien. Maar gebeurt de opvolging van de Syriëstrijders door de Staatsveiligheid wel zo vlot? Een nieuw, vertrouwelijk rapport van de toezichthouder Comité I, dat De Tijd kon inkijken, biedt voor de eerste keer een blik achter de schermen bij de Belgische inlichtingendiensten en legt de pijnpunten bloot.

De burgeroorlog in Syrië begon al in maart 2011, maar de Staatsveiligheid kon destijds niet voorspellen dat het probleem van de Syriëstrijders zo groot zou worden, stelt het Comité I vast. Midden 2012 maakte de Staatsveiligheid melding van de eerste ‘returnee’, een teruggekeerde jihadstrijder. Maar pas in zijn vertrouwelijke ‘actieplan 2013’ bracht de Staatsveiligheid de Syriëproblematiek ‘as such’ voor het eerste ter sprake. En pas in het ‘actieplan 2014’ komt die veel explicieter aan bod.

Amerikanen

Vandaag wordt de Staatsveiligheid echter helemaal bedolven onder de informatie over Syriëstrijders, waarschuwt het Comité I. Eind vorig jaar waren er al 10.000 documenten over de ‘Syrische netwerken’ in de databank van de Staatsveiligheid, waarvan de helft over Belgische Syriëgangers. Daarbij gaat het nog niet over de talrijke vergaderingen bij de Staatsveiligheid en met de andere veiligheidsdiensten waarop informatie wordt uitgewisseld en waarbij ‘zelden een proces-verbaal van de vergadering wordt gemaakt’.

Alleen al de verslagen van de ‘buitendiensten’ van de Staatsveiligheid, die op het terrein werken, stegen van nul begin 2012 naar meer dan 2.000 eind 2014. Drie vierde van die verslagen gaat over Belgische filières. Van buitenlandse inlichtingendiensten kreeg de Staatsveiligheid nog eens 3.000 berichten. Zoals vermoed kreeg de Staatsveiligheid de meeste berichten over Belgische filières van de Amerikanen, gevolgd door de Franse, Nederlandse, Turkse, Britse, Duitse en Marokkaanse diensten.

Ook van bij onze Staatsveiligheid vlogen de voorbije drie jaar in stijgende lijn 463 berichten over Belgische Syriëstrijders de deur uit naar andere Belgische diensten, zoals het federaal parket, de antiterreurdienst OCAD, de bevoegde ministers, de politie, het crisiscentrum, enzovoort. In de eerste anderhalve maand van dit jaar verstuurde de Staatsveiligheid al 55 nieuwe nota’s.

Niet gedemotiveerd

Het gevolg is dat de Staatsveiligheid overwerkt is. ‘Dat is een structureel probleem, een risico’, waarschuwt het Comité I. ‘Het werkvolume is sterk gestegen, terwijl het aantal ingeschakelde personeelsleden hoogstens stabiel bleef.’ Als de bevoegde analisten van de Staatsveiligheid nu hun overuren en niet-opgenomen vakantie zouden opnemen, boven op hun vakantiedagen van het lopende jaar, zouden ze allemaal 2,5 maand afwezig zijn. Het gaat om een op de vijf analisten die voor de Staatsveiligheid werken. Bij de buitendiensten op het terrein is al een op de zes mensen belast met de Syriëproblematiek, wat ongezien veel is. Terwijl begin 2012 drie provinciekantoren van de Staatsveiligheid op de problematiek werkten, doen ze dat nu in alle provincies. Het Comité I stelt gelukkig vast dat de overwerkte personeelsleden nog niet gedemotiveerd zijn, ‘maar het risico bestaat’.

Voorts stelt het Comité I vast dat er lacunes zijn in de omkadering: ‘kaderfuncties die openstaan worden niet structureel ingevuld’, wat ‘een belangrijke zwakheid in de organisatie’ is. Want structurele oplossingen moeten van de top komen, maar bij de betrokkenen groeit daarover ongeduld en onrust. Ze verwachten sneller versterking.

Andere bedreigingen

Het personeelstekort wordt dan maar opgevangen door interne verschuivingen bij de Staatsveiligheid, maar daardoor komt de hele werking van de dienst in gevaar, merkt het Comité I op. De aandacht voor andere bedreigingen, zelfs andere soorten terreurgroepen die op termijn ook gevaarlijk kunnen zijn, raakt in de verdrukking. Zo gebruikt de Staatsveiligheid intussen al meer bijzondere inlichtingenmethodes, zoals telefoontaps, voor Syriëstrijders dan voor niet-Syriëdossiers, die zeker niet minder bedreigend zijn geworden. Er is gewoon minder of geen tijd meer voor.

Ook de ‘lokal task forces’, waarin de Staatsveiligheid informatie deelt met alle andere diensten op lokaal vlak, vormen een probleem. De rol van de inlichtingendiensten is nog altijd onduidelijk. Want de Staatsveiligheid kan niet aan alle diensten vertrouwelijke informatie en inlichtingen van buitenlandse diensten meedelen. De politie heeft daar een andere visie op, waardoor politieacties de inlichtingenoperaties teniet kunnen doen. De local task forces zijn nochtans heel belangrijk, maar het Comité I stelt vast dat elke taskforce anders werkt.

De Staatsveiligheid vindt tot slot zelf dat haar ‘informatiepositie’ over de Syriëstrijders ‘relatief goed’ is. Al klaagt ze dat ze als ‘defensieve dienst’ niet in het buitenland mag werken en voor informatie over de Belgen ter plaatse in Syrië en Irak aangewezen is op informatie van buitenlandse diensten en ‘open’, publieke bronnen.

Tot slot ziet de Staatsveiligheid drie belangrijke doelwitten voor aanslagen door Syriëstrijders in ons land: de Joodse gemeenschap, de sjiitische gemeenschap en de ordediensten, naast een aantal internationale organisaties.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud