analyse

Versnippering in de zorg: wie bewaart het overzicht?

Verschillende ministers, bevoegdheden en allerhande comités verhinderen een krachtig zorgbeleid. ©BELGA

Marc Noppen, de CEO van het UZ Brussel, had er ooit een weddenschap over: zijn nu acht of negen ministers bevoegd voor gezondheid? Mogelijk zijn het er tien. En dat is maar een deel van het probleem.

In volle coronacrisis doken de lijstjes overal op: het aantal ministers bevoegd voor gezondheid. Federaal is er Maggie De Block (Open VLD). In Vlaanderen is er Wouter Beke (CD&V). Aan Franstalige zijde zijn er drie: twee ministers in de gemeenschapsregering en één in de gewestregering. De Duitstalige Gemeenschap heeft ook een minister. En in Brussel zijn er twee ministers en één staatssecretaris. Aan de interministeriële conferentie, het overleg waarin ze allemaal samenkomen, werd de voorbije maanden ook Philippe De Backer (Open VLD) toegevoegd, omdat hij als federaal minister aangeduid werd als coördinator voor het medisch materiaal. 

Kafka

Een container huren voor een triagecentrum is federale materie, er een kopen is regionaal.

Zoveel mensen om tafel hinderde elk slagkrachtig optreden: er is zoveel vaagheid over de verdeling van de bevoegdheden dat eerst eindeloos gediscussieerd werd over wie waarvoor aan zet was. Met kafkaiaanse anekdotes tot gevolg. Een container huren voor een triagecentrum is federale materie, er een kopen is regionaal.

Maar het aantal ministers is slechts het topje van de ijsberg. Met de versnipperde bevoegdheden komt ook een kluwen aan instellingen, tientallen advies- en overlegorganen, commissies en comités waar een kat haar jongen niet meer in terugvindt. Al die diensten moeten worden bemand en het onderlinge overleg vraagt eindeloos veel tijd.

In tijden van crisis, zoals met corona, worden dan nog eens extra structuren in het leven geroepen: er kwamen een Risk Assessment Group (RAG) met wetenschappers, een Risk Management Group (RMG) met beleidsmensen (alle bevoegde ministers), een Wetenschappelijk Comité dat de autoriteiten moet bijstaan, en een Comité Hospitals & Transport Surge Capacity, dat het overzicht van de capaciteit in de ziekenhuizen moet bewaren.

Instituut voor de Toekomst

De coronacrisis heeft uitvergroot wat al lang een groot probleem is bij de organisatie van onze gezondheidszorg is: als alle betrokken partijen om de tafel moeten, is een bijzonder grote tafel nodig. Met zoveel gefragmenteerde bevoegdheden dreigt de vraag naar wie de eindverantwoordelijkheid draagt altijd een struikelblok te zijn en is het bijna onmogelijk een coherent beleid te voeren.

De voorbije jaren liepen pogingen om alcoholmisbruik krachtdadiger aan te pakken hopeloos vast in elkaar tegenwerkende krachten door de versnippering. Om nog te zwijgen over de verdeeldheid in de geestelijke gezondheidszorg - in principe een Vlaamse aangelegenheid, maar psychiatrische afdelingen in ziekenhuizen zijn federaal - waardoor een geïntegreerde begeleiding van patiënten en het inzetten op preventie verzanden in onduidelijkheden over ‘wie doet wat’.

In 2011 werd beslist een Instituut voor de Toekomst op te richten dat antwoorden moest bieden op de grote uitdagingen in de gezondheidszorg. Het is er nog altijd niet.

Het pijnlijkste symbool van het onvermogen dat recht te trekken is het Instituut voor de Toekomst. In 2011 werd bij het politieke akkoord over de zesde staatshervorming, die een stevige transfer van bevoegdheden inzake gezondheid naar de gemeenschappen omvatte, afgesproken dat zo’n Instituut wordt opgericht. De bedoeling: via overleg tussen alle niveaus en via samenwerking de coherentie en de kwaliteit van de gezondheidszorg verbeteren. En samen een antwoord bieden op de grote uitdagingen: de vergrijzing, techno-logische innovatie, het tekort aan zorgpersoneel…
Anno 2020 is dat Instituut voor de Toekomst er nog altijd niet.

Volg de reeks 'Lessen uit de coronacrisis voor onze zorg' in de krant en op tijd.be.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud