Herman Daems: 'Industrieel beleid te institutioneel'

Herman Daems Foto Christophe Licoppe/Photo News ©Photo News

De maakindustrie moet in ons land blijven, daar was zowat iedereen op het congres rond industrieel ondernemen van Vlaanderen in Actie het over eens. 'Maar eerst moeten we met een fijne kam door de overvloed aan instellingen die dat moeten ondersteunen', vindt Herman Daems, voorzitter van BNP Paribas Fortis en lid van de Vlaamse Industrieraad.

Op de tweede dag van het event rond Industrieel Ondernemerschap was het niet bepaald over de koppen lopen. Aan het formaat van het congrescomplex - de Antwerpse Waagnatie - hadden de organiserende partijen - Vlaanderen in Actie - duidelijk meer volk verwacht. Ook enkele tenoren uit het middenveld, die zelf deelnamen aan het event, waren niet enthousiast over de opkomst. Officieel heeft de happening zowat 800 deelnemers getrokken, verspreid over twee dagen.  

Nochtans ontbrak het niet aan mooie technologie. Op het centrale middenplein van de immense Waagnatie stonden een vijftal containers opgesteld die de compententiepolen moesten presenteren waarrond het industrieel beleid zich concentreert: cleantech en waterstofenergie, biologische en duurzame chemie, DSP Valley (nanotechnologie en micro-electronica) en 3D-printing. Spijtig genoeg was de presentatie vooral een kwestie van brochures en pancartes met veel schema's.  

Ook de namen tijdens de drie opeenvolgende slotdebatten vrijdagnamiddag waren niet van de minste: Wouter De Geest (BASF, Vlaamse Industrieraad), Koenraad De Backere (KU Leuven, VIA), Johan Thijs (KBC), Herman Daems (KU Leuven, Vlaamse Industrieraad, BNP Paribas Fortis), Caroline Copers (ABVV), Jo Libeer (Voka) Eric Van Zele (Barco).

Drie thema's kwamen daarbij aan bod: hoe kunnen we industrieel beleid eindelijk omzetten in concreet industrieel ondernemen? Hoe kan sociale innovatie en het nakende Vlaams sociaal overleg daarbij heil brengen? En wat kunnen ondernemers zelf bijdragen? 

Tijdens het eerste debat kreeg Wouter De Geest (de voorzitter van de Vlaamse Industrieraad en CEO van BASF Antwerpen) de vraag voor de voeten geworpen wat er nu concreet is gebeurd op de vier jaar tijd na de Staten-generaal van de industrie. Die werd in 2010 gehouden naar aanleiding van de sluiting van Opel Antwerpen en moest de maakindustrie in ons land houden. 

De Geest vond dat vooral de 'mindset' veranderd is. 'Dat we nu hier in de Waagnatie zitten met een open debat voor iedereen, en niet in de Brusselse salons, was 1,5 jaar geleden ondenkbaar.' Daarnaast haalde De Geest nog de 'scherpe adviezen' aan de Vlaamse overheid aan en de 'structuren', onder de vorm van 'clusters' (zie hoger) en slimme 'specialisaties' aan.

Maar wat zijn dan de concrete resultaten? Herman Daems, voorzitter van BNP Paribas Fortis en lid van de Vlaamse Industrieraad, moest toegeven dat 'we heel sterk de institutionele toer zijn opgegaan. We lopen het risico dat al die instellingen een kleilaag worden tussen beleid en ondernemingen. Gevaarlijk. Het is tijd om hier met een fijne kam door te gaan.'

Die kam was nog niet gehanteerd, stelde De Geest . 'Aan het oprommelen van heel het instrumentarium is nog niets gebeurd.' Volgens Herman Daems moet het eigenaarsschap voor innovatie bij de bedrijven zelf liggen, door samen te werken, zoals de twee weefgetouwenproducenten Picanol en Vandewiele dat soms doen. 'En het hebben van een industrieel beleid mag geen excuus zijn om geen economisch beleid - lees: verhoging van de concurrentiekracht door een verlaging van de loonkosten - te voeren. 

Wouter De Geest besloot het debat door te stellen dat een transformatie van het economisch weefsel een sterk draagvlak vraagt. Wat naadloos aansluiting gaf op het tweede debat over het sociaal overleg dat op 19 maart van start gaat, en ergens na de verkiezingen conclusie moet opleveren. Onder meer over doelgroepenbeleid, vorming en opleiding kindbeleid, bevoegdheden die van het federaal naar het gewestelijk niveau overkomen. Het discours toonde aan dat het water tussen werkgevers en vakbonden (Karel Van Eetvelt voor Unizo en Jo Libeer voor Voka tegenover Carline Copers voor het ABVV en Ann Vermorgen) nog diep is: de eersten drongen aan op een individualisering van de arbeidsvoorwaarden, iets wat de laatsten uiteraard niet zagen zitten.   

In het derde debat, met ondernemers Jan Tytgat (Umicore), Eduard Rutten (Metes), Sander Boom (Newtec) en Eric Van Zele (Barco) viel vooral de conclusie op dat het terughalen van arbeid uit lagelonenlanden (reshoring) er zit aan te komen. Voor Eduard Rutten is het een zekerheid. Hij heeft met zijn bedrijf nogal wat productie (assemblage van elekronicacomponenten) teruggehaald naar België, ook al is dat ook naar Servië. Daar ligt het minimumloon immers op 1 euro per uur en betaal je een ingenieur amper 2 euro per uur. 'Maar de R&D en engineering is daardoor wel naar België gebleven. En hebben we ook hier jobs naar België teruggehaald.' Ook Eric Van Zele van Barco, algemeen beschouwd als een schoolvoorbeeld van turn-around van een ingenieurscultuur naar een klantgericht bedrijf - stelde dat door internationaal te gaan, je ook in eigen land extra jobs creëert. En Umicore slaagde er de voorbije tien jaar in om van metalen naar materialen te gaan en zo op de trein te springen van de cleantech (zuivere lucht, batterijen, elektromotoren).  

Tijdens zijn slotspeech vatte de Vlaamse minister-president Kris Peeters het tweedaagse congres als volgt samen: 'Als we niet verder handelen, dan zal onze industrie verdwijnen. En met die industrie ook onze welvaart. Ook de volgende regering zal moeten kiezen voor het nieuw industrieel ondernemen als het wil kiezen voor de welvaart van Vlaanderen. Want de industrie blijft de grootste innovator. Het blijft de grootste exporteur. En het blijft de belangrijkste hefboom voor de jobs van morgen.'

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud