reportage

‘Wij zullen wel beslissen waar we mee lachen, niet Unesco'

Carnavalsgroep LDVD rijdt zondag in Aalst uit met een Jodenkop op de kar

In Aalst rijdt zondag - door het stormweer met een uur vertraging - de 92ste carnavalsstoet uit, de eerste na het Unesco-debacle en de verontwaardiging over de Jodenkoppen. Zullen de groepen met alles blijven lachen? Portret van de onbegrepen carnavalist in drie delen. ‘Carnaval is nog nooit zo braaf geweest, het lijkt soms wel de Disney-parade’

Woensdag 8 januari. Het is nog 46 dagen tot carnaval. Terwijl de rest van het land in een postnieuwjaarsdepressie zit en het informateursduo Coens-Bouchez er nog in gelooft, draaien in Aalst de voorbereidingen voor de stoet op volle toeren. 

In de studio van radiozender Oiljst Mjoezik wenst Patrick Barrez zijn ‘beste luisteraars’ een goeienavond. ‘Het is op dit moment 5 graden, dus doe u maar goed aan als ge nog naar buiten moet. Want het kan wel ne keer vriezen aan uwe geweetwel.’ Bij hem zitten zes leden van de carnavalsgroep De Zwisjelmoizen om te praten over de ‘prekiezing’, een voorafname van de officiële verkiezing tot prins Carnaval. De prinsenverkiezing is een evenement waarvoor in Aalst wordt gevochten als was het Tomorrowland: de 4.000 tickets zijn in een kwartier uitverkocht.

Als je zou weten wat in sommige liedjes wordt gezongen, zou er ook commotie zijn. Maar ja, buiten Aalst verstaat niemand ze.
Karel Coppens, voorzitter van De Zwisjelmoizen

Oiljst Mjoezik is een van de twee lokale zenders die alleen carnavalsmuziek uitzenden. De een is een afscheuring van de ander. Iets met een conflict met een van de eigenaars van de zender. ‘Iemand uit Brussel, een niet-carnavalist.’ In Aalst
is zelfs carnaval politiek, en de politiek is ook een beetje carnaval.
Van 21 november tot 1 maart maakt Oiljst Mjoezik radio van 6 tot 22 uur, de muziek gaat de hele nacht door. Er is een repertoire van meer dan 5.000 Aalsterse carnavalsliedjes. ‘Als je zou weten wat in sommige liedjes wordt gezongen, zou er ook commotie zijn’, zegt Karel Coppens, de voorzitter van De Zwisjelmoizen. ‘Maar ja, buiten Aalst verstaat niemand ze.’


Het wordt het eerste carnaval na de defenestratie door Unesco, de werelderfgoedorganisatie van de Verenigde Naties. Carnaval Aalst kreeg tien jaar geleden, met de steun van de Vlaamse regering, het keurmerk immaterieel werelderfgoed. Toenmalig burgemeester Ilse Uyttersprot (CD&V) droomde van een toestroom aan internationale toeristen, en zelfs een themapark à la Plopsaland. Dat plan werd snel afgevoerd, maar carnaval is wel uitgegroeid tot een serieus stadsevenement. Het lokt bijna 100.000 bezoekers naar de stad, die zelf minder dan 90.000 inwoners telt.

 Al snel waarschuwden sommigen ervoor dat de bijtende Aalsterse spot zou botsen met de strakke mores van een internationale organisatie als Unesco. De onlangs overleden Jacquy De Pauw, voormalig vertegenwoordiger van de losse groepen die mee in de stoet lopen, zei dat typisch carnavaleske zaken als lachen met de parachutemoord (‘Ik spring oit e vliegmasjien vér menne Marcel te zien’, een liedje van De Saazers uit 2011) of het afbeelden van Afrikaanse poetsvrouwen als dik en lui (‘Ik ben lui, maar heb het schoonste jobke van de stad’, door Schiefgoddeweg in 2011) Unesco in het verkeerde keelgat zouden schieten.  Hij kreeg gelijk: in 2013 veroorzaakte Eftepie met nazi-uniformen, bedoeld als parodie op de N-VA, en gasflessen met Zyklon B ‘om Franstaligen uit te roeien’ meteen een diplomatieke rel.

Volgens mij wonen er twee Joden in Aalst.
Philippe Fouquaet
Lid van De Zwisjelmoizen


Terugplooien

De druppel voor Unesco was de kar met de Jodenkoppen vorig jaar. De Vismooil’n hadden die gemaakt om hun ‘sabbatjaar’ te illustreren. Leden van de groep kregen na de stoet doodsbedreigingen, veelal van Engelstalige afzenders. Tot vandaag roeren boze mensen van over de hele wereld zich over Carnaval Aalst op sociale media. Dat eindigt meestal met een sisser, want de repliek uit Aalst volgt doorgaans in onverstaanbaar dialect.

Sindsdien heeft Aalst zich op zichzelf teruggeplooid. Een petitie tegen de Unesco-erkenning leverde snel meer dan 20.000 handtekeningen op. Burgemeester Christophe D’Haese (N-VA), geïsoleerd in zijn partij na veroordelingen door Vlaams minister-president Jan Jambon en voorzitter Bart De Wever - besloot zelf de erkenning op te geven. Half december bevestigde Unesco nog een keer dat de stoet niet langer tot het werelderfgoed behoort.

De kop van Peeters ligt hier nog van vorig jaar. Niemand wil hem hebben.
Dieter Janssens, lid van De Zwisjelmoizen

‘De situatie is serieus opgeblazen’, vindt Coppens, in het dagelijkse leven leerkracht. ‘Ik denk dat de buitenwereld er meer mee bezig is dan de mensen in Aalst. Ik ken hier niet eens Joden.’ ‘Volgens mij wonen er twee Joden in Aalst’, zegt Philippe ‘Fokaat’ Fouquaet, een Zwisjelmois met een internationale functie bij Volvo.

‘Er heeft ook eens een Kaboeter Dolf rondgelopen’, zegt Stefaan De Meyer. ‘Dat vind ik er toch wat over. (Studio 100 zag er op dat moment geen graten in, red.)
‘Aalst Carnaval is net heel braaf geworden. Wij zijn haast de enige groep die nog aan maatschappijkritiek doet’, meent Dieter ‘DJ’ Janssens, die lesgeeft aan een hogeschool. Coppens treedt hem bij: ‘Carnaval is nog nooit zo braaf geweest. Het lijkt soms wel de Disney-parade.’

Carnavalisten leggen de laatste hand aan de kop van schepen Sarah Smeyers (N-VA).

Carnaval is altijd ‘op ’t ranneke’, zoals ze in Aalst zeggen. Carnavalisten vinden dat je met alles moet kunnen lachen. Waarop doorgaans snel volgt: ‘Behalve met Dutroux’. Burgemeester D’Haese zei nochtans in het tv-programma ‘De afspraak’ dat er ook in Aalst grenzen zijn, en dat ze niet lachen met de Bende van Nijvel, die in de regio veel slachtoffers maakte. Dat klopt niet, zeggen de carnavalisten. Toen de politie dacht dat ze ‘de reus’ te pakken hadden, de nooit eerder geïdentificeerde schutter van de criminele bende, liepen in de stoet verschillende ‘reuzen’ mee.

Onze Jodenkop heeft een stompe neus, geen haak.
Lander Verhoeven
Lid van LDVD


De Zwisjelmoizen staan erom bekend graag te lachen met de politiek. Vorig jaar zetten ze de koppen van de federale ministers Maggie De Block (Open VLD) en Kris Peeters (CD&V) en N-VA-voorzitter Bart De Wever op de kar, en verkleedden ze zich als wasmachine. Een knipoog naar De Wevers uitspraak ‘den dasj is eruit’, over het gebrek aan slagkracht van de federale regering. Dit jaar vechten De Wever en PS-voorzitter Paul Magnette een rondje onder toeziend oog van koning Filip, Gwendolyn Rutten (Open VLD) en Tom Van Grieken (Vlaams Belang). Het thema: ‘België gestript.’

Even hebben de Zwisjelmoizen eraan gedacht een kop van Groen-kopstuk Kristof Calvo te gebruiken. Maar dat idee werd snel afgevoerd, wegens een te lage restwaarde. ‘Een Calvo verkoopt niet’, zegt Janssens. De isomo koppen en de kostuums worden na het carnavalsseizoen verkocht aan andere groepen op tweedehandsbeurzen. ‘Peeters ligt hier nog van vorig jaar, niemand wil hem hebben. De Wever, die was direct weg.’
De kop van de N-VA-voorzitter werd wel verkocht, aan een lokale Vlaams Belang- afdeling. Prijs: 1.000 euro.

Vogelvrij

Woensdag 22 januari, 23 uur. Een grote kar wordt door de werkhallen gemanoeuvreerd. ‘Het is een rechter van het Aalsters tribunaal’, zegt Lander Verhoeven van de carnavalgroep LossendeirDeVeirdeirDeir, kortweg LDVD. ‘Wij zullen wel beslissen waarmee we lachen, en niet Unesco.’ In de hal staan nog drie andere koppen klaar: een pastoor, een moslim en een Jood. ‘We lachen met iedereen, van Aalst tot in Afghanistan. Maar we doen het met respect.’

Als we geen karikaturen meer mogen maken, kunnen er straks ook geen Afrikanen of Chinezen meer op de wagen.
Guy Walgraef, opzichter in de carna­valshallen


Het wordt spannend in de stoet straks. Van de 71 officiële groepen hebben er elf vrijheid van meningsuiting, Unesco, Zwarte Piet of een ander delicaat thema gekozen. De gewraakte Vismooil’n hebben als thema ‘vogelvrij’, er zullen wandelende schietschijven zijn. En de controversiële Jodenkoppen uit de stoet van vorig jaar gaan dit keer met De Zwiejtollekes mee. En dan zijn er nog de losse groepen, die doorgaans wat scherper zijn.

Dat betekent niet dat de kritiek van de Joodse organisaties niet is aangekomen. Verhoeven wijst naar de kop met pijpenkrullen: ‘Hij heeft een stompe neus, geen haak. De kop is herkenbaar als een Jood, maar het is geen beeld uit de jaren dertig. Er zijn in onze groep ook mensen die in een openbare functie werken, we weten dat het gevoelig kan liggen. Maar carnaval blijft het feest van spot, satire en leute. We sparen niemand, ook onszelf niet. En dat wordt vaak vergeten.’

Miljoenenzaak

Verhoeven zegt het spijtig te vinden dat carnaval in een slecht daglicht staat. ‘In deze hallen komen duizenden mensen bijeen, die samen naar iets toe werken. Op zoldertjes zitten ze kostuums te stikken. het hele verenigingsleven draait hier op carnaval. Het werk in de hallen en het pintje in de kantine vind ik minstens zo plezant als het feest zelf. Carnaval is de kers op de taart. Maar als het in de pers over carnaval gaat, hebben ze het alleen over die marginalen van Aalst.’

Aalsters burgemeester Christophe D'Haese (N-VA) is goed vertegenwoordigd op carnaval.


Carnaval in Aalst is een levenswijze, maar ook een economische kwestie. Met een budget dat kan oplopen tot meer dan 100.000 euro voor de wagen en de kostuums besteden de officiële groepen elk jaar enkele miljoenen aan materiaal.
Doe-het-zelfzaken geven carnavalskorting. Sommige winkels draaien puur op carnaval. Er zijn koppensnijders, karikaturisten, airbrushers, lassers, kostuumontwerpers, stiksters en naaiers aan het werk. De horeca doet drie dagen gouden zaken. En het hele jaar door organiseren de groepen talloze bals, eetfestijnen en fuiven om geld in de kas te krijgen. In Aalst duurt carnaval eindeloos lang.

 Joost ‘Zjos’ Rombaut, Zwisjelmois en componist van het jaarlijkse themalied: ‘Carnaval duurt drie dagen, maar het is zoveel meer dan dat. Het is een vriendengroep, een wereld, een leven. Iets waar wij heel trots op zijn.’

Het is niet aan ons om te zeggen wat wel of niet kan.
Patrick George
Kostuummaker

Maandag 17 februari. Vlak bij de werkhallen ligt Atelier Sandy, uitgebaat door het koppel Sandy Lievens en Patrick George. Op de gesloten deur hangt een briefje: ‘We zitten in de laatste rechte lijn naar carnaval. ‘Heb je GEEN afspraak dan geraak je er NIET in.’ Maar Patrick wuift van achter het raam en wil ons toch even rondleiden, terwijl Sandy onverstoorbaar voortwerkt. 

Sandy begon ooit als ontwerper van extravagante outfits voor performers als 2Fabiola. Maar sinds 15 jaar werkt ze vooral voor carnavalsgroepen. Tussen september en november zes dagen op zeven, van half acht tot soms middernacht. Het kostuum van burgemeester D’Haese ligt klaar voor de finale pasbeurt. ‘Onze allerlaatste opdracht.’ De flessen cava staan al koud voor zondag. Maar tijd om uit te blazen zal er amper zijn. ‘De eerste afspraken voor Carnaval 2021 staan al in onze agenda.’

Patrick en Sandy zijn geen rasechte carnavalisten. Ze komen van buiten Aalst. Naar de stoet gaan ze vooral om hun eigen werk kritisch te bekijken. Maar ze begrijpen het feest wel. ‘Vrijheid van expressie en meningsuiting. Het is niet aan ons om te zeggen wat wel of niet kan’.

Patrick noemt het onzin dat Aalst onverdraagzaam, ongevoelig of racistisch zou zijn. ‘We zitten hier in een heel multiculturele buurt. Dat is niet evident als homokoppel. In de beginjaren hebben we af en toe dingen naar onze kop gekregen. Maar we gingen het gesprek aan. Nu kennen de mensen ons goed. Onlangs zijn we zelfs verkozen tot beste buurtbewoners.’
Samenleven in Aalst gaat dus best goed, ook al verkleurt de stad gestaag en is het Vlaams Belang de tweede grootste partij. ‘Carnaval is ook al een beetje divers geworden. Onze Ghanese buurman zit bij een carnavalsgroep.’

Niets te verbergen

In een kamertje naast de kantine zit Guy Walgraef, alias Dingdong Guyken, bezorgd naar het nieuws te kijken. ‘Ze voorspellen slecht weer. Dat is niet goed voor de stoet.’

Veel meer dan de komst van Israëlische journalisten, klachten van Joodse organisaties en kritiek uit het buitenland vreest de carnavalist slecht weer. ‘Eén keer is de maandagstoet afgelast. In 1990’, zegt Walgraef. Hij werkt als opzichter in de carnavalswerkhallen, in Aalst voor twee ambtenaren een voltijdse job. De hallen - met plaats voor 56 groepen, de rest huurt een loods buiten de stad - zijn van augustus tot Pasen open. En in deze periode van ’s middags tot 3 uur ’s nachts. Zijn bijnaam dankt Walgraef aan de manier waarop hij door de microfoon roept. ‘De bel is een tijdje kapot geweest. Dus zei ik voor elke mededeling: ‘Dingdong.’’

Er heeft ook eens een Kaboeter Dolf meegelopen, dat vond ik er toch wat over.
Stefaan De Meyer
Lid van De Zwisjelmoizen


Natuurlijk zal het dit jaar een ander carnaval zijn, zegt Walgraef. De Unesco-controverse was er voor enkele groepen te veel aan: De Vismooil’n zouden veel leden hebben zien vertrekken, en zou er zelfs mee willen stoppen. Groepen uit Aalst zijn sinds de controverse minder gegeerd voor de ‘buitenstoeten’, optochten in andere steden die geld in het laatje brengen. ‘Maar we krijgen steeds meer aanvragen voor rondleidingen. Dat is beginnen toenemen na de Unesco-erkenning. Maar sinds de schrapping zijn het er nog meer. Mensen zijn nieuwsgierig, en wij hebben niets te verbergen.’

De werkhallen van de carnavalsgroepen in Aalst.

Ze kunnen best zonder dat Unesco-gedoe, vindt hij. ‘Het is toch ook een beetje de verzuring van de maatschappij. Carnaval heeft zoveel goede kanten. We lachen wel met de mensen, maar toch niet met de Holocaust? Als we geen karikaturen meer mogen maken, kunnen er straks ook geen Afrikanen of Chinezen meer op de wagen. We kunnen daar mis in zijn, maar wij zien daar niets verkeerd in.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud