Charler-wát?

Topondernemer Eric Mestdagh op bezoek bij Dominique Demonté, directeur van BioPark in Gosselies vlak bij Charleroi. Onderzoek als economische grondstof van een nieuw Wallonië.

De wanhoop voorbij? Of voorbij de wanhoop? Er staat iets op kantelen in Charleroi. In achtertuin Gosselies geraakt een nieuwe economie stilaan op toerental. En de stad zelf wil honderden miljoenen euro’s mobiliseren om haar littekens weg te renoveren. ‘C’était la catastrophe.’ Wás - jazeker.

Karikaturen. Over Charleroi zijn er veel in omloop, maar geen is veelzeggender dan die waarmee Eric Mestdagh ons welkom heet in het bedrijvenpark van Gosselies, op 8 kilometer van het stadscentrum. ‘Hebt u gemerkt dat het hier vol rotondes ligt?’, vraagt hij. ‘Daarover doet een geestig indianenverhaal de ronde, dat me al een paar keer in alle ernst verteld is. Dat die rotondes speciaal aangelegd werden voor de eerste pendelaars, die hier met de daver op het lijf kwamen werken. Ze wilden zogezegd geen kruispunten met rode lichten - uit schrik voor carjackings.’

Eric Mestdagh grijnst. Hij heeft geleerd de karikaturen en de stadslegendes weg te lachen. En onverstoord voort te ondernemen. 25 miljoen euro investeerde hij hier onlangs nog in een logistiek centrum van 60.000 m2 voor zijn supermarktgroep met 3.500 werknemers en 700 miljoen euro omzet. ‘In Frankrijk, 30 kilometer verderop, liggen de operationele kosten 25 procent lager’, zegt hij. ‘Dat is veel in een sector met kleine marges. Maar ik ben van hier. Charleroi heeft me kansen gegeven. Ik wil terugdoen wat ik kan.’

Het is Eric Mestdagh menens. In zijn hoofdzetel hangen ingelijste shirts van voetbal- én basketbalclub Charleroi. Hij sponsort beide. En het blijft niet bij centen alleen. Bij een eerdere ontmoeting, enige tijd geleden, hebben we het zijdelings over zijn stad gehad. De stad die al decennia probeert zijn industriële verleden te boven te komen. De stad waar de werkloosheid 26 procent bedraagt.

Eric Mestdagh kent de grimmige realiteit. Hij verbloemt ze geenszins, maar een paar weken na onze eerdere ontmoeting stuurt hij een mail. Hij plant een bezoek aan een vrolijk boomend stukje achtertuin van Charleroi dat maar zelden de media haalt. Hij wil het - voor het eerst - met eigen ogen gaan bekijken. Of we geen zin hebben om hem te vergezellen? Een artikel hoeft niet per se. ‘Ik wil u gewoon graag het volledige plaatje tonen.’

Tongbrekers

Een tros kantoorgebouwen met spiegelglazen. Hier is het, dit wil Eric Mestdagh zien en laten zien. BioPark: een biotechnologiehub van de universiteiten van Brussel en Bergen. Het ligt in een van de zeven wetenschapsparken ten zuiden van de taalgrens, waarvoor beleidsmakers grootse relanceplannen schreven. Dat ging zoals dat gaat met allerlei hoopvolle tongbrekers gepaard - ‘competitiviteitspolen’ en zo meer.

Dominique Demonté, directeur van BioPark én van de koepel van Waalse wetenschapsparken, windt er geen doekjes om. Die grootse plannen hadden tijd nodig om de harten en de geesten te veroveren, zegt hij. ‘BioPark was een initiatief van de Université Libre de Bruxelles. Maar de verhuizing naar hier, in 1999, was voor veel onderzoekers écht traumatiserend. Een aantal verliet de ULB, of werd depressief. Het overheersende gevoel was: ‘Charleroi? Zijn jullie gek geworden? Hoe kunnen we daar ooit een competitief onderzoekscentrum uitbouwen, talent aantrekken? Daar is niks.’’

Er wás ook weinig, zegt Demonté. Een gebouw - ‘een góéd gebouw, dat wel’ - op een voor het overige lege campus. Dat was het. Plompverloren tussen Brussels South - toen nog verre van de luchthaven van nu - en een paar distributiecentra. ‘Het plan was hier een onderzoekscentrum voor moleculaire biologie uit te bouwen’, zegt Demonté. ‘Maar het plan was óók, heel expliciet: de economische ontwikkeling van deze regio mee een boost geven.’

Dominique Demonté en Eric Mestdagh ontmoetten elkaar enkele maanden geleden toevallig bij een glas, na een theatervoorstelling van Jacko Van Dormael. Demonté, ambtenaar van de nieuwe school, vertelde Mestdagh, ondernemer in een old-school sector, vol vuur over ‘zijn’ BioPark. Over het nieuwe, andere Charleroi dat daar in de hightechlabs gestalte kreeg. En over de hefbomen die begonnen te ontstaan. Het gesprek knetterde, prikkelde en bleef hangen.

‘Ik ben een commerçant’, zegt Mestdagh - een man met beide voeten in de realiteit. ‘Wat me meteen intrigeerde, was: hoe creëer je met hooggespecialiseerd onderzoek economische waarde voor een stad als Charleroi?’

Doux rêveur

Dominique Demonté - debiet: een duizelingwekkend aantal woorden per minuut - klapt zijn Mac open en overloopt de facts and figures. Op een van zijn slides pronkt een cover van de wetenschapsbijbel ‘Science’, gewijd aan een baanbrekend onderzoek dat hier gebeurde. De titel - iets ingewikkelds - klinkt niet meteen als een streekproduct dat zomaar te vermarkten valt. Maar zulke research is wel degelijk economische grondstof, benadrukt Demonté. De Waalse overheid investeert elk jaar 165 miljoen euro in onderzoek en ontwikkeling in ‘life sciences’. Gelijkaardige privé-investeringen zijn al snel goed voor een klein tienvoud - 1,5 miljard euro per jaar.

BioPark, intussen uitgegroeid tot vier onderzoekscentra, creëerde sinds zijn oprichting gemiddeld één spin-off per jaar, vertelt Demonté trots. En het trok nog eens zoveel nieuwe bedrijven aan, ook uit het buitenland. Alles samen goed voor 30 nieuwe ondernemingen en 1.000 directe jobs.

‘We hebben twee incubatoren van 6.000 m2 voor nieuwe bedrijven. De jongste, pas twee jaar oud, zit alweer helemaal vol. We plannen nu een derde - dubbel zo groot. Had iemand dat zelfs maar vijf jaar geleden durven te voorspellen, dan had iedereen die weggezet als een ‘doux rêveur’. Maar het wérkt.’

Eric Mestdagh: ‘Hoeveel van die 1.000 mensen vestigen zich hier? Dat lijkt me een belangrijke vraag. Ze creëren waarde, dat is duidelijk. Maar plukt Charleroi daar mee de vruchten van? Als ze elke dag naar Brussel, Leuven of elders pendelen, helpt dat de stad ook niet meteen vooruit.’

Dominique Demonté: ‘90 procent woont in Wallonië, 70 procent in onze regio. Dat cijfer is de voorbije jaren fors gestegen. Toen ik hier in 2000 begon te werken in een lab, was ik de enige Carolo. De grote uitdaging is nu: het stadscentrum véél aantrekkelijker maken, zodat mensen hier willen komen wonen. Daar is nog veel werk aan.’

‘Als ik internationale delegaties op bezoek heb, laat ik ze ook logeren in Namen of elders buiten de stad. Charleroi zoals het nu is, geeft nu eenmaal niet meteen de meest dynamische indruk.’

‘Maar de problemen van Charleroi in een jaar tijd oplossen, dat gaat niet. Het komt erop aan een langetermijnstrategie te ontwikkelen. Veertien jaar geleden werd hier 100 man uit Brussel gedropt. Ze kwamen met tegenzin - ik zei het al. Nu zijn we met 1.000 en willen mensen hier graag komen werken. Ik heb goede hoop dat er de komende vijf jaar, mee door onze impuls, 5.000 jobs bijkomen. Dan heb ik het over de hele sector van de life sciences hier in Charleroi - ziekenhuizen inbegrepen. Die telt nu al alles samen 15.000 jobs.’

Mestdagh: ‘De grote moeilijkheid lijkt me dat veel arbeidskrachten hier laag geschoold zijn. Daarnaast krijg je nu die instroom van goed betaalde, meertalige hogeropgeleiden. Maar die twee groepen zijn gescheiden. De grote massa dreigt niet meteen te kunnen genieten van de nieuwe economische ontwikkeling. Ze geraakt geïsoleerd - en protesteert.’

Demonté: ‘Een slimme strategie moet daarmee rekening houden. We hebben bijvoorbeeld programma’s met de Forem, de Waalse VDAB. En ja, iemand omscholen tot laborant kost twee keer meer dan er een metselaar van te maken. Maar het helpt hier een nieuwe toekomst te ontwikkelen. En onze succesratio is 95 procent. We zijn nu aan het kijken hoe we jongeren warm kunnen maken voor biotech, zodat ze over tien-vijftien-twintig jaar in onze labs komen werken. Alles moet in elkaar haken. En als de tools er niet zijn, dan moeten we ze ontwikkelen.’

Mestdagh: ‘Ik zat een tijd geleden op restaurant met een economische missie uit Duitsland. Het waren toppers uit de politiek en het bedrijfsleven. Door het venster zag je op straat vakbondsvlaggen, palletten en autobanden liggen. Ik was echt beschaamd. Hoe wil je dat mensen investeren als dát hun eerste indruk is van je stad?’

Demonté: ‘Alle betrokken partijen erkennen intussen de problemen van le centre-ville. Er staan forse investeringen op stapel. Dat moet ook. Het heeft geen zin om hier nieuwe, hoogwaardige jobs te creëren als de stad zich niet méé ontwikkelt - en vice versa. Maar: we spreken - onvermijdelijk - over een periode van vijf tot tien jaar.’

‘Er komt wel een dynamiek op gang. Ik ging een tijdje geleden lunchen met een bedrijfsleider, een vakbondsman en een sectorverantwoordelijke. Op papier zijn dat erfvijanden, maar de hele tijd ging het over: wat kunnen we, elk vanuit ons eigen belang en onze eigen logica, sámen doen? Als Charleroi eindelijk vooruitgaat, wordt iedereen daar beter van. Dat besef is aan het rijpen.’

Wakkere nachten

Er begint van alles te bewegen. Dat zegt ook PS-kopstuk Paul Magnette, titelvoerend burgemeester en Waals minister-president. Hij onderbreekt even zijn vakantie voor wat telefonisch commentaar. Ook hij verbloemt niets.

Paul Magnette: ‘Toen ik in Charleroi aankwam, leek het er wel Detroit. Er werden openlijk drugs gedeald, er was prostitutie, delinquentie, overal verkrotte gebouwen in kapotte straten... C’était la catastrophe. Ik heb daar maanden niet van geslapen. Maar intussen wordt er wel aan gewerkt. We zijn aan het saneren, er zijn een paar grote werven opgestart. Er is een masterplan.’

Grosso modo 500 miljoen euro publieke middelen wil Magnette de komende jaren mobiliseren voor de heropbouw van Charleroi, als hefboom voor privékapitaal. ‘De afgelopen vijf jaar moesten we het met amper 55 miljoen steun van Europa stellen. Dat was weinig - zeker in vergelijking met wat er gebeurde in bijvoorbeeld Bergen en Luik.’

Magnette: ‘In oktober heb ik een vastgoedcongres georganiseerd. Precies om dat negatieve imago van Charleroi te doorbreken, en investeerders te laten zien dat er een tienjarenplan is. Er is ook een comité van strategische ontwikkeling, dat heel goed werkt. Met ondernemers, vakbondsafgevaardigden en vertegenwoordigers van de vier politieke families in Wallonië - PS, cdH, Ecolo en MR. We zien elkaar één keer per maand.’

‘In een eerste fase ging het vooral over industriële ontwikkeling en vorming. Nu probeer ik ook stadsontwikkeling op de agenda te zetten. Vastgoed wordt hier de volgende bron voor welvaartscreatie. Zoals dat eerder al in Brussel gebeurde, en in Vlaanderen.’

De economische dynamiek van de vlakbij gelegen zoning van Gosselies is daarbij ‘uitermate belangrijk’, luidt het.

Magnette: ‘Je hebt daar niet alleen de biotech, maar ook de luchthaven natuurlijk, en de hele logistieke sector - denk aan de recente investering van de Groupe Mestdagh. Er zijn dus ook jobs voor niet-hooggeschoolden. Een van de drama’s van Charleroi was dat zich dat allemaal buiten en naast de stad ontwikkelde. Werknemers van de luchthaven of het wetenschapspark hadden bijna allemaal postcodes in Waals-Brabant, Louvain-la-Neuve of Namen. Maar ook daar komt stilaan verandering in. 30 procent komt nu al uit Charleroi. Dat blijft zwak - maar het is een begin.’

‘Er is tijd nodig. Kijk naar Antwerpen en Gent. Daar heeft de renovatie ook jaren geduurd. Maar ik heb goede hoop dat we tegen 2017, 2020 een kantelpunt bereiken.’

Industrieel litteken

Hoop. Geld. Strategie. Tijd. Daarmee werd ook BioPark gebouwd. Maar zullen zulke hoopgevende initiatieven de industriële littekens van Charleroi kunnen doen vervagen? Wereldwijd proberen landen en regio’s investeringen in biotechnologie binnen te halen. Kan een piepjong wetenschapspark in de achtertuin van een zwaar gehavende stad competitief blijven in die moordende concurrentiële markt?

Demonté: ‘Toen ik directeur werd, in 2010, gaf ik een presentatie op een groot congres in China. Nadien kwam er een man naar me toe. ‘Ik run iets gelijkaardigs in Sjanghai’, zei hij. Waarop ik: ‘O, met hoevelen zijn jullie?’ Antwoord: ‘100.000.’ (lacht) Mijn eerste idee was: ik verhuis. Mijn tweede idee - toen ik al een beetje bekomen was: we moeten specialiseren. Dat is de enige manier om als kleine speler het verschil te maken. We doen dat ook. We zetten heel hard in op immunologie, celtherapie en moleculaire beeldvorming.’

Mestdagh: ‘Interessant. In een totaal andere sector moet ik precies hetzelfde doen: specialiseren. Soms is dat aartsmoeilijk. Na de dioxinecrisis zetten alle grote ketens in op biologische producten. Wat doe je dan, als relatief kleine speler? Mee op die kar springen? Heel veel geld en energie stoppen in het veroveren van 1 à 2 procent marktaandeel? Nee, dus. Je moet je onderscheiden. Telkens nieuwe niches aanboren. Zo overleven we.’

Demonté: ‘Hoe halen we biotechbedrijven naar Charleroi? Met fiscale instrumenten? Die heeft elke regio. Lagere loonkosten? Helaas, geen competitief voordeel. En hoe dan ook zelden een argument in onze sector, met hypergespecialiseerd personeel. Zijn we het hart van Europa? Zo promoot elke regio zichzelf.’

‘Nee. Waar het op aankomt, is: een uniek weefsel uitbouwen van academische expertise, infrastructuur voor onderzoek, grote industriële spelers, kmo’s en uiterst gekwalificeerde arbeidskrachten. Dat hebben we hier intussen, evenals de grote spelers van wereldniveau - met GSK en UCB.’

Mestdagh: ‘Hebben jullie geen schrik van delokalisatie? Grote spelers die plots wegtrekken?’

Demonté: ‘Precies zo’n uniek weefsel kan je daartegen beschermen. Dat vinden bedrijven niet zomaar elders. Dat is werk van jaren - zelfs decennia. Maar als het er eenmaal is, krijg je wel allerlei hefboomeffecten waar wij hier nu van beginnen te profiteren. Ik heb ooit een Rus gesproken die met 1.000 miljard dollar - ik heb hem dat bedrag een paar keer laten herhalen - een ICT- en wetenschapspark uit de grond wilde stampen. Maar met geld alleen kom je er niet. Je hebt een netwerk nodig. En dus tijd.’

‘In India is er een park dat rond gelijkaardige expertise als die van ons wil werken. Je kan daar wakker van liggen. Je kan ook zeggen: ‘Laten we zien wat we samen kunnen doen.’ Als je met zo’n park slimme partnerships sluit, kan je een Europese uitvalsbasis worden. Dat is onze visie. Ook voor België, trouwens. Ik zou kunnen proberen om Wallonië te verkopen, internationaal. Of: Charleroi. Maar landen, regio’s of steden, dat interesseert investeerders niet. Wat zij willen is een ecosysteem. Alles moet in elkaar haken.’

Binnenkort plant Demonté een ontmoeting met de luchthavenbazen. ‘Tot voor enkele jaren zaten we gewoon toevallig in hetzelfde bedrijvenpark. Weinig mogelijkheden tot samenwerking. Maar ook dat verandert, als je een centrum voor celtherapie ontwikkelt, en een centrum voor protontherapie in de buurt hebt. Dan wordt het plots zéér relevant dat je op 3 minuten van een luchthaven zit die 190 bestemmingen aandoet. Er komen almaar meer puntjes bij in het netwerk. Het komt erop aan ze slim met elkaar te blijven verbinden.’

Met kruispunten of rotondes - dat lijkt er allang niet meer toe te doen. Ook dat is vooruitgang.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect