Advertentie
Advertentie
reportage

‘Je gaat zoeken op plekken waar een lichaam het meest kans heeft te blijven steken’

Emmanuel Meers en Sophie Deroux hadden twee maanden geleden hun keuken vernieuwd. Er blijft niets van over. ‘Mais on vit.’

36 doden en 11 vermisten: dat was gisteren de, voorlopige, balans van de natuurramp die zich vorige week in België voltrok. Du jamais vu en het zoeken gaat voort. Langs de Vesder, de Ourthe en de Maas. ‘We zoeken ook vandaag nog verder, meer stroomafwaarts.’

Het is woensdagavond 14 juli, bijna nacht, 23.44 uur. Cédric Halin, de burgemeester van Olne, krijgt een sms: ‘Het is 23 uur voorbij. Onze weg is al in slechte staat en nu komt iemand met een grote quad hem nog wat meer kapotrijden. Hij heeft mijn muurtje geraakt. (…) Ik heb zijn nummerplaat. Ik weet dat er nu grotere zorgen zijn, maar ik wilde het u toch laten weten.’ Halin antwoordt: ‘Misschien was het iemand die zijn naasten wilde helpen. Op dit moment is het een catastrofe op de N61. Blijf goed op het droge.’

Een week later staat Halin aan de oever van de Vesder, nog nét in zijn dorp. ‘De man met zijn quad was, toen het water overal begon te stijgen, inderdaad beginnen rond te rijden om mensen te redden’, vertelt Halin. ‘Blijkbaar is hij zelf verrast door het water. Il est mort. Zijn lichaam is teruggevonden.’

De man uit Olne is een van de 36 dodelijke slachtoffers van wat de geschiedenis kan ingaan als de ramp van Pepinster. Of van Trooz, Verviers, Chaudfontaine, Nessonvaux, Fraipont. De ramp van de zomer van 2021 waarin water uit de hemel dat van de Ourthe, de Maas en de Vesder liet aanwassen en naast al die materiële schade vooral mensen opeiste. Zeker 36 dus en, gisteren, nog 11 vermisten.

Hier staan we dus, in een veld langs de weg die van Trooz via Nessonvaux naar Olne voert. Waar we nu staan, zouden we zeven dagen geleden verdronken zijn. ‘Dit was een meer geworden’, zegt buurtbewoner Emmanuel Meers, en nu het water is weggetrokken is dit het resultaat. Een lange sliert van vuilnis, stereoketens, botervlootjes, ijzeren pontons, kleren, bomen, vuiligheid. ‘Daarnet zijn we op een grafsteen gestoten. Die was zomaar afgerukt en meegesleurd. We hebben een verhakkelde quad gevonden en dode schapen en geiten. Water is zo krachtig’, zegt Rony Vandaele, de directeur van de Directie Hondensteun/Direction Appui Chien (DACH) die met een team van vier mensen en honden al dagenlang zoekt naar, inderdaad, dode mensen. Vandaele was er al bij toen in 1987 de Herald of Free Enterprise zonk en het team dat hij nu leidt, maakte de ramp van 2011 in Pukkelpop mee, de aanslagen in Zaventem in 2016 en de recente zoektocht naar Jürgen Conings. Ze hielpen bij aardbevingen in Pakistan en Turkije en bij de tsunami in 2004. ‘Maar dit heb ik nooit eerder meegemaakt’, zegt Vandaele. ‘Vooral vanwege de oppervlakte waarin we moeten zoeken.’

Dat we hier staan, is geen toeval. Niet het resultaat van een lukrake ingeving. ‘De omvang van de ramp in combinatie met het aantal vermisten in de eerste dagen maakte dat we bijna over de hele provincie Luik moesten zoeken’, zegt Kris Cardoen, diensthoofd Cel Opleiding van DACH. ‘Naarmate dat aantal vermisten kleiner werd, konden we gerichter zoeken. Bij een verdwijning zijn twee zaken van belang: last known position en point last seen.’

Met een van onze honden gaan we op het water en dan op het eilandje. Zelfs vanop het water ruiken die honden of er menselijke resten zijn.
Kris Cardoen
Diensthoofd Cel Opleiding DACH

Aan de andere kant van de Vesder wonen bezorgde mensen. Toen vorige week de rivier het van de mens overnam, verdween hun zoon. Sinds een week hebben ze geen nieuws. ‘We wachten op een bootje van de civiele bescherming’, zegt Cardoen. ‘Op deze plek in de rivier is een eilandje. Met een van onze honden gaan we op het water en dan op het eilandje. Zelfs vanop het water ruiken die honden of er menselijke resten zijn.’

Voor alle duidelijkheid: dit is het team dat met lijkhonden werkt. In de koffer van de politiewagen zit Walace, een springerspaniël, daarvoor opgeleid. Walace zoekt naar doden, want zover zijn we na een week. ‘Het is nu zo specifiek dat we zoeken op die plekken waar een lichaam het meest kans heeft te blijven steken. Dat heeft de voorbije dagen zeker iets opgeleverd.’ Dat zijn dus dode mensen, maar uit respect voor die mensen en hun nabestaanden moeten we niet verder vragen. Er is alleen de vaststelling dat het dodenaantal wat steeg en het aantal vermisten daalde. Vandaele en Cardoen knikken. Ze zeggen wel dit: ‘Soms zoek je naar een vermiste, maar als mama dan door de familie toch teruggevonden wordt, vergeet men de politie al eens in te lichten.’

Wie door de dorpen rijdt, ziet wat vorige week gebeurde en de schade is enorm. Een week later staan verhakkelde wagens in Fraipont, rusten militairen tegen een gevel uit, spuiten mensen met water de ellende die het wassende water meebracht af. Het werk is immens en wie dicht bij de rivieren woonde, zag de wereld instorten. Amper een paar kilometer verder, ook nog in Pepinster maar hogerop, genieten mensen op het terras van café D’un Coin à l’Autre in Soiron en rijdt een man zijn gras af. Zes kilometer van levensgeluk.

Over die zes kilometer rijd je makkelijk drie kwartier. Of langer. Wegen zijn verbrokkeld, afgesloten, je wordt omgeleid, misschien dat alle wegen wel naar Rome leiden, maar vanuit Olne naar het bedevaartsoord in Banneux (normaal net geen zeven kilometer) rijd je een uur. Ook hier ben je dus niet zover van de ramp, maar in L’Hospitalité Notre-Dame bij het bedevaartsoord vinden op deze donderdag 148 mensen onderdak. Een bed, droge kleren, eten, psychologische bijstand, hulp van sociale assistenten. ‘Het zijn mensen uit Trooz, Chaudfontaine, Chanxhe en het woon-zorgcentrum van Tilff’, zegt François Delarbre van het bedevaartsoord. ‘Vorige woensdag kregen we een telefoon van de gemeente: ‘Kunnen jullie mensen herbergen?’ Natuurlijk kunnen we dat. Dit is de Maagd der Armen, hier kunnen 360 bedevaarders overnachten. We zijn er om te helpen.’

Er was zelfs geen keuze. De gouverneur vorderde L’Hospitalité op, ten minste tot 17 september. Dat zegt iets over de nood en de omvang. ‘We zegden alle boekingen voor bedevaarders af’, zegt Jean-Pierre Delville, de bisschop van Luik die deze namiddag op bezoek is. ‘Vorig jaar was door corona alles leeg, nu hadden we veel boekingen. Maar wanneer moet de Kerk er zijn? Toch nu, in zulke gevallen van nood?’

De bisschop zag vorige week, vanuit zijn paleis aan de oevers van de Maas, hoe het water steeg. Uur na uur. ‘We brachten oude waardevolle boeken in veiligheid, maar om 18 uur zagen we dat het water net aan de bovenste trap stopte. We hadden geluk. Maar zeker 30 kerken in de provincie Luik overstroomden, de pastoor van Verviers zag zijn auto voorgoed wegvaren en de pastoor van Fraipont zat twee dagen op de tweede verdieping voor hij bevrijd kon worden. De man is 83. Hij is bevrijd door Franse hulptroepen. En hij is er ondanks zijn leeftijd goed vanaf gekomen.’

Aan tafel schuift Jemima Costa bij. Ze is 22 en moeder van een dochtertje van 2 dat Grace-Ofelia heet. Op de tweede verdieping van een van de gebouwen delen ze kamer 208 met Jemima’s moeder. Die heet Grace. ‘Ik denk dat we ons leven aan God danken’, zegt Costa en dan begint een verhaal van wat niemand zich kan voorstellen. Ze woonden in Trooz en die ochtend van 14 juli, om 4 uur ’s ochtends, stond haar zus op. Ze zou de vroegste trein naar Brussel nemen. ‘Ze zei: ‘Tiens, er is geen verkeer op straat. Et la rivière est forte.’ Maar het was donker en ze ging naar het station. Daar zei iemand dat er geen trein zou komen.’

Eerst kwam het in de straat. Dan in het huis. Het huis, dat we huurden, begon te bewegen. De buren riepen: ‘We moeten weg!’
Jemima Costa
Opgevangen in kamer 208 van L’Hospitalité Notre-Dame

Er was nog geen paniek. Drie jaar geleden trad de Vesder in Trooz ook al eens buiten de oevers. Jemima’s zus keerde terug naar huis en ging weer slapen. Maar stilaan steeg het water. ‘Eerst kwam het in de straat. Dan in het huis. Het huis, dat we huurden, begon te bewegen. De buren riepen: ‘We moeten weg!’ Ik dacht dat ons dorp in elkaar zou zakken. Er was geen internet meer, geen elektriciteit, geen radio. We wisten niets. We vertrokken.’

Ze waren met zes. Zij, haar moeder en dochter, die oudere zus en dan nog een kleinere broer en zus. Ze namen weinig mee. Wat kleren en luiers voor Grace-Ofelia. Iedereen zijn identiteitsdocumenten. ‘We wandelden vijf uur. Tot in Beaufays. We waren doordrenkt. Aan sterven dacht ik niet door mijn geloof dat God ons zou redden, maar we huilden de hele weg.’ Die avond, rond 22 uur, bereikten ze Beaufays. Een gezin (‘Mensen die we niet kenden’) bood een bed, eten, een nacht om te overleven. Een dag later werden ze naar Banneux gebracht. Een week later beseft Jemima dat God niet iedereen redde. ‘Maria is een vrouw van 82 uit Trooz. Ze is alleenstaand, ik ging regelmatig op bezoek om haar gezelschap te houden en boodschappen te doen. Ze woonde op twee minuten wandelen van bij ons. Ik heb gehoord dat ze gestorven is.’

Jemima Costa, met haar dochter Grace-ofelia en haar moeder Grace. Ze moesten op vlucht voor het wassende water.

Hoe de situatie in Trooz vandaag is, weet ze niet. De wegen zijn geblokkeerd, zegt ze, ze kunnen er niet geraken. Met de huisbaas hadden ze nog geen contact. ‘Misschien is dat wel wat ze trauma noemen. We ontkennen nog wat er gebeurd is. We kunnen er wel naar vragen, maar ik durf niet.’

Buiten zit een jonge vrouw op een plastic stoel. Ze heeft een naam, maar die mag niet in de krant. Ze heeft vijf kinderen. Met drie van hen woonde ze in Pepinster. ‘Toen het water beneden op schouderhoogte kwam, ben ik gevlucht. Mijn jongste, van 4 jaar, op mijn schouders. En alleen. Mijn ex, de vader van mijn jongste drie, woonde niet meer bij ons. We klauterden een muurtje op en konden dan via een talud en de spoorweg mijn auto bereiken die hoger stond.’

Ik bel me gek, maar een huis of een appartement vinden met vijf kinderen en een hond en met een budget van 600 euro, is bijna niet te doen.
Anonieme vrouw

Ze konden terecht bij haar ex-schoonmoeder, tot dinsdag. ‘We hadden een discussie en ze heeft ons buitengezet. Toen zijn we hier terechtgekomen. Natuurlijk is dit een plek om tot rust te komen, maar niet om te blijven. Het probleem is iets nieuws vinden. De huisbaas liet weten dat daar wonen geen optie meer is. Ik bel me gek, maar een huis of een appartement vinden met vijf kinderen en een hond en met een budget van 600 euro, is bijna niet te doen.’

148 mensen, had Delarbre gezegd. Het is een getal dat elke dag verandert. Hij kreeg al telefoon van de gerechtelijke politie: of die persoon in Banneux verbleef. Jawel. Een vermiste minder. Jemima Costa toont ons haar kamer: twee bedden, een voor haar en een voor haar moeder. Een babybedje tussen beide in. Haar broertje en twee zussen zijn naar Brussel, waar ze bij kennissen terechtkonden. ‘De twee kleinere lagen hier nachtenlang te huilen. Zij zijn getraumatiseerd.’ Op het bed van moeder ligt de Bijbel opengeslagen. Op haar bed een boek van de autorijschool. ‘Dat heb ik nog meegenomen’, zegt Jemima, die net haar eerste jaar voor sociaal assistente achter de rug heeft. ‘Ik heb herexamens. Geen idee of ik die kan meedoen. We zijn alles kwijt.’

Terug naar Olne. Burgemeester Halin klopt deur na deur aan en luistert naar de verhalen. Maar hij is ook boos. Om de nalatigheid van het Waals Gewest, om de berichten dat de barrage van Eupen niet werkte, om het feit dat hij die woensdag niet één waarschuwing kreeg. ‘Als ik een telefoon of een sms had gekregen met de melding dat de mensen langs de Vesder geëvacueerd moesten worden, was ik zelf met een bus van de gemeente naar hier gereden om al die mensen weg te halen. Maar er kwam niets.’

Alleen die sms over die quad dus en nu kijken we naar de ellende van Sophie Deroux en Emmanuel Meers. Hij toont een foto van die dag, door de buurman aan de overkant van de rivier gemaakt. Het water stond tot boven de eerste verdieping van zijn huis. ‘Het was een meer’, zegt Meers. ‘We wonen hier zeven jaar. Toen het water binnenkwam, tot aan onze knieën, gingen we wat hoger met de vijf honden in de auto wachten. Maar plots kwam het water ook daar. We zijn apart weggereden: ik naar Verviers, mijn vrouw naar vrienden. We wilden kijken of we konden helpen. Maar we raakten zelf geblokkeerd.’

Waar het meer was, staan we nu. Wat het water deed, zien we. De hele tuin is gevuld met de door modder vervuilde inboedel. Het hele huis is leeg en door water en modder verwoest. Twee ingenieurs hebben wel net vastgesteld dat het nog stabiel is. ‘Maar kijk: onze keuken hadden we twee maanden geleden vernieuwd. Nieuwe kasten, pas geverfd, nieuwe Amerikaanse ijskast.’

Er is niets over. ‘Mais on vit’, zegt Emmanuel dan. ‘Voorlopig wonen we in onze caravan, met de vijf honden. Maar we komen over zes maanden eens terug. Of volgend jaar. Zelfs met dit gaan we aan de slag. Er is geen keuze. Je moet moed houden.’

Het bootje van de civiele bescherming met daarin de leden van de directie Hondensteun en Walace, de springerspaniël, gaat de Vesder op. Naar het eilandje, rond het eilandje. Het wordt een intensieve zoektocht. ‘Als er iemand ligt, vindt die hond ’m’, zegt Vandaele. ‘Niet aan twijfelen.’

Het wordt een lange zoektocht. Een dag later sms’t Vandaele: ‘De zoekactie op het eilandje was negatief. Er zijn nog altijd elf vermisten. Vandaag zoeken we onverminderd verder met de honden op de oevers en vanop het water. Meer stroomafwaarts.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud