analyse

Basta euro?

©Filip Ysenbaert

Tijdens de eurocrisis werd onze munt onder vuur genomen van op de financiële markten en trok de politieke wereld de verdediging op. Vandaag toont Italië hoe de vijand binnenin kan zitten en de verdedigingsmuur laat verkruimelen.

We zijn intussen wel wat gewend. Maar als op de financiële markten iets gebeurt wat zelfs in de afgelopen tien jaar van financiële crisis ongezien is, dan gaan de alarmbellen af.

©Mediafin

Dat de Italiaanse rente op twee jaar dinsdag in één dag van 0,90 naar 2,76 procent schoot, was zo’n alarmerende gebeurtenis. ‘De tweejarige rente op staatsleningen wordt verondersteld zich niet op deze manier te gedragen’, reageerde Deutsche Bank-econoom David Folkerts-Landau alsof het een stoute kleuter betrof.

Folkerts-Landau dook in de recente financiële geschiedenis van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Japan, Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië én Spanje, en vond geen enkel precedent. Het vorige dagrecord voor de tweejaarsrente stond op een sprong van 146 basispunten en dateert van 4 oktober 1982 in de VS. De Italianen verpulverden het record dinsdag met 186 basispunten.

Financiële markten werken als een koortsbarometer. En ze toonden deze week dat Italië ziek is. Toch staat in Rome geen exacte herhaling op de agenda van wat we in de eurocrisis in Griekenland, Spanje, Portugal, Ierland of Cyprus zagen. Die landen kwamen in de problemen omdat ze hun schulden niet meer konden aflossen. Dat leidde tot paniek, tot reddings- en daarna besparingsplannen, waartegen kiezers dan revolteerden.

In Italië is de richting omgekeerd. Het land groeit, het begrotingstekort slinkt dit jaar naar 1,7 procent en zelfs de banken hebben almaar minder problemen met leningen die niet worden afbetaald. Puur financieel is er geen reden om je zorgen te maken dat Rome morgen de rekeningen niet zal betalen. Het probleem is echter niet financieel, maar politiek: de Italiaanse kiezer revolteert en niets wijst erop dat hij van plan is in te binden.

De politieke analyse is simpel: de linkse Vijfsterrenbeweging en de extreemrechtse Lega trokken in maart naar de verkiezingen met de belofte om de werkwijze van Europa om te gooien. De Italiaanse kiezer gaf hun daarvoor een ruim mandaat: de twee partijen hebben samen de meerderheid in het parlement. Toen president Sergio Mattarella zondagavond de weg naar de macht versperde en een technocraat voordroeg als premier, deden de Vijfsterrenbeweging en de Lega dat af als een coup van de Europese elite. Daarna stegen ze nog hoger in de peilingen.

‘Dit is geen democratie’, foeterde Matteo Salvini van de Lega. Hij heeft ergens een punt. De regering die na deze politieke crisis aantreedt wordt de 65ste sinds de Tweede Wereldoorlog. In Italië veranderen ze van regering zoals een automobilist jaarlijks van zomerbanden wisselt.

De laatste keer dat de Italianen bovendien een premier kregen die ook een boegbeeld was in de nationale verkiezingen, was toen Silvio Berlusconi in 2008 eerste minister werd. Mario Monti? Enrico Letta? Matteo Renzi? Paolo Gentiloni? Niemand van hen vroeg een mandaat aan de kiezer voor hij de regering ging leiden. Geen enkele Italiaan kon op hen stemmen in nationale verkiezingen.

De politieke impasse blijkt ook uit iets anders: in een ideale wereld organiseert de overheid publieke diensten en vraagt ze daarvoor belastinggeld van de burgers. Als er te weinig draagvlak is voor het beleid en burgers er niet willen voor betalen, kan je dat falen verhullen door geld te lenen. Italië heeft een staatsschuld van 130 procent van het bruto binnenlands product (bbp), wat zelfs naar Belgische proporties veel is. Het bewijst dat de politieke wereld in Rome haar zaakjes niet op orde krijgt.

Verdwenen liefde

Tegen de achtergrond van die haperende politiek zijn de Italianen de voorbije jaren hun geloof in de Europese Unie kwijtgeraakt. Martin Wolf, de hoofdeconoom van Financial Times, noemde dat deze week ‘een onwaarschijnlijke gebeurtenis’. ‘Italië was in de jaren negentig zonder twijfel de meest gepassioneerde eurofiel van de grote landen, dat geloofde dat het levensbelangrijk was om tot de eurozone toe te treden.’

Maar de liefde is verdwenen. De eurobarometer, de halfjaarlijkse enquête die de Europese Commissie al decennia houdt, bevestigt dat. Tot begin jaren 2000 waren acht op de tien Italianen voorstander van de euro. De voorbije vijf jaar kabbelde die steun nog maar tussen 53 en 59 procent. Italië is het meest eurosceptisch van de 19 eurolanden.

Wat is er zo verkeerd gelopen? De economische data leren dat Italië nooit zijn voordeel heeft kunnen doen met de euro. In 2000 was het bbp per inwoner in Italië nog 3 procent hoger dan het gemiddelde van de 19 eurolanden. In 2006 keerde dat. In 2017 lag het 13 procent lager.

In Italië is de eurocrisis bovendien nog altijd voelbaar. Het niveau van welvaart dat het land in 2007 had, zal het volgens de recentste prognoses pas in 2020 weer bereiken. In Italië is dus nog bezig wat in België al lang voorbij is: ons land overschreed drie jaar geleden al opnieuw het bbp per capita van 2007 en liet toen de crisisjaren achter zich. In Italië is nog altijd een op de drie jongeren werkloos.

Die cocktail van economische achteruitgang, verloren geloof in de Europese toekomst en de klassieke Italiaanse politieke chaos joeg investeerders deze week de stuipen op het lijf, toen duidelijk werd hoe de Vijfsterrenbeweging en de Lega de rollen hadden omgedraaid. President Mattarella mocht hen dan zondag de toegang tot de macht hebben versperd, zij versperden vervolgens de weg voor de technocratische kandidaat-premier Carlo Cottarelli.

Met succes. Ze konden dat omdat zede vorige verkiezingen wonnen en de volgende wellicht nog zwaarder gingen winnen. Met die electorale hefboom slaagden ze erin de jurist Giuseppe Conte weer te laten aanstellen als formateur. Vrijdag legde die als premier de eed af en stelde hij de 65ste naoorloogse Italiaanse regering voor.Op papier hebben de links-populistische Vijfsterrenbeweging en de extreemrechtse Lega voor vijf jaar de touwtjes in handen in de derde economie van de eurozone.

Ramkoers

De Italiaanse president Sergio Mattarella. ©AFP

De vraag wordt wat dat zal geven. Zodra de eurosceptici aan de macht zijn, dreigt het monster van de eurocrisis zich weer met volle kracht te roeren. Zoals in 2015 Syriza de spelregels van de eurozone uitdaagde vanuit Athene, met de bijna-dood-ervaring van de euro tot gevolg, zo willen ook de Lega en de Vijfsterrenbeweging een beleid voeren dat hen op ramkoers brengt met de rest van de eurozone.

De Lega wil de pensioenhervormingen terugdraaien die Italië onder premier Mario Monti nam en die nodig waren om het land financieel gezond en geloofwaardig te houden bij de schuldeisers. De Vijfsterrenbeweging wil dan weer een basisinkomen invoeren dat Italië gewoon niet kan betalen.

De twee partijen lieten ook al een plan uitlekken waarbij de Europese Centrale Bank (ECB) 250 miljard euro die ze aan Rome heeft geleend, gewoon kwijtscheldt. Dat is strijdig met de Europese verdragen en ondenkbaar in Duitsland, maar die twee bezwaren hielden ook het Griekse Syriza in 2015 zes maanden lang niet tegen om toch een gevecht te leveren.

Opnieuw toont dit hoe het Italiaanse probleem niet financieel maar politiek is. De twee partijen die het parlement domineren, zijn vastbesloten een beleid op te leggen dat zo goed als zeker financiële problemen zal veroorzaken.

Na de koortsopstoot van dinsdag kalmeerden de markten. De rente daalde weer, de Italiaanse regering haalde woensdag vlotjes geld op en de aandelenbeurs in Milaan herstelde. Maar die rust is bedrieglijk, omdat niets is opgelost. Matteo Salvini, de leider van de Lega, mag dan zijn ‘Basta euro’-slogan niet meer herhalen, hij blijft verkozen met een mandaat om de euroconsensus te doorbreken. Hetzelfde geldt voor de Vijfsterrenbeweging.

Niet meer ondenkbaar

Voor alle duidelijkheid: niemand denkt dat het bijzonder waarschijnlijk is dat Italië zichzelf vrijwillig uit de euro duwt. Het punt is eerder dat dat scenario sinds deze week ook niet meer compleet ondenkbaar is. En dat volstaat voor immense zorgen. Want het zou een catastrofe zijn, aldus Wolf.

De harde cijfers over de staatsschuld leren waarom. Rome heeft een staatsschuld van 2.300 miljard euro boven zijn hoofd hangen. Dat is meer dan de overheidsschuld van Duitsland. Zelfs meer dan die van Frankrijk. Het is zelfs 18 procent meer dan de overheidsschulden van Spanje, Griekenland, Portugal, Ierland en Cyprus samen. Stel dat het verkeerd loopt, dan barst dus een eurocrisis los die alle vorige doet verbleken.

Alleen al de gedachte aan dat nachtmerriescenario is krachtig en heeft de Europese politiek deze week veranderd. Het idee dat Mario Draghi volgend jaar door een Zuid-Europeaan wordt opgevolgd aan het hoofd van de ECB, is nu helemaal ondenkbaar geworden, zeggen diplomaten. Duitsland en de noordelijke landen zullen niet dulden dat er ook maar één kans is dat ze moeten meebetalen aan Italiaanse problemen.

In dezelfde logica wordt het interessant om te zien hoe de regeringsleiders en de staatshoofden van de EU-landen later deze maand op een Europese top tegen de bankenunie aankijken. Want het idee om een Europees vangnet onder al het spaargeld in Europa te leggen betekent op dit moment dat elke Europeaan mee de schade incasseert als Italiaanse banken omvallen. En die banken hebben helaas gemiddeld een vijfde van hun kapitaal in Italiaans staatspapier zitten. De bedoeling was na de financiële crisis zulke banden door te knippen, maar zeker in Italië is dat nog niet gebeurd.

Het idee dat we de pagina van het crisismanagement konden omslaan, mag weer worden opgeborgen.

Dat doet er immens toe. Het mechanisme dat naar een compromis over meer Europese samenwerking leidt, is dat eerst de risico’s moeten dalen en dat ze dan pas kunnen worden verdeeld over alle landen. Deze week zijn de risico’s op bankenproblemen gestegen.

In dezelfde lijn wordt het voor de ECB veel moeilijker haar reddingsbeleid af te bouwen. De zakenbank UBS gaat ervan uit dat de ECB niet anders kan dan haar uiterst soepele beleid - in het jargon bekend als quantitative easing - minstens tot eind dit jaar te laten doorlopen.

Zo heeft de renteopstoot in Italië deze week een streep getrokken onder het jaartje optimisme dat de verkiezing van Emmanuel Macron als Frans president in Europa bracht. Voor zijn plannen om de eurozone steviger te maken en minder te laten steunen op de regeringen in de Europese hoofdsteden, kruimelt de steun weg. Het idee dat we de pagina van het crisismanagement konden omslaan en aan de toekomstplannen konden beginnen, mag weer worden opgeborgen.

Dus diepten de analistenrapportjes van internationale banken deze week de crisisscenario’s weer op. Omdat Italië zo’n schuldenprobleem heeft, zijn ze als volgt samen te vatten. Ofwel heeft de ECB te weinig munitie om Italië te redden. Ofwel kan ze samen met de Commissie en de Raad het echt grote geschut bovenhalen, maar dan moet Italië het wel zelf vragen.

Het Europese reddingsfonds ESM kan tot 500 miljard euro lenen om landen te helpen, maar dan moeten de Vijfsterrenbeweging en Lega wel toestaan dat de technocraten uit Frankfurt en Brussel in Rome het besparingsbeleid komen opleggen waartegen ze nu fulmineren. Ook de ECB kan het grote geschut bovenhalen - het nog nooit gebruikte OMT-reddingsprogramma - maar ook dan moet Rome bereid zijn orders uit Frankfurt te ontvangen. Op dit moment is dat politieke fictie.

Vredesproject

Het geeft aan hoe moeilijk oplosbaar deze crisis is, ook al ontploft ze nog niet. Toen de Griekse crisis losbarstte en op de financiële markten de speculatie over het einde van de euro begin, trokken de Duitse bondskanselier Angela Merkel en de Franse president Nicolas Sarkozy naar het Wereld Economisch Forum in Davos om er de verdediging op te trekken. ‘De euro is meer dan een economisch project’, zeiden ze toen allebei tot de zaal vol CEO’s en Wall Street-bonzen. ‘De euro is het sluitstuk van zestig jaar vrede. We zullen de munt nooit laten vallen. Nooit.’

Het is wellicht het punt dat Angelsaksische critici op de euro de voorbije zeven jaar niet goed genoeg snapten. Economisch hapert er ontegensprekelijk vanalles aan de euro. Hij is een munt zonder land, en de 19 eurolanden zijn landen zonder eigen munt. Dat creëert lastige spanningen. Maar de politieke wil om die spanningen beheersbaar te maken en de euro te redden was enorm.

Lega-kopstuk Matteo Salvini. ©AFP

Het gevaarlijke aan de Italiaanse situatie is dat uitgerekend die politieke verdediging verkruimelt. Vanuit die gedachte groeide de nervositeit op de markten.

Het roept vragen op die we ook in andere landen moeten stellen. De CDU/CSU van Merkel haalde vorig jaar de zwakste score sinds de Tweede Wereldoorlog. Wat wordt dat bij de volgende verkiezingen voor de grootste economie van de eurozone? En wat gebeurt er in Frankrijk als Macron mislukt? Moeten we in 2022 alsnog vrezen voor de extreemrechtse Marine Le Pen in de tweede economie van de eurozone?

En dan Spanje, na Italië de vierde economie van de eurozone. Krijgt het land zijn democratie weer op de rails? Het gaat daarbij niet eens over de problemen die Mariano Rajoy deze week de kop kostten. De laatste keer dat het land nog werd bestuurd door een volwaardige regering die kon steunen op een meerderheid in het parlement, was eind 2015.

Van 2010 tot 2015 lag de euro onder vuur omdat er van buitenaf - vanop de markten - op werd geschoten. De EU reageerde met reddingsfondsen, resolutiefondsen om banken zonder schade failliet te laten gaan, beter toezicht op landen en banken. De ECB haalde haar bazooka boven om alle onrust op de markten weg te schieten. Het hielp.

Maar dat was tegen de vijand van buitenaf. Nu zit het gevaar binnenin.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect