‘Landen kunnen enkel zichzelf redden'

Waarom is het ene land rijk en het andere arm? Over die vraag braken al generaties economen zich het hoofd. De Turk Daron Acemoglu, de meest bejubelde econoom van het moment, denkt het antwoord te hebben gevonden. ‘China moet oppassen of het eindigt als de Sovjet-Unie.’

‘Wat? Heb jij nu weer een prijs gewonnen?’ Collega-econoom Joshua Angrist stormt het kantoor van Daron Acemoglu binnen en stoort zich vooral niet aan het feit dat hij midden in een interview zit. ‘Jij wint al die fucking prijzen!’ Dat we ooit het F-woord zouden horen in de wandelgangen van het Massachusetts Institute of Technology (MIT), de multidisciplinaire tempel der wetenschap. Kennelijk is niets menselijks topeconomen vreemd.

Acemoglu stamelt haast blozend een nederige ‘thanks, Josh’ terug, alsof de Erwin Plein Nemmers Prize geen uitzonderlijke onderscheiding is. De naam is misschien niet bekend, maar Acemoglu, die door de jury wordt geroemd voor zijn werk ‘dat antwoorden biedt op vragen uit de echte wereld op een moment dat de bestaande theorieën tekortschieten’, wint er wel 200.000 dollar (150.865 euro) mee. Bovendien staat de Nemmers samen met de John Bates Clark Medal, de prijs voor beste econoom jonger dan veertig, te boek als de ultieme opwarmer voor een Nobelprijs. De 45-jarige Turk heeft ze nu allebei op zijn kast staan.

‘Acemoglu is ongeveer zo hot als een econoom maar enigszins kan zijn’, schreef The New York Times onlangs over de man die vorig jaar door collega’s werd verkozen tot een van de beste economen jonger dan zestig. Voor zijn onderzoek naar het slagen en falen van economische groeimodellen. Op basis van al dat academisch werk schreef hij samen met Harvard-professor James Robinson het weelderig gestoffeerde ‘Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity and Poverty’, een ambitieus boek dat onthaald wordt op superlatieven en vergelijkingen met de ruim 200 jaar oude klassieker ‘The Wealth of Nations’ van de Schotse econoom Adam Smith.

In ieder geval durven Acemoglu en Robinson het aan hetzelfde Grote Vraagstuk uit de economie aan te snijden: hoe komt het dat sommige landen welvarend en succesvol zijn, en dat zoveel andere landen vastzitten in een uitzichtloze cirkel van armoede en chaos?

Het antwoord van de twee is bedrieglijk simpel: politiek. Niets anders dan de politieke instituten bepalen of een land duurzaam economisch succes zal kennen. Acemoglu en Robinson maken een nogal abstract onderscheid tussen ‘inclusieve’ en ‘extractieve’ landen. In inclusieve landen krijgen bewoners de kans te delen in groei en welvaart omdat cruciale ingrediënten als eigendomsrecht, contracten en economische vrijheid een gelijk speelveld creëren. ‘Investeringen en innovatie worden aangemoedigd en iedereen krijgt de kans zijn talenten te ontwikkelen.’

Maar in de wereld zijn helaas veel meer ‘extractieve’ naties: plaatsen waar een autoritair regime de politieke en economische macht beschermt van een kleine elite die zich verrijkt in het nadeel van de massa. ‘Die landen smoren elke zin voor innoveren en ondernemen in de kiem. De kleine groep machthebbers zuigt alle middelen op uit de maatschappij’, verklaart Acemoglu de term ‘extractief’.

Acemoglu en Robinson illustreren met een citaat van Friedrich von Gentz, een ad­viseur van de Habsburgse staatsman Klemens von Metternich in het feodale Oostenrijk van de 19de eeuw: ‘Wij verlangen helemaal niet dat de grote massa het beter heeft en onafhankelijk wordt. Hoe kunnen we anders over hen regeren?’

Onder de knoet

‘Why Nations Fail’ is opgetrokken uit dergelijke historische voorbeelden. Acemoglu en Robinson surfen vlotjes tussen windstreken en tijdperken en nemen lezers mee van het Romeinse Rijk tot het Tahrirplein en van de Maya’s tot Stalin.

De conclusie luidt dat de wortels van de politieke systemen van vandaag diep zitten. Zo zijn op veel plaatsen in de wereld de huidige repressieve regimes geboren uit de slechte gewoontes van Europese kolonisatoren. ‘Europeanen zijn niet de wereld rond gegaan om religie te verspreiden of hun politiek model uit te dragen, maar wel om economische redenen’, zegt Acemoglu. ‘Het hele project was gericht op winst maken en domineren. Jullie Belgen weten dat het vaak meedogenloos was.’

‘Veel van de onrechtvaardige regimes die we vandaag zien, vinden hun oorsprong in de hiërarchische, repressieve cultuur die de kolonisatoren hebben ingevoerd’, aldus Acemoglu. ‘Dat was de meest praktische manier om de lokale bevolking onder de knoet te houden.’ Maar het ging niet altijd zo. Neem het stadje Nogales, pal op de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico. In Nogales, Arizona ligt het gemiddelde inkomen op 30.000 dollar per jaar. In Nogales, Sonora is dat amper een derde. Het verschil? Een grens. Acemoglu verklaart de grote welvaartsverschillen tussen Noord- en Zuid-Amerika door de verschillende strategie die de Europese kolonisatoren boven de Rio Grande toepasten.

‘De Engelsen in het noorden hadden oorspronkelijk net dezelfde intenties als de Spaanse Conquistadores, maar ter plaatse waren er grote verschillen. De dichtheid van de inheemse bevolking was veel kleiner en ze troffen er geen op grote schaal georganiseerde beschaving aan. Bovendien kwamen veel meer middenklassegezinnen over vanuit Europa om er zich te vestigen. Naarmate de nieuwe bewoners meer rechten eisten, ontstond een inclusieve, democratische structuur.’

Politieke connecties

Het perfecte voorbeeld van de verschillen tussen de VS en Mexico zijn de beroemdste miljardairs die ze elk hebben voortgebracht, beide exponenten van de instituten van hun land. De Amerikaan Bill Gates, de filantropische oprichter van Microsoft, ontwikkelde een product dat beter is dan dat van concurrenten en maakte zo niet alleen zichzelf maar heel zijn land rijker. De Mexicaanse telecomtycoon Carlos Slim bouwt monopolies op via zijn politieke connecties, en daar vaart geen enkele andere Mexicaan dan Slim zelf wel bij.

Acemoglu is zich bewust van de kritiek dat de opdeling van landen volgens politieke instituten vaagjes en voor de hand liggend is. ‘Maar het verklaart wijde historische patronen in armoede en welvaart.’ Acemoglu wil breken met de traditionele redenen die ‘de media en sommige academische kringen’ graag geven voor de verschillen in economisch succes tussen landen. ‘Je hoort drie gangbare verklaringen, en ze zijn allemaal weerlegbaar: geografische ligging, culturele en religieuze verschillen, of incompetent leiderschap.’

Acemoglu ziet weinig heil in ontwikkelingshulp zoals die vandaag gebeurt. ‘De intentie van de meeste buitenlandse hulp is ongetwijfeld goed, maar de resultaten zijn pover. Ik denk dat veel mensen het daarover eens zijn.’ Hetzelfde met extern advies van IMF-missies naar financieel noodlijdende landen. ‘Net zoals ontwikkelingsgeld gaat het advies van externe technocraten niets veranderen aan de institutionele structuren. Het is niet omdat je economische groei in gang zet dat de rest wel zal volgen.’

Een gefaald land kan enkel zichzelf redden, meent Acemoglu. ‘De vraag naar verandering moet van het volk komen. ‘Dat zie je in de revo­luties in de Arabische landen. Het is door zulke brede volksopstanden te steunen dat extern geld en advies een verschil kunnen maken.’

Botsende structuren

Maar dat betekent niet dat een oneerlijk regime niet stevig kan groeien. Acemoglu loopt niet hoog op met het groeiwonder China, dat met een combinatie van een autoritair regime en een vrijemarkteco­nomie op het eerste gezicht de stelling van de Turkse econoom onderuithaalt. ‘Sommigen bewonderen China omdat het een totaal nieuwe formule voor economische groei zou hebben ontdekt. Dat is volgens mij verkeerd. De overgang naar een meer inclusieve economie was fenomenaal en heeft miljoenen mensen uit de armoede geholpen. Maar staatsbedrijven zijn nog altijd de grote pilaren van de Chinese economie. De partij controleert de meeste zaken direct of indirect.’

Wat ontbreekt in China is de ‘creatieve destructie’ van de beroemde econoom Joseph Schumpeter. Betere technologieën en ideeën krijgen niet de kans om door te breken en verouderde te vervangen. Acemoglu vertelt het verhaal van Dai Guofang, die in 2003 vijf jaar cel kreeg omdat hij een staalbedrijf was begonnen dat ging concurreren met de staatsbedrijven. Die situatie is niet houdbaar. ‘China komt dichter en dichter bij een punt waarop die twee structuren gaan botsen.’ Hij waarschuwt ervoor dat de Aziatische tijger dezelfde weg opgaat als de Sovjet-Unie. ‘Die maakte in de jaren vijftig en zestig ook een spectaculaire groeiexplosie mee, maar kwam snel zonder zuurstof te zitten en brokkelde af.’

Een boude prognose, daarmee stemt Acemoglu in. Is hij dan een verdediger van het democratisch kapitalisme, op een moment dat het wereldwijd zwaar onder vuur ligt vanwege allerlei ontsporingen? ‘Ja, in zekere mate wel. Jim en ik zijn 15 jaar geleden met dit soort onderzoek begonnen en het was een hele beproeving. Sommigen noemen ons moedig omdat we ons over die fundamentele kwesties buigen. Maar wij zijn academici, wij worden betaald om ideeën te ontwikkelen en te verspreiden. Rebelleren tegen repressie, zoals in Egypte, Libië of Syrië, dát is moed.’

> Daron Acemoglu & James A. Robinson - Why Nations Fail - 2012, Green Profile Books, 529 blz., 21,50 euro.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content