reportage

25 jaar na Rwandese genocide: ‘Als kind heb ik levens verwoest'

Ex-soldaten maken zich klaar voor een voetbalmatch in het herintegratiekamp. Iets wat ze al lang niet meer deden. ©AFP

Terwijl Rwanda hard werkt aan de wederopbouw na de genocide van 25 jaar geleden vechten tienduizenden Rwandezen verder in de bossen van Oost-Congo. Voormalige kindsoldaten blijven er hopen op een beter leven in hun moederland. ‘We hebben iets goed te maken.’

In het noorden van Rwanda ligt het Mutobo Demobilisatie Kamp, de eerste plek waar Rwandezen terechtkomen nadat ze hun strijd in de jungle hebben achtergelaten. Het kamp is omgeven door aardappelvelden en bananenplantages. Op een heldere dag zijn de spitse toppen van de vulkanen in het Virunga-gebergte zichtbaar. Het Congolese oerwoud, al decennia het chaotische terrein van allerlei rebellengroepen, is hier vlakbij.

‘Bijna vier jaar was die jungle mijn thuis’, vertelt de 17-jarige Jean-Claude. Op zijn voorhoofd heeft hij een groot litteken. Toen hij vluchtte voor het Congolese leger struikelde hij over een rots. ‘Het was geen goed leven. Eten moesten we uit dorpen stelen en we sliepen altijd ergens anders. Ik leefde constant in angst.’

Hutu's en Tutsi's

In juli 1994 maakte het Tutsi-rebellenleger onder leiding van de huidige president Paul Kagame een einde aan de genocide. In amper 100 dagen werden ongeveer een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s vermoord.

25 jaar genocide

Zondag is het exact 25 jaar geleden dat in Rwanda een genocide begon. Die volgde op de dood van Hutu-president Juvénal Habyarimana. Onbekende daders schoten zijn vliegtuig uit de lucht bij Kigali.

Na zijn dood gingen extremistische Hutu's, opgehitst door propaganda en vaak gewapend met kapmessen, over tot het uitmoorden van de Tutsi's. Ook Hutu's die weigerden mee te doen aan de moordpartijen moesten dat met de dood bekopen.

De internationale gemeenschap keek besluiteloos toe terwijl in korte tijd honderdduizenden mensen de dood vonden. Ook tien Belgische militairen kwamen om.

Het bloedbad eindigde pas toen rebellen onder leiding van Paul Kagame, een Tutsi, in juli 1994 het land veroverden. De voormalige guerrillaleider domineert sindsdien de Rwandese politiek. 

Er kwam meteen een grote vluchtelingenstroom op gang en veel Hutu’s vestigden zich in de kampen rondom de stad Goma in Zaïre, het huidige Congo. Onder de vluchtelingen bevonden zich veel leden van de Interahamwe, de Hutu-milities die verantwoordelijk zijn voor de meeste doden in Rwanda.

In de kampen stierven mensen door aanhoudende gevechten, een cholera-uitbraak en gebrek aan eten, onderdak en medische zorg. ‘Toch bleven ze daar omdat ze bang waren om terug te keren naar een land waar de Tutsi’s de macht hadden overgenomen’, zegt Francis Musoni in zijn kantoor in de hoofdstad Kigali. ‘Althans, dat dachten ze’. Hij werkt bij de Demobilisatie- en Herintegratiecommissie, de organisatie die ook het Mutobo-kamp opzette.

Rebellen

De ouders van Jean-Claude waren bij de vluchtelingen. Ze probeerden een nieuw leven op te bouwen in Congo en na een aantal jaar werd Jean-Claude geboren. Vier jaar later overleden beide ouders en bleef Jean-Claude als wees achter. Als tiener kwam hij via een oom bij de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda (FDLR) terecht. ‘Ze waren als een familie voor me’, zegt hij met een trieste blik in de ogen. ‘Waar moest ik anders naartoe?’

Volgens Musoni komen de meeste Mutobo-bewoners van de FDLR. ‘Sommige waren ook aangesloten bij het Congolese leger, en een enkeling bij verzetsgroepen als Mai-Mai.’ De Hutu-rebellengroep FDLR, opgericht in 2000, heeft als doel ooit Rwanda binnen te vallen en de regering van Kagame omver te werpen. Tegelijkertijd vecht ze tegen andere milities en trekt ze moordend, verkrachtend en plunderend door Oost-Congo.

Moïse (25) was nog maar 15 toen hij een AK-47 in zijn handen geduwd kreeg. Hij is net aangekomen in het kamp, de schrammen op zijn armen en benen zijn nog vers. ‘Als Rwandees voelde ik me veilig bij hen’, zegt hij.

Ellende

De 49-jarige Elias vertelt liever niet over zijn laatste jaren in Rwanda. Hij heeft een vriendelijke lach waarachter veel ellende schuilgaat. Nadat zijn familie werd vermoord in een vluchtelingenkamp meldde hij zich aan bij de FDLR. ‘We trainden in de bush. Er werd ons verteld dat we gingen terugpakken wat de Tutsi’s van ons hadden afgenomen.’

‘Rwanda vecht nog altijd tegen die genocide-ideologie’, zegt Musoni. In het huidige Rwanda wordt gesproken over ‘Rwandezen’ en niet meer over Hutu’s en Tutsi’s. ‘Alles wat die eenheid verstoort, is een bedreiging voor de stabiliteit van het land en de regio. Daarom bieden we Rwandese ex-strijders de kans om terug te komen en bij te dragen aan de toekomst en de vooruitgang van hun land.’

4
maanden
Veruit de meeste ex-strijders blijven maximaal vier maanden in het kamp, een enkeling iets langer. Daarna keren ze terug naar hun families, en sommigen gaan de gevangenis in om hun straf uit te zitten.

Sommige strijders, vooral de jongeren, melden zich vrijwillig bij Monusco, de vredesmacht van de Verenigde Naties. Die brengt hen vervolgens naar Mutobo. De meeste strijders worden gedwongen hun wapens in te leveren en zich over te geven. ‘Er zijn veel genocideplegers bij’, zegt Musoni. ‘Zij worden hier alsnog berecht.’

Dafroza (50), een van de twee vrouwen in het kamp, kwam na 18 jaar bij de FDLR in Mutobo terecht. ‘Ik wilde dat absoluut niet’, zegt Dafroza. ‘Het leven bij de FDLR was niet gemakkelijk, maar ik was eraan gewend geraakt.’

Jean-Claude en Moïse zijn allebei zelf uit het oerwoud gevlucht. ‘Ik ben midden in de nacht ontsnapt’, vertelt Jean-Claude. ‘Het was een groot risico, want als de leiding je betrapt word je doodgeschoten.’ Moïse had er na tien jaar genoeg van en kon ook ontsnappen. Hij wilde zich herenigen met zijn familie, die weer in Rwanda woont. ‘Ook al ben ik hier niet geboren, het voelt alsof ik ben thuisgekomen.’

Vrijheid

Om de nieuwe thuisbasis voor ex-strijders zo aantrekkelijk en comfortabel mogelijk te maken straalt Mutobo vrijheid en openheid uit. ‘We hebben hier geen slagbomen, bewakers en detectiepoortjes.’

In de grote hal zingen honderden ex-strijders liederen over de schoonheid van Rwanda, over internationale erkenning en over voorspoed. Aan de zijkant staat Elias mee te klappen. ‘Op deze manier proberen ze de liefde voor het land aan te wakkeren en duidelijk te maken dat hun beeld niet klopte’, vertelt hij later. ‘Ze tonen dat ze hier veilig zijn en goed behandeld worden.’

Op het terrein wordt ook gewassen, gekookt, hout gehakt, met maïs gesjouwd, gechat op Facebook en gevoetbald. Activiteiten die voor de bewoners tot voor kort niet heel normaal waren.

Afkoelperiode

Na aankomst in het kamp is er een soort afkoelperiode. De strijders krijgen kleding, onderdak en voeding en worden medisch gecontroleerd. Ondertussen gaan medewerkers op zoek naar familieleden van de strijders. Volgens Balisa is dat essentieel voor hun terugkeer in de maatschappij. In de volgende fase wordt die terugkeer verder voorbereid. ‘Ze krijgen les in praktische vaardigheden als naaien, bouwen en groenten verbouwen zodat ze later geld kunnen verdienen.’

Ik heb levens verwoest, maar nu wil ik levens verbeteren. Om het een beetje goed te maken.
Jean-Claude

In een van de vele gebouwen op het terrein huist psycholoog Eugene Rutayisire. Hij geeft zowel individuele sessies als begeleiding in groep. Jean-Claude gaat wekelijks naar hem toe. ‘Als ik aan mijn verleden denk, krijg ik hoofdpijn’, zegt hij. ‘Door erover te praten hoop ik het te kunnen verwerken.’

Volgens Rutayisire zijn veel ex-strijders sterk getraumatiseerd. Hij probeert ze aan de praat te krijgen door hun leven te reconstrueren aan de hand van verschillende voorwerpen. ‘De bloem staat voor de geboorte, het touw is het leven en een steen is de dood van een familielid’, legt hij uit. ‘Vervolgens leggen ze een stokje neer voor de eerste moord en de eerste verkrachting. Dat zijn vaak grote keerpunten.’

Levens verbeteren

Veruit de meeste ex-strijders blijven maximaal vier maanden in het kamp, een enkeling iets langer. Daarna keren ze terug naar hun families, en sommigen gaan de gevangenis in om hun straf uit te zitten.

Dafroza verhuist binnenkort naar Kigali, waar haar broers en zussen wonen. ‘Ik heb gehoord dat er nu wolkenkrabbers staan, en dat er ’s avonds duizenden lichtjes zijn. Ik kan het me niet voorstellen’, zegt ze. Voor het eerst tijdens het gesprek twinkelen haar ogen.

Rwanda vecht nog altijd tegen die genocide-ideologie.
Francis Musoni

Elias betreurt vooral de gemiste kansen in zijn leven en dat hij nooit een vak heeft kunnen leren. ‘Wat kan ik nog, als man van bijna vijftig?’ Hij hoopt ooit zijn vrouw en vier kinderen, die hij al vijf jaar kwijt is, terug te vinden in Congo. ‘Ik heb echt iedereen verloren.’

Moïse gaat terug naar zijn familie die aan de oevers van het Kivumeer wonen. ‘Ik heb geen toekomstplannen. Dromen is heel erg moeilijk in de bush.’

Jean-Claude hoopt eindelijk familieleden te vinden. ‘Ik vind het leuk om kleding te maken, maar het allerliefst word ik dokter’, zegt hij glimlachend. ‘Ik heb levens verwoest, maar nu wil ik levens verbeteren. Om het een beetje goed te maken.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect