analyse

Fiscus rekent zich beter niet rijk met minimumbelasting multinationals

©AFP

De G7 heeft afgelopen weekend koers gezet naar een wereldwijde minimumbelasting voor multinationals. Die maakt de sluipweg langs belastingparadijzen minder aantrekkelijk, maar zal ons land niet noodzakelijk veel geld opbrengen

De keuze van 81 miljoen Amerikanen voor Joe Biden als president van de Verenigde Staten kan de komende jaren nazinderen tot in de Belgische vennootschapsbelasting. Dit voorjaar zette Biden met grote snelheid koers naar een minimumbelasting voor multinationals.

De beslissing verraste toen velen. De Amerikaanse fiscaliste Pam Olson omschreef de hoorzitting waarop de Amerikaanse minister van Financiën Janet Yellen de plannen begin dit jaar voor het eerst duidelijk maakte als ‘schepen die ’s nachts voorbij zijn gevaren’. Dat de kaap wel degelijk gerond is, bleek afgelopen weekend op een bijeenkomst van de G7 in Londen. Daar schaarden ook de ministers van Financiën van Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië, Japan en het Verenigd Koninkrijk zich achter de plannen, ook al waren die laatste twee aanvankelijk koele minnaars.

Wat hebben de G7-landen beslist?
De G7 heeft op een top in Londen beslist dat ze een taks op de megawinsten van megabedrijven wil, net als een minimumbelasting op multinationals.

Wat verandert dat?
Als het plan er komt - de rest van de wereld, waaronder China, moet mee willen - is het een opdoffer voor de belastingparadijzen.

Wat betekent het voor België?
Op een gevoel van fiscale rechtvaardigheid na, zal het niet veel verschil maken voor de schatkist, al is het maar omdat België geen land met veel multinationals is.

Discussies over internationale fiscaliteit beginnen altijd in de OESO, de denktank van de rijke landen. Dat is historisch zo gegroeid, omdat het na de Tweede Wereldoorlog bizar was met de communistische Sovjet-Unie over vennootschapsbelasting te spreken, waardoor de Verenigde Naties de discussie niet konden leiden. Omdat de OESO echter geen officiële macht heeft, worden de politieke marsorders bepaald in de G20, de club van de rijkste en grootste landen. De G7-meeting van afgelopen weekend, waarin ‘sterke steun’ aan de minimumbelasting uitgesproken werd, wordt daarom gezien als een opstap naar een top van de G20 volgende maand.

Wat afgelopen weekend gebeurde, is een doorbraak. De Verenigde Staten trokken zich onder het presidentschap van Donald Trump vier jaar terug uit internationale akkoorden. Nieuwe akkoorden schuwden ze. Maar tegelijk loopt een andere lijn gewoon door: Amerikaans protectionisme. De titel van Bidens belastingplan is wat dat betreft zonneklaar: ‘The Made in America Tax Plan’. Trump probeerde al de overzeese winsten van Amerikaanse bedrijven, die in landen als Ierland geparkeerd staan, terug te halen naar de VS. Bidens plan, en nu dus ook dat van de G7, gaat op dat elan door.

Revolutie

Het G7-plan bestaat uit twee luiken: een belasting op megawinsten van megabedrijven en een minimumbelasting voor multinationals.

Deel één gaat als volgt: bedrijven met een omzet van meer dan 20 miljard dollar én een winstmarge van meer dan 10 procent moeten een deel van de belastingen op hun winst betalen in de landen waar hun klanten zitten. Dat is een fiscale revolutie, omdat bijvoorbeeld niet meer gevraagd zou worden dat Facebook een kantoor heeft in België om ook in België belastingen te betalen.

Ik heb in mijn carrière nog nooit zo’n dreigende chaos op ons zien afkomen.
Isabel Verlinden
Wereldwijd hoofd corporate tax strategy bij PwC

Deel twee geldt voor alle bedrijven met meer dan 750 miljoen dollar omzet. Zij moeten in ieder land waar ze actief zijn minstens 15 procent van hun winst aan belastingen betalen. Als ze dat niet doen, mag het land waar hun hoofdkantoor staat belastingen heffen tot die drempel. Als AB InBev in Hongarije het huidige tarief van 9 procent vennootschapsbelasting betaalt, mag de Belgische fiscus 6 procent extra op de Hongaarse winsten van de bierbrouwer heffen.

Waarom passen die plannen in de Amerikaanse logica? Omdat Biden de belasting op megawinsten gebruikt om een oud gevecht te beslechten, dat al onder Trump woedde: de opstand tegen de Amerikaanse bigtechbedrijven.

Ook Biden pikt het namelijk niet dat Amerikaanse techbedrijven overal ter wereld belast zouden worden, maar hij speelt het anders dan Trump. Door de definitie van superwinsten uit te breiden tot bedrijven met meer dan 20 miljard dollar omzet en 10 procent winst viseert hij een honderdtal multinationals, die ook buiten de tech actief zijn en niet altijd Amerikaans zijn. Voorbeelden zijn het Franse Total Energies en het eveneens Franse luxeconcern LVMH.

Investeren

Voor België wordt het de vraag of AB InBev onder de definitie valt. Qua omzet zeker wel, maar qua rendabiliteit? In 2019 wel, maar in het verliesjaar 2020 niet. Het toont meteen hoe moeilijk de details worden: tellen overgedragen verliezen mee? Werner Heyvaert, fiscaal advocaat bij AKD Benelux, vraagt zich af hoe het zal gaan met een bedrijf dat heel sterk meesurft op de conjunctuurgolven, zoals ArcelorMittal. En wat als een bedrijf besluit fors te investeren, waardoor de rendabiliteit net onder de drempel van 10 procent valt?

Levert de taks op megawinsten België iets op? Wellicht wel. België is goed voor 0,6 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product en dus stromen wellicht enkele promilles van de wereldwijde superwinsten naar ons land. Maar daar staat tegenover dat België - en de Europese Unie - de huidige plannen voor taksen op de digitale economie moet opbergen. Want opnieuw: Biden wil de discussie over de Amerikaanse big tech voor eens en voor altijd beslechten en eist dat er geen bijkomende taksen komen.

Belgische multinationals

De 54 Belgische multinationals betalen volgens cijfers van de economische denktank OESO gemiddeld 5 procent belastingen in ons land. Dat is minder dan de 15 procent minimumbelasting die de G7 multinationals wil opleggen.

En dan is er de minimumbelasting. Ieder Belgisch bedrijf met meer dan 750 miljoen euro omzet zal in ieder land ter wereld minstens 15 procent belasting op de lokale winst moeten betalen. Als dat niet gebeurt, mag de Belgische fiscus het verschil innen tot de 15 procent is bereikt. Daar komen al meer Belgische bedrijven voor in aanmerking, zoals Umicore, Bekaert en Solvay.

Het is vooral dat onderdeel van de plannen dat al leidde tot simulaties waarbij België plots miljarden euro’s extra naar de vennootschapsbelasting ziet vloeien. Alleen zijn die simulaties gebouwd op de veronderstelling dat niets verandert aan de huidige tarieven.

Dat lijkt onrealistisch: als Hongarije of Luxemburg weten dat de bedrijven in hun land sowieso 15 procent vennootschapsbelasting betalen via extra heffingen in het land van hun hoofdkwartieren, zal de verleiding groot zijn om zelf het tarief naar 15 procent te verhogen. Het maakt voor het bedrijf niets uit en de inkomsten voor de eigen schatkist zijn groter.

In de race to the bottom naar almaar lagere tarieven in de vennootschapsbelasting zal de ‘bottom’ met andere woorden op 15 procent komen te liggen. Heyvaert merkt op dat er echter ook een pervers effect kan ontstaan, waarbij de race to the bottom net sneller gaat en ook landen met hogere tarieven naar 15 procent gaan.

Voor bedrijven die in België actief zijn, verandert wellicht weinig. Het officiële tarief in ons land ligt op 25 procent. De belangrijkste uitzondering daarop ligt in de fiscale aftrekken voor onderzoek en ontwikkeling, die vooral door de farma worden gebruikt. Als J&J in Beerse, GlaxoSmithKline in Rixensart en Pfizer in Puurs in ons land op het einde van de rit minder dan 15 procent vennootschapsbelasting betalen, zullen ze dus de rest in de Verenigde Staten moeten betalen. De vraag wordt dan wat de Belgische overheid doet: de belastingen verhogen tot 15 procent en op andere manieren - de loonsubsidies voor onderzoekers - de farma steunen? Alles bij het oude laten? Of in de eerste plaats vooral lobbyen om onderzoek en ontwikkeling buiten de minimumbelasting te houden?

Details

De plannen voor een minimumtaks hebben enkele grote voordelen. Een van de belangrijke wordt dat het niet meer zal lonen voor multinationals om agressieve sluiproutes langs de Bahama’s of de Britse Maagdeneilanden te nemen. Maar wat het betekent voor landen als België, met een tarief van meer dan 15 procent, is bijzonder onduidelijk. Volgens Heyvaert zijn de meeste sluiproutes in ons land al grotendeels gesloten door eerdere plannen van de OESO, die werden vertaald in Europese antimisbruikrichtlijnen.

De tarieven kunnen uiteraard nog veranderen - de Fransen en de Amerikanen willen 21 procent - en hetzelfde geldt voor de drempel van 20 miljard euro. Maar zoals altijd bij fiscaliteit zit de duivel in ieder detail.

Amazon ©Getty Images

Hoe zal je de superwinsten van de megabedrijven splitsen over landen? De plannen voor een Europese vennootschapsbelasting lopen al 20 jaar vast op die vraag. Komt in de landen waar de klanten zitten de taks op megawinsten eigenlijk niet neer op een btw, die verboden is omdat twee keer hetzelfde belasten niet mag? Hoe zal je belastingkredieten en fiscale aftrekken - die in ieder land anders zijn - over één kam scheren om een belastingvoet van 15 procent te berekenen? Hoe meet je een rendabiliteit van 10 procent bij de megabedrijven, die bestaan uit honderden vennootschappen? ‘Ik heb in mijn carrière nog nooit zo’n dreigende chaos op ons zien afkomen’, zegt Isabel Verlinden, die bij de consultant PwC wereldwijd de activiteiten voor ‘corporate tax strategy’ leidt.

Hoe zal het politiek akkoord in de G7 zich met andere woorden in wetgeving vertalen? Want eerst is er nog de G20 van juli, waar de grote vraag luidt in welke mate China mee is met de plannen. Dan moet de OESO alles technisch uitwerken, een oefening waarbij 140 landen moeten mee zijn. Vervolgens landt de discussie in Europa op de Ecofin-vergadering, waar de 27 ministers van Financiën van de EU-lidstaten samenzitten. Ieder land heeft er vetorecht, niet alleen Ierland en Luxemburg, maar ook Malta en Cyprus. Als dat lukt, komt er een Europese richtlijn, die in het federaal parlement moet worden omgezet in Belgische wetgeving.

Het toont hoe de Verenigde Staten een machine in gang geduwd hebben die nog even zal draaien, maar wel degelijk de bedrijfsfiscaliteit kan veranderen. Alleen is het wat voorbarig ervan uit te gaan dat het in België, een land dat eerder is opgetrokken uit kmo’s dan uit multinationals, de geldproblemen van de overheid zal oplossen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud