Peter Bouckaert: ‘Ik hou het vol door af en toe één iemand te redden'

©JEFF PACHOUD/BELGA

WinterWandeling. Tijdens de wintermaanden trekken we met enkele gesprekspartners naar buiten voor een stevige wandeling. We praten over leven en werk, over afkomst en visie. Met Peter Bouckaert van Human Rights Watch wandelen we in de Bourgogne.’. In conflictgebieden confronteert Peter Bouckaert oorlogsmisdadigers met hun slachtpartijen. In de Bourgogne gaat de mensenrechtenactivist met zijn zoontjes vissen in de vijver achter zijn boerderij. ‘Als je de moorden wil stoppen, moet je met de moordenaars spreken.’

‘Thuiskomen van een oorlog vind ik shockerender dan vertrekken.’ Peter Bouckaert (44) verrast meteen. Na 17 jaar slachtpartijen documenteren - van Uganda tot Syrië - past de Belgische mensenrechtenrapporteur van Human Rights Watch (HRW) zich makkelijker aan de hel aan dan aan de normaliteit. ‘Het geweld, de onvoorspel bare mensen en de extreme omstandig heden in oorlogszones ben ik intussen gewend. Maar opnieuw elektriciteitsrekeningen betalen, opnieuw die vervelende buren ... Ik erger me aan onze arrogantie dat we zoveel vanzelfsprekend vinden: onze rijkdom, onze wegen, onze huizen, onze veiligheid, onze elektriciteit, onze gezondheidszorg.’

Boerderij

Elk weekend zondert Bouckaert zich met zijn vrouw en drie kinderen van de buitenwereld af in zijn 300 jaar oude boerderij in Saint-André-en-Bresse, een speldenknop van 110 zielen in het hart van de Bourgogne. ‘Ik zag al zoveel collega’s in conflictgebieden kapotgaan omdat ze zeven dagen op zeven werken, denkend dat ze onmisbaar zijn. Ik verplicht mezelf een grens te trekken om geestelijk gezond te blijven.’ Normaal spreekt hij in deze oase van 12 hectare amper over zijn job. ‘Omdat ik er al zoveel tijd van ons gezinsleven mee wegneem. In het begin worstelde ik daarmee, nu kan ik de knop omdraaien.’

In een oorlogszone kan je je karakter niet verbergen. Je weet wie een klootzak is, en je weet op wie je kan terugvallen.

In de keuken gonst het van de huiselijke activiteit. Bouckaerts oudste zoon van negen kuist de forel die ze vanochtend samen vingen in de visvijver. Hij grinnikt als hij zijn broer van zes in de gaten krijgt. ‘Hij viel in de vijver.’ Hun kleine zus rukt ondertussen haar pop uit de bek van Spikey, de staffordshire terrier.

Voor we gaan wandelen wil Bouckaert ons nog iets tonen in de badkamer. Op de wastafel staat een wijnkistje met daarin een bruine valk die schichtig om zich heen kijkt. Er ligt een spuit, waarmee Bouckaert het gewonde dier water toedient. ‘Ik vond hem vanmorgen op de weg. Mijn jachtvriend, een agent uit het dorp, komt vanavond kijken. Hij brengt gewonde dieren naar een opvangcentrum. Ik jaag met hem op fazanten. In de natuur kom ik tot rust.’ We wandelen naar de wei achter Bouckaerts vis vijver. Hij rolt de prikkeldraad opzij. In geen tijd hijgt een kudde zwarte Angus-runderen in onze nek. ‘Ze zijn van mijn buurman. Ik krijg geregeld vlees van ’m. Vorig jaar hield ik twee varkens, die ik zelf slachtte. Omdat ik wilde weten hoe je er salami, ham en pensen van moet maken. Ik groeide op in een boerderij in Pellenberg, in de buurt van Leuven. Ik hou wel van zo’n levensstijl.’

Bouckaert wil graag wandelen in Rancy, een dorpje een paar kilometer verderop. ‘Ik kom hier zelden iemand tegen’, zegt hij terwijl we de Seille, een piepkleine rivier, afwandelen. ‘Ik vis hier graag met mijn zonen. (enthousiast) Er zijn hier al meervallen van 200 kilogram gevangen.’

©JEFF PACHOUD/BELGA

San Francisco 

Bouckaert kreeg de smaak voor het vissen te pakken in de Verenigde Staten, nadat hij op zijn 15de van Pellenberg naar de baai van San Francisco moest verhuizen. Plant Genetic Systems, het biotechbedrijf dat zijn vader in België had opgericht, was overgenomen door een Amerikaans bedrijf. Zijn vader werd er CEO. ‘Ik voelde me er niet op mijn plaats’, zegt Bouckaert. ‘Ze bekeken me als een boerenkinkel. Ik voelde me snel verbonden met de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Net als hen was ik een outsider.’

Als student rechten aan de universiteit van Santa Barbara begon hij te werken rond burgerrechten van Afro-Amerikanen. ‘Ik interviewde Black Panthers in de gevangenis, van wie velen ten onrechte opgesloten zaten.’ Aan de universiteit van Stanford verdiepte Bouckaert zich in internationaal recht. ‘Stanford richt zich erg op het bedrijfsleven, maar ik heb er geen seconde aan gedacht om in mijn vaders voetsporen te treden.

©JEFF PACHOUD/BELGA

Ik heb veel respect voor hem, hij was net als ik een activist. Hij nam deel aan de studentenprotesten die de Vlaamse universiteiten hebben ontvoogd. Hij werkte aan het research en development centre van de KU Leuven, waar veel patenten in de biotech vandaan komen. Als Vlaams-nationalist wilde hij de Vlaamse economie doen groeien via de universiteiten.’‘Mijn vader investeerde in biotech bedrijven die het goed deden, andere gingen dan weer failliet. Ik herinner me nog goed hoe hij ons een keer vertelde dat een van die bedrijven net failliet was gegaan. Ondernemen vergt ook veel moed. Mijn keuze voor mensenrechten was een reactie tegen het freewheelende kapitalisme van de generatie van mijn ouders. Een periode van enorme accumulatie van rijkdom in Vlaanderen, terwijl de menselijke waarden wat naar het achterplan verdwenen.’

Bouckaerts grootmoeder langs vaders kant, inmiddels 96, wakkerde zijn heilige vuur aan. ‘Ze baatte in Roeselare een winkeltje uit voor de missiepost van mijn oom in de Filipijnen. Ze verkocht er onder meer Afrikaanse maskers. Al die rare geuren en objecten fascineerden me. Zo groeide mijn interesse voor de wereld. Ze leerde me dat je altijd je verantwoordelijkheid moet nemen voor anderen, dat het een voorrecht is om mensen te kunnen helpen.’

Nelson Mandela

Toen Bouckaert het loopbaancentrum van Stanford vertelde dat hij een vakantiejob rond mensenrechten wilde, lachten ze hem uit. ‘‘Dat hebben we niet,’ zeiden ze. Maar ik wilde absoluut in Zuid-Afrika werken en kwam uiteindelijk terecht bij het belangrijkste anti-apartheidsadvocatenkantoor. Mijn Zuid-Afrikaanse vrouw Nicolette, die daar werkte, nam me aan. (lacht) Op basis van m’n cv ging ze ervan uit dat ik zwart was. Ik onderbrak een jaar mijn studies en werkte voor de advocaat van Nelson Mandela. Dat jaar maakten we het wetsontwerp voor de waarheids- en verzoeningscommissie.’

Veel mensenrechten-activisten vinden dat je niet te betrokken mag raken. Voor mij is dat net wel belangrijk.

Bouckaert spreekt liefkozend over ‘my rock’ als hij het over zijn echtgenote Nicolette heeft. ‘Ze is mijn rots in de branding. Omdat we dezelfde activistische achtergrond hebben, begrijpt ze mijn passie. Ze vertegenwoordigt Unicef bij het comité voor de kinderrechten in de mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Ze heeft me nog nooit gevraagd niet op missie te vertrekken. Maar de dag dat ze dat wel doet, zal ik niet vertrekken.’

Human Rights Watch

Dankzij zijn Zuid-Afrikaanse ervaring kon Bouckaert in 1997 aan de slag bij Human Rights Watch. ‘Een half jaar nadat ik was afgestudeerd, interviewde ik al 14-jarige Ugandese kindsoldaten. Dat was zwaar, maar plots maakte ik wel de geschiedenis mee vanop de eerste rij.’ Bouckaert begreep snel dat de media voor impact moesten zorgen. Hij ontketende een revolutie bij HRW. ‘Ze maakten hun rapporten pas na een half jaar of later openbaar. Geen journalist wilde er nog over schrijven. Maar ik wilde levens redden, moordpartijen stoppen. Daarom besliste ik kleinere rapporten uit te brengen. We vonden de plek van een slachtpartij, documenteerden de namen en gaven het rapport dezelfde dag nog vrij.’

Bouckaerts veldwerk had al meermaals impact. Mede dankzij zijn speurwerk kon de voormalige Servische president Milosevic worden aangeklaagd. En via Skype vond hij de verantwoordelijken voor de gifgasaanval in augustus 2013 in Ghouta in Syrië, waarbij ruim 1.400 doden vielen. ‘We konden er niet naartoe omdat de stad werd belegerd. Maar via Skype spraken we met ooggetuigen, die ons beelden van de raketten bezorgden. Na een week waren we zeker dat de Syrische regering achter de aanval zat. We dwongen de Russen om Assad niet langer blind te steunen en hielpen mee de laatste chemische wapens in Syrië op te ruimen.’

©JEFF PACHOUD/BELGA

Horror en helden

Hoewel hij de grootste gruwel zag, blijft Bouckaerts mensbeeld optimistisch. ‘Ik rapporteer over de horror, maar ik zie ook hoe de meeste mensen in oorlogsgebied proberen te overleven en zelfs mensen willen redden.’

Een van die helden is père Bernard Kinvi, een 32-jarige katholieke priester uit de Centraal-Afrikaanse Republiek, waar moslims en christenen elkaar vorig jaar naar het leven stonden. Vorig jaar redde hij 1.500 moslims van de dood door de deuren van zijn katholieke missiepost open te gooien. ‘Samen met priester Kinvi overtuigde ik de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie om alle belaagde moslims te evacueren naar buurland Kameroen. Sindsdien is zijn missiepost een veilige haven voor moslimwezen. Ik betaal de opleiding van sommigen.’

Het heeft hem vijf maanden gekost om een van hen, het 10-jarige meisje Hamamatou, naar het ziekenhuis van priester Kinvi brengen. ‘Ze heeft polio en is verlamd. Toen haar dorp werd aangevallen door christelijke milities nam haar 14-jarige broer haar op zijn rug om te vluchten. Omdat ze te zwaar was, moest hij haar achterlaten. Ze zag hem nooit terug. Vijf dagen later werd ze meer dood dan levend naar een vluchtelingenkamp gebracht. Een vriendin van me interviewde haar. ‘Ik zit hier in de hel,’ zei ze, ‘haal me hier weg.’’

Die betrokkenheid voedt Bouckaert. ‘Veel oorlogsjournalisten en mensenrechtenactivisten vinden dat je niet te betrokken mag geraken. Voor mij is dat net wel belangrijk. Ik moet een verschil kunnen maken in individuele levens. Soms zit ik in mijn tent te huilen, maar ik hou dit vak vol door af en toe één iemand te redden. Het helpt me om te gaan met de trauma’s.’

Een half jaar nadat ik was afgestudeerd, interviewde ik al Ugandese kindsoldaten.

Bouckaert interviewt mensen kort na de zwartste momenten in hun leven. ‘Ik heb ooit een man ontmoet wiens hele familie gedood werd door een raket terwijl hij gewoon even brood was gaan kopen. Dan is het heel delicaat om vragen te stellen over de namen van zijn kinderen, of er wapens in huis waren, enzovoort. Tegelijk is het vaak de enige keer in hun leven dat ze hun verhaal kwijt kunnen. We geven hun een beetje hoop dat ze uit die nachtmerrie zullen raken. Mensen zijn vaak verbaasd en blij dat een buitenstaander naar een oorlogszone trekt, terwijl iedereen op de loop gaat.’

Vorig jaar rukte Bouckaert zeven keer uit naar de Centraal-Afrikaanse Republiek., telkens voor twee tot drie weken. ‘Buiten de hoofdstad Bangui is er niks: geen wegen, geen tankstations, geen elektriciteit, geen hotels. Ik sliep met m’n fotograaf in een tentje naast de auto. We reisden met een kettingzaag, een bijl en een touw om bomen uit de weg te sleuren. We herstelden zelf bruggen.’

Spreken met moordenaars

Terwijl de rest van de wereld wegkeek, dook Bouckaert vaak als eerste niet-rebel op in de woelige zones. ‘Weinigen spreken mensen aan op hun wandaden terwijl ze nog aan het moorden zijn. Maar als je de moorden wil stoppen, moet je met de moordenaars spreken. Ik probeer hen te zien als mensen, niet als monsters. Ik weet dat we zo veel levens hebben gered. We toonden de rebellenleiders satellietbeelden van de dorpen die ze in de as hadden gelegd. Ik confronteerde hen met de namen van mensen die ze hadden vermoord.’

‘Natuurlijk waren ze boos omdat we bewijsmateriaal verzamelden. Zulke gesprekken zijn een schaakspel. Je moet aftasten hoever je kan gaan. Ik sprak altijd ’s ochtends met hen, als ze niet high of dronken waren. Al bij al reageerden ze vrij goed, omdat niemand anders de moeite had genomen om met hen te komen praten. We zijn ook altijd ongewapend, onze auto’s zijn niet gepantserd. Empathie en oprechtheid zijn de sleutel. Sommigen van die gasten sturen nu zelfs boodschappen op Facebook.’

‘Enkele maanden geleden contacteerde een rebellenleider me. Hij vroeg me waar ik was. Ik antwoordde dat ik een vergadering had op het Internationaal Strafhof in Den Haag, over de oorlogsmisdadigers van de Centraal-Afrikaanse Republiek. Waar ben jij?’ De rebellenleider zei fijntjes: ‘Bij de oorlogsmisdadigers van de Centraal-Afrikaanse Republiek.’ Ons pionierswerk heeft geloond. Vandaag onderzoekt het Internationaal Strafhof de oorlogsmisdaden van de Centraal-Afrikaanse Republiek. En er is een VN-vredesmacht van 12.000 blauwhelmen ter plekke.’

Op deze mistige zondagochtend is er geen levende ziel te bespeuren op de geasfalteerde hoofdweg van Rancy. ‘Dit dorpje is beroemd voor zijn stoelenmakers, maar verder valt hier niets te beleven’, zegt Bouckaert.

Peter Bouckaert en redacteur Nico Schoofs. ©JEFF PACHOUD/BELGA

Risico's 

In 1998 redde een tussenstop in een al even onooglijk dorpje zijn leven. ‘We wilden in Kosovo naar de plaats waar net een slachtpartij had plaatsgevonden. Ik bereken constant de risico’s, in tegenstelling tot sommigen die verslaafd zijn geraakt aan het gevaar in oorlogszones en zich onoverwinnelijk wanen. Voor we in onze auto stapten, vroegen we in een dorpje of de weg veilig was. Ze vertelden dat verderop net nog een auto was opgeblazen door een mijn. We beslisten verder te wandelen door de velden. Een paar uur later is een auto van het Rode Kruis er opgeblazen.’

Bouckaert verloor al veel boezemvrienden in oorlogszones. Vorig jaar werden de Ameri kaanse journalist James Foley en de Amerikaanse hulpverlener Peter Kassig vermoord door Islamitische Staat. ‘Ik heb James’ herdenkingsplechtigheid zelfs gemist. Ik was emotioneel niet klaar om te gaan’, zegt Bouckaert, zijn tranen verbijtend. ‘Bijna elk jaar verlies ik een brother. Dat slaat diepe wonden, alsof je een familielid verliest. In een oorlogszone kan je je karakter niet verbergen. Je weet wie een klootzak is, die voor zichzelf kiest, en op wie je kan terugvallen. Met die laatsten bouw je een hechte band op als je weken samen optrekt.’

‘Vier jaar geleden stierf Tim (de bekroonde oorlogsfotograaf Tim Hetherington, red.) in Libië. Op de dag hij stierf, had ik m’n valiezen gepakt om naar de boerderij te komen. Ik heb toen meteen via Skype contact gelegd met het ziekenhuis in Misrata en twaalf uur achter mijn computer gezeten om hem te repatriëren. Ik mis hem nog  altijd. Sommige littekens zijn voor het  leven. Maar zijn dood deed me niet na denken over mijn werk. Dat zou Tim ook niet gewild hebben.’

George Soros

Bouckaert benadrukt dat HRW genoeg middelen heeft om fors in veiligheid te investeren. ‘De Amerikaans-Hongaarse magnaat en filantroop George Soros schonk ons tien jaar geleden 100 miljoen dollar. Ons jaarbudget bedraagt 80 miljoen dollar. Op het terrein kan ik de beste auto’s en de beste satellietcommunicatie gebruiken. Dankzij Soros’ schenking konden we kantoren in India en Zuid-Afrika openen. We willen landen niet de les spellen vanuit Brussel en New York: we hebben 400 werknemers in 20 landen en werken in 90 landen.’ HRW aanvaardt geen geld van overheden, enkel van individuen en stichtingen. ‘We screenen iedereen. Als we niet zeker zijn dat iemand schone handen heeft, sturen we de cheque terug. Dat is al gebeurd, ja. We weigeren sowieso geld van de diamant- en de olie-industrie.’

Terug in de boerderij ploffen we in de zetel. Of Bouckaert nooit van een veiligere en beter betaalde job droomt? ‘Als ik wil, ga ik morgen in een universiteit of bij de Verenigde Naties aan de slag. Maar ik zie me niet in een chique VN-jeep rondrijden. (geagiteerd)Terwijl wij ons leven riskeerden op het platteland in de Centraal-Afrikaanse Republiek, zaten de veel beter betaalde VN-medewerkers in hun vijfsterrenhotel in de hoofdstad. Frustrerend. Ze deden hun werk niet. Nee, als ik ooit stop bij Human Rights Watch, is het om iets totaal anders te doen.’

Hij wijst naar een doe-het-zelf-brouw kit onder de trap. ‘Ik droom ervan een  lokale brouwerij te beginnen met een vriend. Er is er geen in de omgeving. En als Belg heb ik al meteen een streep voor.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud