Advertentie

‘Gedeelde welvaart’, het nieuwe leitmotiv in het China van Xi Jinping

©ZUMA Press

Van techreuzen over alternatieve taxidiensten tot onderwijsinstellingen. Geen enkel Chinees privébedrijf lijkt veilig voor de toorn van het regime. In het China van Xi Jinping is een oud socialistisch ideaal weer hip in de strijd tegen ongelijkheid: gedeelde welvaart.

Chinezen die een succesvol bedrijf leiden, ontwaken tegenwoordig waarschijnlijk elke ochtend met een bang hart. Want er gaat haast geen etmaal voorbij of de autoriteiten in Peking kondigen wel een of andere oekaze af. Goed boerende privéondernemingen vormen niet zelden het doelwit.

Sinds de sterke man van China, Xi Jinping, in november vorig jaar de beursgang van Jack Ma’s Ant Group torpedeerde, draait zijn regime het bedrijfsleven in sneltempo de duimschroeven aan. Van ondernemingen actief in online financiële dienstverlening, e-commerce of de levering van maaltijden over alternatieve taxidiensten en de game-industrie tot instellingen gespecialiseerd in naschools onderwijs. Allen liepen ze de voorbije maanden in het vizier van Peking. Boetes, misbruikonderzoeken, gedwarsboomde beursgangen en fusieplannen of gedwongen reorganisaties waren hun deel.

We kunnen niet toestaan dat de kloof tussen rijk en arm groter en groter wordt, dat de armen steeds armer worden en de rijken almaar rijker.
Xi Jinping, Chinese president

De aantijgingen aan het adres van de bedrijven zijn divers. De ene firma krijgt een regulator achter zich aan omdat ze zich volgens Peking schuldig maakt aan concurrentievervalsing, de andere omdat ze de regels over databescherming aan haar laars lapt, een volgende omdat ze privacyrichtlijnen met de voeten treedt of niet voldoende inspanningen levert om het intellectueel eigendom of de arbeidsomstandigheden van haar werknemers te beschermen.

De jacht kan op het eerste gezicht verbazen. Want jarenlang bracht Peking zijn antimonopolie- en andere regulerende wapens vooral in stelling om de invloed van buitenlandse bedrijven in China in te dammen. Chinese bedrijven kregen in naam van het hogere goed - zo snel mogelijk uitgroeien tot een grootmacht en de economische en technologische hegemonie van de Verenigde Staten doorbreken - vrij spel.

Middenklasse

Die strategie miste haar doel niet. De voorbije vier decennia heeft China zich als ‘fabriek van de wereld’ in een rotvaart ontwikkeld van een arm ontwikkelingsland tot de op een na grootste economie ter wereld. De cijfers ogen impressionant. Sinds 1979 is het bruto binnenlands product (bbp) om de acht jaar verdubbeld. Vandaag is het liefst 32 keer groter dan 42 jaar geleden. De afgelopen drie decennia klokte de Aziatische reus af op een gemiddelde groei van 10 procent per jaar.

Door die prestaties kon China zich nestelen in de groep van de middeninkomenslanden. De economische progressie ging gepaard met een verbetering van de levensstandaard. Meer dan 400 miljoen mensen zijn vanuit de lagere sociale rangen naar de middenklasse gekatapulteerd. Niet zonder trots kondigde het regime in het najaar van 2020 aan de extreme armoede in het land uitgeroeid te hebben (zie grafieken).

Waarover gaat het?

In China draait het regime de bedrijfswereld in sneltreinvaart de duimschroeven aan. De operatie past in een bredere strijd tegen de sociale ongelijkheid in het land.

Waarom maakt Peking van die strijd een prioriteit?

Het regime is ervoor beducht dat een te diepe kloof tussen arm en rijk een rem zet op de economische groei en leidt tot sociale onrust.

Hoe denkt de Chinese president Xi de rijkdom beter te verdelen over de bevolking?

De Chinese leider rekent op donaties van het bedrijfsleven. Daarnaast pompt hij geld in het onderwijs, de gezondheidszorg en een beter socialezekerheidsstelsel. Ook een hervorming van het belastingsysteem wordt bestudeerd.

Maar de ongebreidelde groei had ook een keerzijde. Hij transformeerde China in een erg ongelijke maatschappij. Terwijl steden rijker en rijker werden, raakten plattelandsgebieden - waar nog altijd bijna 40 procent van de bevolking woont - almaar verder achterop.

In maar weinig wereldeconomieën is de kloof tussen arm en rijk zo groot als in China. Terwijl de 400 miljoen middenklassers 100.000 tot 500.000 yuan (zowat 13.000 tot 65.440 euro) per jaar binnenrijven, moeten meer dan 600 miljoen anderen het met hoogstens 1.000 yuan (zowat 130 euro) per maand zien te rooien.

Het contrast met de toplui van grote bedrijven is nog groter. ‘De 1 procent rijkste Chinezen bezitten samen 30,6 procent van ’s lands rijkdom’, becijferde de Zwitserse bank Credit Suisse onlangs. En de 20 procent meest gegoede inwoners verdienen samen meer dan tien keer zoveel als de armste 20 procent.

De pandemie heeft de sociale ongelijkheid nog versterkt. Daar is het beleid van de Chinese overheid niet vreemd aan. Die koos ervoor ondernemingen centraal te stellen in haar stimulusplannen. Gezinnen konden amper op rechtstreekse steun rekenen.

Dat maakte dat heel wat kleine ondernemingen konden overleven en dat de export na de lockdown weer snel op gang kwam. Maar de modale Chinees had af te rekenen met stevig inkomensverlies en zag zich, mede door de almaar hogere huurprijzen, soms genoodzaakt zich dieper in de schulden te steken om de eindjes aan elkaar te knopen.

Onoverbrugbare kloof

De grote tegenstelling tussen arm en rijk baart Xi Jinping almaar meer zorgen. ‘We kunnen echt niet toestaan dat de kloof tussen rijk en arm groter en groter wordt, dat de armen steeds armer worden en de rijken almaar rijker. We kunnen niet toelaten dat die kloof onoverbrugbaar wordt’, zei hij begin 2021.

De evolutie bezorgt de Chinese leider om meerdere redenen hoofdbrekens. Economen waarschuwen dat zo’n grote inkomensongelijkheid nefast kan zijn voor de duurzaamheid van de economische groei en het ritme van de expansie kan aantasten.

Maar Xi is ook beducht voor sociale onrust. Want woede onder de bevolking over de grote contrasten in de maatschappij kan zijn autoriteit ondermijnen. Dat scenario wil hij het koste wat het kost vermijden nu hij in 2022 aast op een derde termijn als president.

De vrees voor sociale spanningen heeft Xi al langer in zijn greep. In een toespraak vijf jaar geleden zinspeelde hij op het thema. ‘Een verstandige leider maakt zich geen zorgen om armoede, maar wel om ongelijkheid. Hij is niet bezorgd dat zijn volk te weinig mensen telt, maar wel dat het te verdeeld is’, parafraseerde hij de Chinese filosoof Confucius.

En dus grijpt de Chinese leider, op de 100ste verjaardag van de Communistische Partij, terug naar de basisbeginselen: meer voor de armen, minder voor de rijken. In het China van Xi komen werknemers en de zwakkeren in de maatschappij met andere woorden weer centraal te staan. Hen wil hij een helpende hand bieden. Desnoods ten koste van de kapitalistische klasse.

De marketeer in Xi verpakt die boodschap al een tijd consequent in een parool: gedeelde welvaart. Sinds begin dit jaar dropte hij het nieuwe leitmotiv al bijna 70 keer in optredens in het openbaar of in speeches. Ter vergelijking: in 2012, het jaar van Xi’s aantreden als president, viel het begrip slechts vijf keer op te tekenen uit zijn mond.

Maar de term is zeker geen uitvinding van de huidige leider. Mao Zedong, de grondlegger van de Volksrepubliek, smokkelde die in 1953 al in partijdocumenten. Zijn doel? Menselijke uitbuiting en extreme armoede uitroeien. In Mao’s maatschappijbeeld was geen plaats voor kapitalisten. Die brandmerkte hij als ‘vijanden van het Chinese volk’.

Dat veranderde in de jaren 80 onder het bewind van Deng Xiaoping. Hoewel ook hij overtuigd was van de noodzaak om de rijkdom uiteindelijk over de hele bevolking te spreiden, was het voor de revolutionair geen bezwaar dat ‘sommigen sneller rijker worden dan anderen’. Kwantiteit primeerde op kwaliteit als het om groei ging.

Xi gooit het roer weer om. Economische groei enkel en alleen om de groei is niet langer de primordiale doelstelling. De nadruk komt meer en meer te liggen op de kwaliteit van de progressie nu China almaar vaker geconfronteerd wordt met de keerzijde van de snelle ontwikkeling van de afgelopen vier decennia. Dat kwaliteit primeert, blijkt ook uit het nieuwe vijfjarenplan (2021-2025). Daarin is gebroken met een aloude traditie: het stellen van concrete groeidoelen op de langere termijn.

Chinese karakteristieken

Maar wat verstaat de Chinese leider onder ‘gedeelde welvaart’? Tijdens een vergadering met partijkopstukken midden augustus lichtte Xi een tip van de sluier. ‘Gedeelde welvaart is een essentieel fundament van het socialisme en een sleutelelement in de modernisering met Chinese karakteristieken. Het regime kan toestaan dat sommigen zich verrijken. Maar we moeten de grote inkomens en bedrijven ook aansporen de samenleving wat terug te geven en andere mensen de kans te bieden rijk te worden.’

De boodschap lijkt niet in dovemansoren gevallen te zijn bij ondernemers. Vorige week maakte de e-tailer Pinduoduo bekend 2,4 miljard yuan (zo’n 300 miljoen euro) te schenken aan plattelandsregio’s. Tencent, de eigenaar van de chat- en betaalapp WeChat, beloofde 100 miljard yuan te doneren aan lage inkomens en projecten om de kwaliteit van de basisgezondheidszorg en het onderwijs op te krikken. Ook de toplui van het voedingsplatform Meituan, de TikTok-moeder ByteDance en het telecombedrijf Xiaomi kondigden al ‘filantropische’ initiatieven aan.

Experts erkennen dat zulke schenkingen een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld in de beteugeling van de armoede op het platteland. Tegelijk wijzen ze erop dat de bijdragen van de ondernemerswereld het regime niet ontslaan van zijn verplichtingen om sociale uitdagingen het hoofd te bieden. ‘De miljarden van het bedrijfsleven kunnen de structurele oorzaken van de ongelijkheid in de maatschappij niet uitgommen’, zeggen ze.

De autoriteiten in Peking namen de afgelopen jaren al wel maatregelen om de kloof tussen arm en rijk te verkleinen. Sinds Xi’s aantreden zijn miljarden gepompt in de verbetering van de infrastructuur, de gezondheidszorg en het onderwijs op het platteland. De minimumlonen gingen omhoog, landbouwtaksen zijn afgeschaft en voor de personenbelasting is het belastingvrije minimum enkele keren opgetrokken.

Meer inspanningen dringen zich evenwel op. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) reikte de Chinese machthebbers in 2018 enkele recepten aan. ‘Schroef de investeringen in de gezondheidszorg en het onderwijs op. En span een steviger sociaal vangnet onder de samenleving’, luidde het in een rapport.

Een andere aanbeveling was het belastingsysteem hervormen. Voor zijn fiscale inkomsten rekent Peking vandaag in grote mate op indirecte taksen. Als het de autoriteiten menens is met hun voornemen de rijkdom gelijkmatiger over de hele bevolking te verdelen, doen ze er volgens het IMF goed aan de hoogste inkomens zwaarder te belasten via de personenbelasting. ‘En introduceer een vastgoedtaks en een systeem van successierechten’, klonk het.

Ten slotte bepleitte het IMF de afschaffing van het hukoustelsel. Dat systeem, een overblijfsel uit de jaren 50, deelt Chinezen bij de geboorte op in plattelands- en stadsbevolking. Die classificatie geldt voor het leven en bepaalt op welk soort onderwijs, gezondheidszorg en andere sociale bijstand iemand recht heeft. Het maakt dat wie vandaag in ruraal gebied geboren wordt maar weinig kans heeft tot de middenklasse door te stoten omdat de kwaliteit van het onderwijs en de gezondheidszorg er lager is dan in de steden.

Laboratorium

De adviezen lijken doorgesijpeld in Peking. In zijn nieuwe vijfjarenplan schoof het regime een betere toegang tot onderwijs en gezondheidszorg voor alle Chinezen, de uitbouw van een sterker vangnet voor de minstbedeelden en hogere pensioenen als prioriteiten naar voren. Het zinspeelde de voorbije weken ook op een ‘grotere rol voor de fiscaliteit’ in de strijd tegen de ongelijkheid. Of dat zich vertaalt in de invoering van een vastgoedtaks en een erfenisbelasting moet de toekomst uitwijzen.

Mogelijk biedt de provincie Zhejiang weldra meer inzicht in de nieuwe marsrichting voor het hele land. Xi heeft die rijke, dichtbevolkte regio in het zuidoosten van het land deze zomer tot laboratorium voor zijn project ‘gedeelde welvaart’ gebombardeerd. De autoriteiten in de bakermat van techreuzen als Alibaba krijgen als taak het gemiddeld beschikbaar inkomen per capita op te krikken van 52.000 yuan in 2020 naar 75.000 yuan in 2025. In diezelfde periode moet ook de kloof tussen arm en rijk er verkleinen.

Voor Xi staat een zaak in elk geval vast: een status quo is uitgesloten. ‘Gedeelde welvaart bereiken is de volgende etappe in de ontwikkeling van China.’ Met de partijtop hoopt hij dat de afstoffing van dat oude ideaal de funderingen van het bewind versterkt. En dat Confucius het bij het rechte eind had toen hij opperde dat geen revoluties te vrezen vallen als het volk tevreden is.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud