reportage

Het bloedbad waarover niet gesproken mag worden

©REUTERS

Op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking sloeg het Volksleger dertig jaar geleden honderden Chinezen neer die protesteerden voor vrijheid. De Communistische Partij doet er alles aan om het drama uit schoolboeken en naslagwerken te houden. Het leven in China is nog niet fel veranderd.

Woedend waren de inwoners van Peking toen de Communistische Partij de staat van beleg afkondigde op 20 mei 1989. De boosheid was al een tijd voelbaar in steden overal in het land. In provinciesteden als Xi’an, Hohhot en Harbin gingen mensen de straat op voor meer democratie, de vrijheid om zelf hun werk en hun woonplaats te kiezen en een harde aanpak van de welig tierende corruptie. Het Plein van de Hemelse Vrede in de hoofdstad was het centrum van de massabeweging. Daar kampeerde een groep studenten die Rousseau en andere filosofen citeerden bij hun roep om democratie.

Kort

Het Plein van de Hemelse Vrede in Peking was een van de plekken in China waar studenten en arbeiders demonstreerden voor meer vrijheden.

Op 4 juni 1989 sloegen de autoriteiten de opstand neer. Een onbekend aantal mensen kwam om het leven. Schattingen lopen uiteen van enkele honderden tot meer dan duizend dodelijke slachtoffers.

Uit de hele wereld kwam kritiek op de Chinese Communistische Partij omdat ze het leger op haar eigen volk had afgestuurd. In China wordt het ‘incident’ zo veel mogelijk verzwegen.

 

Over het bloedbad waarmee het Volksleger met grof geweld het plein schoonveegde, wordt in de meeste Chinese schoolboeken met geen woord gerept. De zeldzame naslagwerken die er aandacht aan besteden noemen het een westerse samenzwering en een incident.

Al dertig jaar doet de Communistische Partij haar uiterste best om het drama van die nacht in juni 1989 te bagatelliseren. Dat wordt steeds moeilijker. De vorige generatie schroefde vooral stofzuigers in elkaar en luisterde kritiekloos naar de leuzen van de Communistische Partij, maar de huidige Chinese studenten krijgen wel degelijk een opleiding.

De veeleisende, hoger opgeleide Chinezen zijn het volk waar de Volksrepubliek nu op leunt en waar de Communistische Partij het benauwd van krijgt.

De stijgende welvaart deed ook de honger naar kennis en debat toenemen. In 2017 stroomde 42,7 procent van de Chinese schoolverlaters door naar het hoger onderwijs, vijf jaar eerder was dat nog 12 procent. China komt van ver, want toen de universiteiten in 1978 heropenden, studeerde amper 1,88 procent van de schoolverlaters voort.

De veeleisende, hoger opgeleide Chinezen zijn het volk waar de Volksrepubliek nu op leunt en waar de Communistische Partij het benauwd van krijgt. Ze houdt het hogeropgeleide deel van de bevolking in een beklemmende wurggreep. De Partij kan niet zonder de intellectuelen, maar ze mogen vooral niet te veel vrijheid krijgen om na te denken en te debatteren.

Grondwet

Lange tijd was de universiteit een plek voor levendige discussies over de manier waarop oost en west hun samenlevingen inrichtten. Aan de muur van de faculteit politicologie van de Jiaotong-universiteit in Sjanghai hangen de westerse filosofen Rousseau, Jefferson en Hobbes nog steeds broederlijk naast hun Chinese tegenpolen Laozi, Mengzi en Confucius.

Het Plein van de Hemelse Vrede dertig jaar geleden (boven) en nu. ©AFP

In de jaren na de Culturele Revolutie kreeg de Partij veel steun vanuit de universiteiten. Na de invoering van de grondwet in 1982 was iedereen vol goede moed, maar na het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede begon zich een breuk af te tekenen.

Chinezen in het buitenland keerden zich massaal tegen de Communistische Partij en achter gesloten deuren hadden politieke rivalen het vooral druk met elkaar, waardoor de invloed van de Partij op de staat verzwakte. Intussen werd aan de universiteiten volop gediscussieerd. Er moest een einde komen aan ongelijkheid en corruptie en tegengeluiden moesten meer ruimte krijgen. Er werd, kortom, gepleit voor politieke hervormingen.

Maar toen Xi Jinping zijn populistische rivaal Bo Xilai in 2013 uit de weg ruimde, besefte iedereen dat die hervormingen er niet inzaten. Nu vrezen academici dat de modernisering van China bij Xi Jinping eindigt. ‘Als dit zo doorgaat stort één persoon de hele samenleving in een ramp’, zegt een andere professor.

Xi is vastbesloten de Partij terug te brengen naar het centrum van alles, dus ook naar het hart van de Chinese universiteiten. Een steekproef bij 14 universiteiten wees in 2017 uit dat daar te weinig aandacht is voor ‘ideologisch werk’. Studenten hebben een ‘onrealistische ontevredenheid over het land’ en uiten dat door ‘onbehoorlijke kritiek op de centrale autoriteit’, schreef Su Wei, een professor aan de Partijschool in Chongqing, in de staatskrant Global Times.

Academici zijn niet uit op een verandering van de Partij en ze willen ook niet per se een einde aan het eenpartijsysteem. Ze doen gewoon hun werk, zeggen ze. Kritisch commentaar leveren zijn ze aan hun stand verplicht. Zo dragen ze bij aan de ontwikkeling van China.

Tegenwoordig struinen ‘oude kameraden’ door de universiteitsgangen om te controleren of de professoren het goedgekeurde handboek onderwijzen.

Maar de Partij zit niet te wachten op kritisch commentaar en nam maatregelen. Om studenten niet op ideeën te brengen, is er nog maar één goedgekeurd juridisch handboek. Tot grote verontwaardiging van Chinese juristen zijn de staat en de Communistische Partij volgens dat boek nog altijd gescheiden, ook na de grondwetswijziging die Xi Jinping president voor het leven maakte.

Tegenwoordig struinen ‘oude kameraden’ door de gangen van de faculteiten rechten, politicologie en filosofie. Met het pasje om hun nek mogen ze onaangekondigd deuren van collegezalen opentrekken. Horen ze dat een professor zijn studenten iets vertelt dat niet in het goedgekeurde lesboek staat, dan rapporteren ze dat.

Verklikkers moeten critici het zwijgen opleggen nog voor ze hun mond opendoen, zoals tijdens de Culturele Revolutie in 1966. Docenten op de Peking-universiteiten en de Tsinghua-universiteit melden zelfs dat er ‘werkgroepen’ rondlopen van studenten die elkaar in de gaten houden. Alweer net als toen.

Elk debat wordt in de kiem gesmoord en dat is gevaarlijk, zeggen wetenschappers. Een debat is in een eenpartijstaat minder zinloos dan het lijkt, want zonder intellectuele onderbouwing valt de bodem weg onder de Communistische Partij. Ze gomt ongelukken uit de geschiedenis liever uit dan ervan te leren en dat maakt die bodem poreus.

Lang had de Partij het voordeel van de twijfel. De welvaart groeide onder de communisten meer dan onder alle andere machthebbers en al zeventig jaar heerst een stabiele vrede. Maar na zoveel decennia is de Partij niet meer wat ze geweest is.

De rijkdom van ongeveer 500 princelings, nakomelingen van de oprichters van de Communistische Partij, loopt in de miljarden en ze genieten bijzondere rechten. Behalve aartsrivaal Bo Xilai werd bijvoorbeeld niemand onder hen vervolgd in Xi’s anticorruptiecampagne. ‘Zij zijn de echte communisten. Maar als die communisten het land nu zoveel schade toebrengen, hoe kunnen we dan van ze houden?’, vraagt een van de professoren zich af.

En dat is nu precies wat de Partij niet wil horen. Ze doet alles om te voorkomen dat kritische denkers de massa motiveren. ‘De geschiedenis herhaalt zich niet. Toch willen mensen hun onvrede uiten’, meent een professor. De onvrede verdwijnt niet wanneer je er niet meer over praat. Ze vliegt eerder roekeloos alle kanten op, met chaos tot gevolg. Maar het ‘incident’ fungeert als vaccin voor de samenleving, schreef Global Times gisteren. De Chinezen zullen wel drie keer nadenken voor ze zich weer aan een protest wagen.

Dit stuk is gebaseerd op gesprekken met zeven intellectuelen. Op één na zijn ze allemaal verbonden aan een universiteit. Hun namen zijn bij de redactie bekend.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud