Verdrinken voor de vooruitgang

Het gebied waar de Bunong 2.000 jaar geleefd hebben, verdwijnt langzaam maar zeker onder water. ©Pascal Laureyn

Cambodja ontwikkelt zich snel en daar is veel elektriciteit voor nodig. Die wordt sinds kort geproduceerd door een nieuwe dam van Chinese makelij. Maar stroomopwaarts veroorzaakt dat vooruitgangssymbool een ramp.

Plots houdt de weg op. Het karrenspoor verdwijnt in het water. Een groot meer strekt zich voor mij uit. Ik moet van een motorfiets overstappen naar een kano. ‘Tuk laang’, zegt mijn gids. ‘Het water stijgt.’ Dat begon vijf maanden geleden, toen de nieuwe stuwdam voor het eerst zijn sluizen sloot. Sindsdien zakt de weg naar Kbal Romeas elke dag een beetje dieper onder de golven. Een paar stevige mannen brengen planken op het droge. Huizen van watervluchtelingen worden gedemonteerd om het hout te verkopen.

Het dorp ligt een wereld verwijderd van Phnom Penh. In de hoofdstad tokkelen in saffraan geklede monniken op een smartphone en toeren paarse Rolls Royces rond. 450 kilometer verder verschuilt Kbal Romeas zich diep in de jungle. Hier zijn geen winkels, restaurants of verkeerslichten. Er zijn sinds kort ook geen wegen meer.

De regering is erin geslaagd een catastrofe geheim te houden.
meng heng
activist ngo mother nature

Ik onderneem de reis samen met Vibol. Hij studeert in de provinciehoofdstad en keert vaak terug naar zijn thuis. ‘Mijn ouders hebben het moeilijk sinds er water in ons dorp staat. De regering wil dat we weggaan, maar dat zullen we nooit doen.’

In de uitgestrekte wouden van Stung Treng - een provincie zo groot als Vlaanderen met amper 120.000 inwoners - wonen de Bunong, de etnische minderheid waartoe ook Vibol behoort. Hun cultuur loopt al 2.000 jaar synchroon met de natuur en verzet zich weerbarstig tegen moderne invloeden. Maar de kleine gemeenschap dreigt letterlijk te worden weggespoeld.

Beton versus water

Een paar kilometer verder torent een gigantische betonnen muur boven de bomen uit. In september sloten zich de sluizen van de dam Lower Sesan II (LS2), een symbool voor de economische groei van Zuidoost-Azië. Hier ontstaat een meer dat 360 vierkante kilometer groot wordt, drie keer het Antwerpse havengebied.

©Pascal Laureyn

De tienjarige zoon van mijn gids navigeert de kano die mij naar Kbal Romeas brengt. Hij slalomt handig tussen de bomen van een woud dat nu helemaal blank staat. ‘Pas op voor de takken boven je hoofd’, zegt zijn vader. ‘De cobra’s en de pythons zijn in de bomen gekropen.’ Er is een kortere weg over land, maar die is voor een journalist geen optie. Het leger heeft het hele gebied afgesloten. Geen pottenkijkers toegelaten. Daarom neem ik de lange omweg over het water, een surrealistische tocht van twee uur door de verdronken jungle. ‘De bomen geven nu nog fruit, maar binnenkort gaan ze dood.’ Er is ook minder vis en het water durven ze niet meer te drinken. Sinds de dam hun leven ontwrichtte, moeten de Bunong betalen voor water en vis. Maar geld is een vreemd concept voor animistische bosbewoners die geloven in een harmonieus samenleven met de natuur.

Mijn kano dobbert de hoofdstraat op. Het is er muisstil. Dankzij hun stelten blijven de paalwoningen voorlopig droog, ook al ligt de weg nu al een meter onder de waterspiegel. Tamarinde- en mangobomen geven schaduw. Hier en daar verschijnen kinderen in de deuropening. ‘Soë-se-dei!’ ‘Hallo.’ In het overstroomde Kbal Romeas wonen nog steeds 250 mensen, de helft van het oorspronkelijke aantal.

Verdrinken voor de vooruitgang

Ik klauter van de kano in een huis. De vrouw des huizes biedt me rijst met gekruid varkensvlees aan. ‘Vroeger hadden we hier alles wat we nodig hadden. Maar sinds het water stijgt, moeten we naar de markt’, vertelt Srang Lanh (49), een vrouw met het gezicht van iemand die een heel leven heeft meegemaakt. ‘Daar verliezen we in het droge seizoen drie uur mee. In het regenseizoen is de weg helemaal onberijdbaar.’

Elke dag verdrinkt een ander graf in de wassende vooruitgang van de Chinese dam.

De regering heeft een nieuw dorp gebouwd op een hoger gelegen terrein. ‘Maar we zijn niet van plan te verhuizen’, zegt Vibol. ‘De boeddhistische Cambodjanen begrijpen ons geloof niet. We kunnen onze begraafplaats niet achterlaten.’ Hij brengt me er naartoe. Kleine golfplaten daken steken uit het water. Die gaven vroeger schaduw aan de doden.

Ik vraag de vroegere opzichter van de begraafplaats hoeveel mensen hier onder de vloed begraven liggen. Hij reageert emotioneel. ‘Duizenden! Iedereen die ooit in Kbal Romeas geleefd heeft, ligt hier.’

Elke dag verdrinkt een ander graf in de wassende vooruitgang van de Chinese dam. ‘De geesten van onze voorouders kunnen hier niet weg. Ze in de steek laten is een schande’, zegt Vibol. De Bunong geloven dat ze beschermd worden door hun voorouders. Weggaan betekent onheil.

In Kbal Romeas noemen ze de duivelsdam ‘Kromhun’, het Bedrijf. Het Chinese Hydrolancang heeft 800 miljoen dollar geïnvesteerd in de LS2 en mag hem 30 jaar uitbaten. Op papier lijkt de 400 megawatt producerende dam een goed idee, want dit arme land leeft in het donker. 77 procent van de Cambodjaanse dorpen is niet aangesloten op het elektriciteitsnet.

Maar Kbal Romeas zal nooit een watt krijgen van de Kromhun. 90 procent van de elektriciteit in Cambodja gaat naar de hoofdstad Phnom Penh voor aircotoestellen, neonreclames en textielfabrieken.

©Pascal Laureyn

Ark van Noach

Er is een kleine ceremonie voor de bezoeker, de eerste buitenlander sinds het leger dit gebied in juli heeft afgesloten. Ta Uot is de belangrijkste beschermgeest van Kbal Romeas. Zijn ‘tempel’ is niet meer dan een hut op palen, nu omringd door water. Maar omdat de oervader via visioenen aan de Bunong heeft gezegd waar zijn schrijn moest komen, mag die nooit verplaatst worden.

In de tempel liggen een paar heilige takken en stenen, vanuit hun kano’s gooien de aanwezigen er rijstkorrels naartoe terwijl ze in de oude Bunong-taal gebeden opzeggen.

Ze delen Ta Uot mee dat er een buitenlander op bezoek is. Ze vermelden ook de recentste waterstand. Een pasgeboren kind wordt gezegend. Ondanks de nakende zondvloed is dit een levend dorp, met een simpele hut als een spirituele ark van Noach.

Ondanks de nakende zondvloed is dit een levend dorp, met een simpele hut als een spirituele ark van Noach.

Set Nhal (89) heeft hier heel zijn leven gewoond. Hij herinnert zich de Franse kolonisten, de Rode Khmer en de Vietnamese soldaten die het genocidale regime kwamen wegjagen. En nu de Chinezen. ‘We waren er altijd gerust in dat de Fransen en de communisten ooit zouden verdwijnen. Maar de Chinezen gaan nooit meer weg, die dam blijft staan waar hij staat.’

Meng Heng, een activist van de verboden ngo Mother Nature, kent Kbal Romeas goed. ‘De regering is erin geslaagd een catastrofe geheim te houden. Door de LS2-dam zal het visbestand met een tiende afnemen. De vis kan door de dam niet meer migreren naar de broedgebieden en sterft uit’, weet hij. Geen klein akkefietje, 70 miljoen mensen leven van wat de Mekong te bieden heeft. Er zijn op dit ogenblik 200 dammen in werking, in aanbouw of in voorbereiding. De LS2 is er maar één van.

Voor de Bunong heeft een dag van eeuwen geleden evenveel waarde als de dag van gisteren. Maar die dagen zijn bijna geteld. Als in juni het regenseizoen begint, is het gedaan met Kbal Romeas.

‘s Nachts word ik met een motorfiets over een laatste morzel droge grond weer naar de rest van de wereld geloodst. Ik hobbel door een inktzwarte jungle, langs de verlaten controlepost van het leger.

Ik word gedeponeerd aan een tankstation, een neon oase waar ik de belofte krijg dat er ooit een bus zal langskomen. Ik vraag aan Vibol of ik in Phnom Penh iets kan doen voor hem. ‘Niemand weet wat hier gebeurt. Vertel ons verhaal.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content