sabato

Mijn

De portier van het Memlinc Palace kruipt, nadat ik de hotellobby ben binnengekomen, achter de balie en wordt zo baliemeneer. Als ik even later vanuit mijn kamer de receptie bel met de mededeling dat mijn televisietoestel stuk is, zegt hij terstond iemand te sturen. Waarna hij zelf verschijnt, als roomservice slash huiselektricien. En de volgende ochtend bij het ontbijt is hij ontbijtkelner: ‘goedemorgen meneer, kopje koffie?’ Dat is tegelijk mooi en aandoenlijk. Fawlty Towers meets Hôtel Ritz. En het is Knokke pur sang: het speelt een maatje te groot. Wel een palace, maar niet voldoende personeel. Wel een badplaats, maar niet Zuid-Frankrijk, al denkt het soms van wel. Flatgebouwen verwijzen naar ginder, en heten Monte Carlo, Eden Roc en Nice, of hebben nog dat mondaine van vroeger op de gevel gedrukt, Au Grand Chic, Splendid, Sans Gêne, Royal Ascot en heel veel beaux en belles, Beausite, Beaulieu, Beau Séjour, Beau Lac, Belvédère, Bellevue. Ik logeerde in het Memlinc omdat La Réserve (genoemd naar weer zo’n Zuid-Frans paleishotel, La Réserve de Beaulieu) niet meer is. Toch niet het origineel. Ik was er wel op een van de laatste dagen van zijn bestaan, toen alle lichten in de lobby al waren gedoofd, de verwarming tikte als een oude klok en de balkonreling met plakband werd bijeengehouden. Maar de zwanen oh cliché zwommen in het Zegemeer gewoon hun dagelijkse ronde, zich van geen dreigende sluiting bewust. Ik weet niet waarom, maar Knokke is voor mij vooral ‘le temps perdu’, de scheur in het behang, al ben ik lang niet oud genoeg om Ava Gardner daar gezien te hebben of Frank Sinatra, Maurice Chevalier en Marlene Dietrich. Allemaal sterren die nu, vergeeld en kromgetrokken, in fotolijstjes aan de muur hangen.