sabato

4x inspirerende tuinarchitectuur vol fantasietjes

Sabato vond vier hedendaagse interpretaties van klassieke tuinfolly's: de ruïne, de waterloop, de grotto en het labyrint.

Zijn tuinen te serieus geworden? Sabato grijpt terug naar de tijd van de tuinfolly’s: knotsgekke, architecturale fantasietjes uit historische Engelse en Franse tuinen.

1. De hedendaagse ruïne

Waar? De landschapstuin in Damme van ondernemer-kunstverzamelaar Marc Ooms.

TOEN. In de 18de eeuw was de ruïne een klassieker in de Engelse en Franse landschapstuinen of parken. In een zeldzaam geval stond er al een vervallen gebouw in zo’n tuin. Maar ruïnes werden meestal gewoon nieuw gebouwd. Populair was bijvoorbeeld om een restant van een gotische abdij of Romeinse villa te hebben.

Klassieke folly’s zijn doorgaans louter decoratief, al hebben ruïnes ook een filosofische dimensie: ze roepen melancholie en vergankelijkheid op, twee typische ideeën uit de romantiek. Naar een ruïne kijken is kijken naar cultuur die teloorgaat in de natuur. ‘Het doet ons eraan herinneren dat menselijke monumenten slechts tijdelijk zijn’, schrijft de Nederlandse denker Ton Lemaire in ‘Filosofie van het landschap’.

Nazi-architect Albert Speer recycleerde in de jaren 30 het idee van de ruïne. Hij ontwierp zijn fascistische gebouwen zo dat ze ‘ruïnewaarde’ hadden: als ze ooit in verval zouden raken, zouden het fotogenieke ‘eeuwige’ ruïnes zijn. Rond dat idee maakte kunstenaar David Claerbout een interessante realtimevideo: hij laat een 3D-rendering van Speers olympisch stadion in Berlijn over een periode van duizend jaar tot een fictieve ruïne verbrokkelen.

De slapende reus in de landschapstuin in Damme van ondernemer-kunstverzamelaar Marc Ooms.

NU. In de landschapstuin in Damme van ondernemer-kunstverzamelaar Marc Ooms ligt een stapel stenen die overgroeid is met grassen. Het lijkt wel een ruïne van een tuinmuur of gebouw: een klassieker in romantische landschapstuinen. Maar als je dichterbij komt, merk je dat de gestapelde stenen het beeld van een slapende reus vormen. ‘Het is een werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Angus Taylor. Het heet ‘Hommage aan Hermes’, de boodschapper van de goden uit de Griekse mythologie’, zegt Ooms.

Het lijkt wel een ruïne, maar als je dichterbij komt, merk je dat de stenen het beeld van een slapende reus vormen.

Ook in het Zuid-Afrikaanse hoofdkwartier van Apple in Johannesburg ligt sinds 2010 een versie van deze Hermes-figuur. ‘Taylor is ze hier met vier man komen installeren. Hij gebruikte geen lokale steen, maar een typische Zuid-Afrikaanse leisteen. Het beeld is intussen mooi geïntegreerd in de natuur. En afhankelijk van het seizoen zie je het silhouet minder of meer. Af en toe maaien we rondom eens de hoge grassen, maar eigenlijk palmt de natuur het beeld stilaan weer in, zoals een ruïne. Als er stenen afvallen, lijmen we ze niet minutieus opnieuw vast. Het verval is ingezet. En het kunstwerk is in permanente evolutie, net als de tuin.’

Taylors sculptuur is niet de enige hedendaagse interpretatie van de klassieke tuinfolly bij Marc Ooms. Achter in de tuin werkt zijn tuinman al zes jaar aan een ‘wilgenkathedraal’: een vreemde, ‘groeiende’ structuur van vervlochten wilgenstammen, met middenin een cirkel in oude Damse steen. ‘Architectuur, gemaakt van natuur’, aldus Ooms. 

De wilgenkathedraal: een vreemde, ‘groeiende’ structuur van vervlochten wilgenstammen, met middenin een cirkel in oude Damse steen.

2. Het kunstmatige waterkanaal

Waar? In een gigatuin met zes tuinkamers en een beeld van Jean-Michel Folon.

TOEN. Tuinfolly’s zijn per definitie artificieel. Of ze nu geïnspireerd zijn op de klassieke architectuur (tempels, ruïnes), exotische bouwwerken (pagoden, theepaviljoenen) of vormen uit de natuur (grotten of watervallen): ze voelen altijd ongemakkelijk in een tuin. En dat maakt hen net zo onweerstaanbaar. De ‘garden folly’ heeft per definitie geen direct nut, maar dient puur als decoratieve gekheid. Je kan er niets mee, behalve jezelf en je bezoekers amuseren. Vaak waren folly’s inderdaad spraakmakend: ze flirtten als zonevreemde constructie met de grenzen van de kitsch.

Het artificiële waterkanaal is een geval apart. De Perzen namen die traditie heel serieus in hun ‘goddelijke paradijstuinen’. Maar als tuinfolly mag water best onnatuurlijk overkomen én zelfs een zichtbaar kunstmatige constructie zijn in de tuin. Met als culminatiepunt: de synthetische waterval.

NU. ‘Voor een Belgische klant mochten we een tuin ontwerpen waarin veel te beleven viel. Het uitgangspunt waren de traditionele ‘lusthoven’: paradijselijke pleziertuinen met aangelegde tuinkamers waarin je van de ene verrassing in de andere viel’, zegt tuinarchitect Bart Joris.

Tuinarchitect Bart Joris ontwierp een rode loper van water, geïnspireerd op de traditionele 'lusthoven'.

‘De strakke wateras ligt hier visueel in het verlengde van de langwerpige woning. Vanuit een vier meter brede sofa kijk je recht op dit water, geïnspireerd op de kanalen in de Moorse tuinen. Dat loopt als een rode loper tot aan het einde van de tuin, die visueel langer lijkt. De blik wordt automatisch 16 meter verder geleid, naar het beeld van de Belgische kunstenaar Jean-Michel Folon. Het water symboliseert de bron van het leven. Dat loopt via vier spuwertjes naar beneden in het ondiepe kanaal. Zo’n waterpartij komt vaak voor in Franse tuinen, maar de waterspuwers zijn hier niet figuratief, wel hedendaags en abstract.’

Het kanaal wekt de illusie op van een perfecte spiegel, iets wat vaak terugkomt bij tuinfolly's.

Het leuke is: die druppende bron veroorzaakt bijna geen rimpeling in het water, waardoor het kanaal van cortenstaal de illusie van een perfecte spiegel opwekt. Een typisch trompe-l’oeil-ideetje, iets wat vaak terugkomt bij tuinfolly’s: ook bij een grotto of aangelegde ruïne is niks wat het lijkt. ‘Pas als het water hier aan de trapjes komt, zie je beweging in het kanaal’, zegt Joris. ‘De eigenaar van de tuin was zo blij toen hij ontdekte dat de vogels zich kwamen wassen in dat kunstmatige watervalletje.’

Rond het kanaal maakte Joris een tuinkamer van taxusmuren, die als soldaten het water begroeten. Het gazon dan weer is afgeboord met witte steen, ook typisch voor Italiaanse tuinen. ‘Door het gras zo strak af te lijnen, krijgt het de look van een tapijt’, aldus Joris. ‘Het is de menselijke beheersing van de natuur, net zoals dit waterkanaal.’

Zulke ideeën zijn niet evident om te realiseren. ‘Maar deze klant ging er ver in mee. In totaal heeft hij zes grote tuinkamers op een tuin van 1 hectare. Hij wou geen open landschapstuin, wel een aangelegd paradijsje waarop hij niet uitgekeken raakt.’ 

3. De artificiële rotsformatie

Waar? In de parktuin van een zakenman uit het Brugse.

TOEN. Een ‘grotto’ - een artificiële rotsformatie - was vanaf de 16de eeuw een hit in Italiaanse en Franse tuinen. Beroemde voorbeelden vind je in de Boboli-tuinen in Firenze en bij het Kasteel van Versailles. De trend waaide in de 18de eeuw ook over naar Engeland, waar de grotten soms dienden om schaduwminnende planten (zoals varens) in te kweken. Doorgaans was zo’n kunstmatige spelonk aan de binnenkant afgewerkt met stenen, maar soms werd ze ook gedecoreerd met schelpen, stenen of kunstmatige stalactieten.

Net zoals de Wunderkammer diende de grotto om gasten mee te imponeren. Maar de artificiële grot speelt ook met de verwarring tussen wat binnen en buiten, menselijk en natuurlijk is. Zo’n stukje imitatienatuur zegt daarom ook veel over het toenmalige wereldbeeld: de mens voelde zich stilaan superieur aan Moeder Natuur. Hij stelde zich luidop de vraag: is de mens of de natuur nu de grootste kunstenaar op aarde?

In deze parktuin bouwde architect Wim Goes een hedendaagse grotto.

NU. In de parktuin van een zakenman uit de regio Brugge ligt boven een originele ijskelder een Chinees paviljoen én een 19de-eeuwse grotto van wel 30 meter lang. De Gentse architect Wim Goes zette aan de andere kant van de tuin een hedendaagse interpretatie ervan neer. Niet in steen of beton, maar in staal. ‘In deze folly is de transitie tussen binnen en buiten, tussen natuur en architectuur flou geworden. In de ‘Blue Residence’ lopen de vloeren door van binnen naar buiten. En de ramen kunnen helemaal open. Je bepaalt zelf of je een grens maakt tussen natuur en architectuur’, zegt Goes.

Het paviljoen ligt op de plaats waar zich vroeger de boomgaard en de moestuin van het kasteeltje bevonden. Een pergola maakt de naadloze verbinding tussen de buiten- en binnenruimte. De grid die in de structuur verwerkt is, is geïnspireerd op het typische ‘trellis’-traliewerk uit Engelse tuinen.

De Grotto van Wim Goes is niet in steen of beton, maar in staal.

‘Een tuinfolly is iets onverwachts, zonder een duidelijk programma of zonder afgelijnde functie. Ze heeft niet de restricties die in architectuur zo fel aanwezig zijn. Je mag deze structuur niet zien als een aparte woning, als een tuinkamer of logeerkamer, want je moet bijvoorbeeld eerst naar buiten om het sanitair te gebruiken. Het is een plek die de gebruiker zelf kan invullen. Op zich is het paviljoen geen ‘voorgeschreven’ realiteit, maar tegelijk liggen alle interpretaties open. In die zin is dit bouwsel wel een unieke opdracht geweest.’ 

In de stalen grotto - ‘Blue Residence’ - lopen de vloeren door van binnen naar buiten.

4. Het doolhof

Waar? Op het historisch landgoed La Gara in Genève, eigendom van architecte Verena Best-Mast.

TOEN. Tuinfolly’s spelen graag met verwarring: tussen natuur en cultuur, en tussen echt en vals. Het labyrint is daar het summum van: een kunstmatig aangelegd stukje natuur dat geen andere functie heeft dan je te verwarren. Het woord ‘doolhof’ zegt het zelf: het is letterlijk bedoeld om je om de tuin te leiden.

De roots ervan liggen in de Griekse mythologie, meer bepaald bij het Kretenzische labyrint van koning Minos, waarin de Minotaurus - een schepsel met de kop van een stier en het lichaam van een mens - opgesloten zat. Zowel in de Romeinse architectuur als in middeleeuwse kerken kwam het labyrint voor. De bekendste voorbeelden staan op de vloertegels van de kathedralen van Chartres en Amiens in Frankrijk.

Tijdens de Italiaanse renaissance werden de eerste doolhoven in tuinen aangelegd, zowel met één traject als met dwaalwegen. De trend waaide over naar de rest van Europa. Zo had ook het Kasteel van Versailles een bekend tuinlabyrint, net als Schloss Schönbrunn in Wenen en Hampton Court Palace, even buiten Londen.

In België zijn er beroemde doolhoven in de tuinen van het Museum Van Buuren (aangelegd door tuinarchitect René Pechère), bij het Kasteel van Loppem (bij Brugge) en bij het Kasteel van Freÿr (in de provincie Namen). Ook de bekende Franse interieurarchitect Pierre Yovanovitch heeft in het park van zijn kasteel in de Provence een labyrint aangelegd, ontworpen door Louis Benech. De traditie is duidelijk nog niet dood.

NU. In zijn allereerste tuinontwerp - zijn bureau was in 1990 pas een jaar open - tekende de Brusselse landschapsarchitect Erik Dhont al een doolhof. Dat was voor ondernemer Piet Van Waeyenberge.

Op het landgoed La Gara in Genève staat in het doolhof ook nog een trompe-l’oeilspiegel.

Een onvoorstelbare opdracht, op diens 20 hectare grote domein in Gaasbeek, met historische gebouwen uit 1602. Dhonts abstracte doolhof vol gebogen haagstructuren ligt daar half verzonken in de grond, en hij verwierf er vrijwel meteen een internationale reputatie mee als landschapsarchitect die perfect een hedendaagse tuin kan integreren in plekken die bulken van geschiedenis.

Doolhof op het landgoed La Gara bij Genève, ontworpen door landschapsarchitect Erik Dhont.

Dat was ook de Zwitserse familie Best niet ontgaan, toen die in 2000 het verwaarloosde landgoed La Gara bij Genève kocht. Met uitzicht op het Jura-gebergte en vlak bij het Meer van Genève is dit 45 hectare grote domein sowieso adembenemend. Bewoonster/architecte Verena Best-Mast restaureerde de 18de-eeuwse gebouwen op de site, Dhont hermodelleerde het landschap en de tuinen. De opdracht was zo belangwekkend dat er zelfs een boek van 370 bladzijden over is uitgegeven.

Het grillige doolhof is opgebouwd uit een hele rist plantensoorten en leidt naar een witte ovale tafel waarop een palindroom staat.

Dhont koos niet voor een restauratie, want dan rijst meteen het probleem ‘naar welke periode je de klok terugdraait’. Hij pakte de opdracht zeer hedendaags aan, met onder meer een rozentuin, een pluktuin en een armada van acht geometrische, afgeschuinde haagstructuren. De opmerkelijkste ingreep was het nieuwe labyrint: een tuin in een tuin, waarvoor Dhont samenwerkte met de Zwitserse kunstenaar Markus Raetz.

Dhont selecteerde verschillende plantensoorten voor het grillige doolhof, van buxus en hulst tot veldesdoorn, winterjasmijn en gele kornoelje: soorten waardoor het doolhof elk seizoen een ander uitzicht krijgt. Het labyrint is hedendaags opgevat: het is 650 vierkante meter groot en leidt zowel naar een trompe-l’oeilspiegel als naar een ovale tafel waarop een palindroom staat: een gecodeerde zin die je evengoed achterstevoren kan lezen. Raetz inspireerde zich daarvoor onder meer op Joseph Haydns ‘Symfonie nummer 47’, die de bijnaam ‘Le Palyndrome’ kreeg. In die symfonie keert een motief achterstevoren terug in de compositie.

Om maar te zeggen: dit doolhof kan je niet zomaar ondergaan. Het vergt een actieve deelname van de bezoeker, die mee puzzelt, zoekt en - uiteindelijk - zichzelf tegenkomt.

Lees verder

Advertentie
Advertentie