sabato

Belgen zijn zot van de paviljoenen van Amerikaans kunstenaar Dan Graham

©Courtesy Lisson Gallery

Het summum van outdoorkunst? Dat is nog altijd een glazen paviljoen van de Amerikaanse minimalist Dan Graham. Van al zijn paviljoenen wordt het gros niet alleen door een Belgisch bedrijf geproduceerd en geplaatst. Ook zijn assistent, Kris Kimpe, is een Belg. En ons land telt allicht ook de grootste concentratie Dan Graham-paviljoenen per vierkante kilometer.

Je wil niet weten hoe hoog de telefoonrekening van de Amerikaanse kunstenaar Dan Graham (76) oploopt. Elke ochtend voert hij een lang telefoongesprek, meestal met een kennis uit Europa. Vaak met Kris Kimpe, een Belgische architect die al twintig jaar Grahams assistent is. ‘Dan praat heel graag. Dagelijks zit hij gemakkelijk een paar uur aan de telefoon. Al is het meestal eerder een monoloog dan een dialoog’, zegt Kimpe. ‘Hij heeft ook een opvliegend kantje. Een echt gesprek aangaan is moeilijk, want als hij het oneens is, begint hij snel te roepen. En al zeker als je hem als beeldhouwer bestempelt.’

Dan Graham. ©AU1CT43297

Natuurlijk kan je Graham niet alleen vastpinnen op de sculpturen binnen zijn oeuvre. Hij maakt ook video’s, foto’s en doet performances. Al is het wel met zijn buitenpaviljoenen dat de Amerikaanse generatiegenoot van Donald Judd, Sol LeWitt, Dan Flavin, Carl Andre en Richard Serra sinds de jaren 80 de meeste bekendheid geniet.

Ze staan wereldwijd in musea, publieke beeldentuinen én bij grote privéverzamelaars thuis. ‘Sociale plekken’, noemt hij ze zelf. Zijn bouwsels in geschuurd inox en industrieel reflecterend glas zijn geïnspireerd op zowel de klassieke ‘garden follies’ als op hightech hedendaagse architectuur. Maar evengoed op banale bushokjes en telefooncellen: straatarchitectuur waarrond het dagelijks leven zich afspeelt.

‘Global Warming’ in de tuin van verzamelaar Geert Behaegel. ©lieven dirckx

Waarom die paviljoenen al dertig jaar zo aantrekkelijk zijn? Door hun spel van voyeurisme en reflectie, van binnen en buiten, van intimiteit en interactie. Wie er al eens in rondwandelde, weet dat het een filmische ervaring is. Een mindfuck in tijd en ruimte.

Verward

‘Roof Garden Commission’ op het dak van het Metropolitan Museum of Art, New York, in 2014. ©Courtesy Lisson Gallery

‘Met Dan valt moeilijk een gesprek aan te knopen’, bevestigt Flor Broes, bedrijfsleider van Moker uit Boom, dat Grahams paviljoenen al twintig jaar fabriceert en wereldwijd plaatst. Van Hongkong tot Brazilië, van het Middelheimmuseum tot het dak van het Metropolitan Museum of Art in New York.

Jaarlijks maakt het Belgische bedrijf een aantal paviljoenen voor de Amerikaan, de helft publieke en de helft privéopdrachten. ‘Hij kan nogal verward zijn. Maar toen ik hem persoonlijk ontmoette, begreep ik dat zijn paviljoenen eigenlijk gaan over communicatie. De spiegelende of transparante oppervlakken gaan in interactie met de omgeving of met de natuur. Maar ook met de mensen errond’, aldus Broes.

Het bedrijf Moker uit Boom fabriceert én plaatst wereldwijd Grahams paviljoenen: van Hongkong tot Brazilië, van het Middelheimmuseum tot het dak van het Metropolitan Museum of Art in New York. ©rv

Dat Moker de paviljoenen van Graham mag vervaardigen, is te danken aan Kimpe. Die leerde de Amerikaanse kunstenaar midden jaren 90 kennen via zijn toenmalige vriendin, die aan de Rijksacademie in Amsterdam studeerde. De studenten daar krijgen praktijk- en theorieles van internationaal bekende kunstenaars als Luc Tuymans, Hermann Pitz en dus ook Dan Graham.

‘Zo leerde ik Dan ook persoonlijk kennen. Hij wist dat ik architect was. En exact twintig jaar geleden kreeg ik van hem plotseling de vraag om een paviljoen uit te voeren. Ik maakte tekeningen en contacteerde enkele ondernemingen. Moker kwam er als beste partner uit. Sindsdien werkt het nauw samen met mij en Dan.’

Hert versus paviljoen

‘Play Pen for Play Pals’, Dan Graham, 2018. Stainless steel, glass and two way mirror. De Amerikaanse minimalistische kunstenaar Dan Graham geniet wereldwijd bekendheid om zijn buitenpaviljoenen, die met hun hol- of bolronde glas een soort hedendaagse spiegelpaleizen zijn. ©Courtesy Lisson Gallery

‘In het begin waren al zijn paviljoenen geometrisch’, zegt Broes. ‘Maar sinds hij organische, convexe en concave vormen gebruikt, zijn ze technisch complexer te maken. Ze moeten bijvoorbeeld kunnen weerstaan aan extreme windstoten. Vroeger waren de glaslatten dikker en bleven de schroeven zichtbaar. Nu zijn de profielen veel slanker en zitten de constructieve details zo netjes mogelijk weggewerkt.’

Wanneer we Broes spreken, is hij net terug uit Groot-Brittannië voor een ongewone opdracht. ‘Bij een privéverzamelaar moesten we een paviljoen van Dan Graham ontmantelen. Het stond op zijn landgoed, waar ook 300 herten rondliepen. Om het zacht uit te drukken: ze hadden het paviljoen niet gespaard.’ Het paviljoen staat voorlopig in een opslagplaats, in afwachting van een dier- en kunstvriendelijke oplossing.

Labyrint met uitzicht

‘Hedge Two-Way Mirror Walkabout’, Dan Graham, 2014. Stainless steel, hedge, two-way mirror glass. ©Courtesy Lisson Gallery

‘Dan zegt altijd: mijn paviljoenen moeten a great photo opportunity zijn’, weet Kimpe. Dat betekent: ze moeten goed onderhouden zijn, want met vuil glas zijn ze stukken minder aantrekkelijk. Lees: minder fotogeniek.

Het meest perfecte plaatje was ongetwijfeld de Roof Garden Commission op het dak van het Metropolitan Museum of Art in 2014. Duizenden mensen kwamen rondhangen bij Grahams glazen ‘bocht’, die de New Yorkse skyline én het publiek magistraal vervormde. Foto-opportuniteit alom, zo bewijzen de picknickkiekjes en selfies die ervan circuleren. ‘Dan heeft niets liever dan dat er een bankje in de buurt van zijn paviljoen staat. Zodat grootouders erop kunnen rusten, en hun kleinkinderen in en rond het kunstwerk kunnen spelen. Die hebben zijn werk meestal nog het best begrepen’, zegt Kimpe.

‘Reflectie en transparantie zijn belangrijk in zijn werk. Humor en speelsheid ook, al neemt hij zijn werk zeer serieus. Maar het meest essentiële aspect is de mens. Die moet zichzelf of de ander weerspiegeld zien. En dat leidt soms tot grappige vervormingen, zoals in een spiegelpaleis. Door dat bol- of holronde glas zie je er namelijk boller of slanker, uitgerekter of net korter uit. Hoe meer interactie, hoe beter. In die zin is een paviljoen dat in de tuin van een verzamelaar staat, natuurlijk een pak minder sociaal.’ Het is inderdaad een contradictie in Grahams werk. Want hoe vaak zou een collectioneur in zijn of haar paviljoen rondlopen? Eén keer per maand?

Een naamloze installatie van Dan Graham tijdens Artscape Nordland, Noorwegen. ©Alamy Stock Photo

Angstmaatschappij

The New York Times was alleszins lovend over het Metropolitan-paviljoen. ‘Het idee is zo perfect dat het al veel vroeger gerealiseerd moest zijn’, schreef de Amerikaanse krant. De Britse Financial Times zag in Grahams sculptuur een ‘labyrint dat bewust verwarring zaait tussen al die corporate glasarchitectuur van de New Yorkse skyline. Rationality gone nuts.’ Wat beide kranten niet schreven: die realisatie had een Belgische making-of.

‘Stage Set for Music no 2 for Glenn’, Dan Graham, 2018. Stainless steel and two way mirror. ©Courtesy Lisson Gallery

Kimpe werkte het paviljoen bouwtechnisch uit, op basis van een schets van Graham. Moker produceerde het werk en vloog over om de plaatsing te doen, al was dat allesbehalve evident. ‘Heel die constructie moest bestand zijn tegen een of andere zeldzame storm die één keer om de 150 jaar voorkomt. Amerikanen leven in een angstmaatschappij. Ze willen geen enkel risico nemen’, zegt Kimpe, die de realisatie van dichtbij meemaakte. ‘Dan en ik hebben onze werkmethode gaandeweg ontwikkeld.

Vroeger stuurde hij me per fax een gekribbelde tekening, nu mailt hij ze. Aanvankelijk snapte ik zijn krabbels niet altijd, nu weet ik perfect wat hij bedoelt. Ik zet zijn minimale schetsen om in computertekeningen met de maten erbij. Vervolgens zet Moker in samenspraak de tekeningen technisch verder uit. Pas als een paviljoen effectief gebouwd wordt, betaalt Dan mij. Maar dankzij hem ben ik wel al op onvoorstelbare plekken in de wereld geweest. Als mens heb ik hem doodgraag. Hij is intelligent, grappig, gepassioneerd en soms ook eens driftig. Een uniek persoon. Tussen Dan en mij is in twintig jaar tijd een diepe vriendschap ontstaan. Hij is veel meer voor mij dan een baas.’

‘Showing Off the Body’, Dan Graham, 2016. Two-way mirror glass, perforated steel. Door hun spel van voyeurisme en reflectie, van binnen en buiten, van intimiteit en interactie zijn de paviljoenen van Dan Graham een mindfuck in tijd en ruimte. ©Courtesy Lisson Gallery

Belgische connectie

Als hij het oneens is, begint dan Graham al snel te roepen. En al zeker als je hem als beeldhouwer bestempelt.

Als hij de kans heeft, komt Graham ook graag naar ons land. Zoals op donderdag 21 maart, wanneer het museum Wiels in Brussel voor hem een lunch organiseert en hem duiding laat geven bij een video op het performancefestival Performatik. Graham heeft effectief een band met België. En niet alleen omdat zijn assistent hier woont en werkt. Of omdat hij zo vaak samenwerkt met Moker. Maar ook omdat hij hier zo veel werk in museale en privécollecties heeft zitten.

‘België is wellicht het land met de hoogste concentratie aan ‘Dan Graham’-paviljoenen per vierkante kilometer’, vermoedt Kimpe. ‘Nog vóór Dan zijn paviljoenen maakte, waren er al Belgische verzamelaars als Herman Daled en Anton Herbert die vroeg werk van hem kochten.’ Graham werkte in de jaren 70 ook samen met de Brusselse galerie MTL van Fernand Spillemaeckers. De generatie verzamelaars erna, met onder meer Lieven Declerck en Geert Behaegel, kochten in de jaren 80 en 90 paviljoenen. Ook in het Middelheim kwam een paviljoen terecht: het ‘Belgian Funhouse’ uit 2004 stond vroeger op het Antwerpse Sint-Jansplein.

Het eerste paviljoen dat ze samen maakten, was in opdracht van curator Thierry de Duve in 2000, voor een expo in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Het paviljoen verhuisde daarna naar de toenmalige BBL-bank, nu ING, waar je het nog altijd kan zien. ‘Vroeger stond het pal in de hall, tegenwoordig in een parkje achter het hoofdgebouw. Als je er ’s middags voorbijkomt, zitten daar in en rond het paviljoen altijd mensen hun boterhammetjes op te eten. Het perfecte scenario voor Dan.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie