Marie-José Van Hee, de grande dame van de architectuur in België: ‘Mijn devies? Ni dieu, ni maître’

Architecte Marie-José Van Hee krijgt na dertig jaar opnieuw een tentoonstelling in De Singel in Antwerpen: een ontdekkingstocht langs architectuur, maar ook kunst én een bijzondere boom.

Marie-José Van Hee (72)

  • Geboren in 1950 in een aannemersfamilie.
  • Studeerde in 1974 af aan Sint-Lucas in Gent. Er waren slechts vier vrouwen in haar jaar.
  • Ging eerst aan de slag bij de architectenassociatie Groep Planning in Brugge. Daarna werkte ze samen met de Brusselse architect Johan Van Dessel.
  • Richtte in 1990 haar bureau Marie-José Van Hee Architecten op.
  • Stelde in 1992 een eerste keer tentoon in De Singel.
  • Vertegenwoordigde België in 2012 en 2018 op de Architectuurbiënnale van Venetië.
  • Heeft na veertig jaar meer dan 400 projecten op de teller, waarvan 250 gerealiseerd: huizen, openbare gebouwen, bruggen, pleinen…

Een lieflijk smal straatje in het oudste deel van Gent, ergens nabij de plek waar keizer Karel werd geboren. Hier woont Marie-José Van Hee, tussen huizen in verschillende tinten van minzaam grijs, in een breed gebouw met hoge ramen boven een blinde muur en twee deuren, een smalle en een brede. Ze wandelt net de hoek van de straat om met een boodschappentas ‘een mens moet ook eten, hé’ en laat ons gezwind binnen langs de kleinste deur die meteen doorgang geeft naar de keuken, met een fors fornuis en een gul raam naar de binnentuin.

Advertentie
©Filip Dujardin

Aan het einde van die binnentuin, achter een hoge muur, zijn werklui bezig aan haar nieuwste project: alweer een huis voor haarzelf, maar kleiner dan datgene waarin we ons nu bevinden. Ze zet een pan met water op het vuur voor thee. ‘Tja, ik doe niet anders dan bouwen’, lacht ze. ‘Het is het enige wat ik kan. Dat, en koken. Of ik er zelf ga wonen, weet ik nog niet. Ik kan moeilijk scheiden van dit huis. Daar is het wat te klein. Ik vond gewoon dat ik zelf beter iets kon bouwen in mijn hof, dan was het in communicatie met dit huis hier.’

©Filip Dujardin

Ze gaat mij voor naar haar woonkamer. Door een lage deur is binnenkomen in deze ruimte enigszins ‘binnentreden’. Het vertrek boezemt ontzag in, zeker door de hoogte. Het heeft iets van een kloosterruimte. Maar het is er warm en licht, en helemaal niet killig. De lange tafel met een kraakwit tafellaken en kaarsen nodigt uit tot gesprekken van uren. De stilte is als een zachte deken. De straat ligt er ver, achter kasten en hoge ramen.

©Filip Dujardin

Drie glazen deuren geven uit op een gaanderij langs de binnentuin, waar de herfst het groen langzaam in een sluimerslaap dwingt. In de hoek van de kamer zit een hoge open haard, tot op de grond, zoals in oude middeleeuwse huizen. De enige meubels zijn een bank met kussens, twee lange tafels, stoelen. Op de open, rechte stenen trap naar de tussenverdieping liggen stapels boeken te wachten op een plaats in de bibliotheek. Tot Van Hee ze weer voor een volgend project op haar werktafel legt, ter inspiratie. Want boeken delen hier met haar hun rijkdom.

©Filip Dujardin

Dicht bij de aarde

Marie-José Van Hee (72) is geen vlotte prater. Ze wikt bedachtzaam haar woorden, laat stiltes tussen haar zinnen. Ze omschrijft gedachten, zet vaak drie onzichtbare puntjes. Ook haar architectuur is veeleer zwijgzaam. Op het eerste gezicht ascetisch. Ontdaan van overbodigheid. Nooit pretentieus. Maar eigenlijk zijn haar huizen en gebouwen even warmhartig en down-to-earth als zijzelf. Bij de aarde, ook letterlijk. ‘Ik heb grond onder mijn voeten nodig’, zegt ze bijna verontschuldigend. ‘In een appartement voel ik mij te beperkt.’

Is het makkelijker om voor jezelf een huis te tekenen? Ze vindt dat net veel moeilijker. ‘Over dit huis heb ik tien jaar gedaan’, vertelt ze. ‘Er waren oorspronkelijk vier huisjes, in een ervan woonde ik al. Ik mocht die huisjes niet afbreken. Ik heb mijn ontwerp voor verschillende commissies moeten verdedigen. Niets was goed. De ramen zaten te hoog. Ik was daardoor niet ‘sociaal’ naar de straat. Maar net als het donker is, verlicht het huis de hele straat. Ik bouwde ook niet diep genoeg, maar dan zou ik geen binnentuin hebben. Allemaal idiote regels.’

©Filip Dujardin

‘Ik had niet echt een programma toen ik eraan begon. Veel is ontstaan tijdens mijn vakanties, tekenend, in de zon. Het grappige is: veel mensen vinden dat dit huis als een vakantiehuis aanvoelt. Wegens de rust. Dat ligt niet alleen aan de afwezigheid van lawaai, maar ook aan de ruimte zelf. Ik heb vaak het gevoel dat kleine kamers de geest verengen. Zoals een isoleercel.’

De binnentuin met het groen, de bomen en de vijver is een oase midden in dit huis, de straat, de stad. Dat de natuur of de stad bij het leven in een ruimte betrokken wordt, is voor haar erg belangrijk. Van Hee wil de mensen voor wie ze bouwt letterlijk een perspectief geven, welzijn en vrijheid in hun manier van wonen. ‘Bij sociale woningen vind ik het erg dat wie erin moet wonen soms maar één oriëntatie naar buiten heeft. Ik vind dat je als mens minimaal twee oriëntaties moet hebben, of overhoeks, of via een doorsteek. Dat je de ochtend kunt ervaren in je woning én de avond. Een dergelijke context geeft ruimte in de geest, zodat je je goed kunt voelen als mens in je eigen plek.’

©Filip Dujardin

Summum van evenwicht

Van Hees architectuur wordt weleens omschreven als erg zintuiglijk. Wat zij met gebouwen doet, is een aantal basiselementen herschikken. Niet rationeel, maar intuïtief. Hoe komt ze tot die intuïtieve zuiverheid die zoveel verwondering opwekt als je de ruimte ervaart? Ze denkt na, zegt aarzelend: ‘Er zit wel een gevoeligheid in mij, maar je leert die ook wel aan, denk ik, als je in de natuur gaat wandelen. Voor mij zijn verhoudingen in architectuur een kwestie van evenwicht zoeken.’

‘Als student of in het begin van je carrière probeer je na te gaan waaraan het ligt dat dingen in evenwicht zijn. Je zoekt ernaar. De abdij van Le Thoronet, de cisterciënzerabdij in Zuid-Frankrijk, is voor mij het summum van evenwicht. Je komt er binnen en je voelt er het evenwicht in de stenen, in de muren, in de opeenvolgingen, in de stappen die je doet in de kerk. Dan vraag je je af: hoe vertaal je dat evenwicht, dat wat je voelt in architectuur, in een enkel materiaal als stenen? Je intuïtie is richtinggevend. Je kunt iets perfect uittekenen, maar als je het rigide uitvoert, wordt het steriel. Het is belangrijk dat je zoékt naar perfectie, maar dat je flexibel denkt. Er mag weleens een hoek af. Dat maakt het juist weer leefbaar. Je moet alleen je basisidee handhaven. Zorgen dat je daar je weg blijft volgen.’

©Filip Dujardin

Met dezelfde intuïtieve ingesteldheid begint ze aan een opdracht. Ze blijft op papier ontwerpen, vanaf nul, iedere keer. Aan tafel, met een potlood. Dat zoeken, wikken en wegen tot alles precies is, puur, heel doordacht en juist, resulteert bij Van Hee in gebouwen die rust geven.

‘Ik vertrek nochtans altijd vanuit een chaos. Een massa aan informatie die ik verzamel en waaruit ik keuzes maak. Met de impressies van de bouwheer, van het terrein, van de omgeving, met alles wat ik in mijn bibliotheek heb zitten aan architectuur, architectuurgeschiedenis, met wat ik gelezen heb, wat ik belangrijk vind, begin ik te schetsen. Van ontwerpen zelf word ik gelukkig. Ook al vlot het niet meteen. Ik zoek verder tot ik het gevoel heb dat het ‘af’ is, als het allemaal in elkaar klikt.’

©Filip Dujardin

Grande randonnée

Ik vraag haar hoe ze haar nieuwe tentoonstelling in De Singel heeft opgevat. Hoe begin je aan zoiets? ‘Door uit te gaan van de gedachte: ik ben geen architect in mijn eentje’, zegt ze resoluut. ‘Dertig jaar geleden maakte ik mijn eerste tentoonstelling in De Singel. Toen ging het alleen over mijn werk. Ik vind het zeer moeilijk om in het middelpunt te staan, maar ik ondervond in die beginjaren dat je niet gehoord wordt als je niet zegt wat je te zeggen hebt of niet naar buiten komt met je werk. Bovendien zat ik ook met het ‘vrouwensyndroom’, dat ik toch beter mijn best moest doen om over een denkbeeldige streep te kunnen raken, om aandacht voor mijn werk te krijgen. Zonder pretentieus te zijn: ik had toen wél het gevoel dat ik iets kon.’

Met haar nieuwe tentoonstelling in De Singel palmt ze met zachte hand de hele cultuurtempel in. Deze keer niet alleen met haar eigen werk, maar ook met dat van kunstenaars en collega’s. ‘De tentoonstelling heet ‘A Walk’, een wandeling. Ik heb vroeger heel veel gewandeld, met de rugzak, in de Cevennen, naar Compostela... Wandelen is voor mij iets fascinerends, al gaat het nu wat trager dan toen. Vanuit het idee van de ‘grande randonnée’ heb ik in De Singel een paar wandelingen uitgezet. Een eerste wandeling, de GR5A, focust op hoe je binnenkomt in het gebouw en hoe je het ontdekt: het gebouw zelf, de binnentuin, het muziekconservatorium. Ik wil niet dat mensen meteen naar de tentoonstellingsruimte stormen. De bezoeker wordt uitgenodigd om te wandelen en de kunstwerken te ontdekken: al aanwezige en enkele nieuwe. We tonen bijvoorbeeld werk van de in 2020 overleden collega Christian Kieckens. Hij krijgt een ereplaats.’

In ‘A Walk’ wordt de bezoeker meegenomen op een ‘wandeling’ door het oeuvre van Van Hee en het werk van andere architecten, kunstenaars en denkers. Op de foto: woning du fossé in Zuidzande, Nederland.
©David Grandorge

Grote moerascipres

Van Hee pakte deze tentoonstelling aan zoals ze aan een ontwerp van een gebouw begint: met het planten van een boom. In dit geval een grote moerascipres. ‘Bij projecten op plekken waar bomen staan, probeer ik die maximaal te behouden. Als er geen bomen staan, plant ik eerst een boom.’

De boom komt in de binnentuin van Léon Stynen, de architect die het oorspronkelijke gebouw van De Singel ontwierp in de jaren 60-70. Van Hees tentoonstelling wil ook Stynen eer aandoen. ‘Het gebouw van Stynen is qua ruimte en licht prachtig, ook al heb je elementen die eigen zijn aan de jaren 70. Veel bezoekers onderwaarderen dit gebouw door meteen de trap op te schieten richting concertzaal. Terwijl Stynen een binnenplaats met wandelgalerij ontwierp, zoals vroeger in kloosters en abdijen.’

Van Hees ingreep beperkt zich niet tot het planten van een boom. Ze pakte ook het gebouw aan. Het oorspronkelijke gebouw van Stynen werd in 2010 uitgebreid door architect Stéphane Beel. ‘Het parcours loopt ook door naar die uitbreiding, waar het muziekconservatorium is. Maar de gesloten dubbele deur tussen het deel van Stynen en dat van Beel vond ik triest. Niets zegt dat er nog iets achter de deuren zit. Van meet af aan dacht ik: daar moet een glazen deur komen. Ook omdat de muurschildering van René Guiette op die plek daardoor veel beter tot zijn recht komt. Guiette, dat is de kunstenaar die zijn woning in Wilrijk liet ontwerpen door Le Corbusier.’

Van Hee deed de eerste verbouwing van de ModeNatie.
©Jan Verlinde

Replica in katoen

Een tweede, kleinere wandeling is de ‘petite randonnée’, de PR5A, die in de tentoonstellingsruimte het werk van Van Hee en van andere architecten belicht. ‘In de tentoonstellingsruimte krijg je een doorsnede van mijn eigen huis te zien’, zegt Van Hee. ‘Via een smalle straat, net zoals je hier doet, kom je in de replica van mijn huis, gemaakt van katoen waarop een tekening is aangebracht.’ De ruimte is gevuld met een paar exemplaren van haar ‘Huis-werk-tafel’ en een paar banken die ze erbij heeft ontworpen. ‘Door drie openingen in de stof kom je in de gaanderij. Ook de keukenruimte wordt geëvoceerd. De grote kastenwand is voorbehouden voor de werken van mensen die ik heb uitgenodigd. Dat is de ‘Chambre des Ami.e.s’: mensen, kunstenaars en vrienden, die een belangrijke plek innemen in mijn leven en werk. Achter die lange wand ontplooit zich de ‘Jardin des Ami.e.s’. En aan het einde kom je in het ‘Salon des Refusés’.

‘Ik heb in mijn leven zo’n 480 projecten opgestart, waarvan er ongeveer een derde niet is doorgegaan. Soms blijft daar slechts een tekening, een schets van over. Die worden in de expo allemaal geprojecteerd met de plaats en de datum.’

Vindt ze het erg lastig als een project niet gerealiseerd wordt? Ze haalt haar schouders op. ‘Het doet meer pijn als je een architectuurwedstrijd niet wint waaraan je met een heel team hebt gewerkt. Onder de zotste noemer worden er dingen weggegooid. Ik geef een voorbeeld. Omdat ik er heel erg naar verlang om bruggen te bouwen, hebben we meegedaan aan een wedstrijd voor een brug in het Zennegat. Ons ontwerp was minimalistisch, maar tegelijk afgestemd op het landschap. Dat was de kern. Weet je wat de kritiek was van de opdrachtgever? ‘Als we er zoveel geld aan uitgeven, dan mag die brug toch wat meer opvallen.’ Tja. Dat is dan het antwoord op je poging om op een subtiele manier het landschap eer aan te doen.’

De Gentse Stadshal, een collab met Robbrecht en Daem.
©Filip Dujardin

Lak aan regels

Aan de uitgang van de tentoonstellingsruimte hangt een bord met ‘Who looks after the architect?’. Cassante vraag. Voelt ze zich als architect soms in de kou gelaten? ‘Als men zo blijft doorgaan met de regelgeving in architectuur is een architect straks niet meer nodig. De architect wordt permanent gefnuikt.’

Ze verwijst naar de stedenbouwkundige regels. ‘Ze zijn de grote gemene deler waarop zoveel vastloopt, en dat leidt soms tot absurditeiten. Als er regels bestaan waar je zo mee moet gaan jongleren om iets ‘goeds’ te maken, dan is dat voor mij niet correct. Ik vind dat je in plaats daarvan zelf je verantwoordelijkheid moet nemen als architect. Daarnaast worden we ook meer en meer geconfronteerd met regels van technieken, verwarming, koeling, isolatie, epb... Regels zijn voor mij anti-architectuur. De vlotste manier om iets te bouwen is de regels te volgen, maar wat kun je dan nog toevoegen?’

Tegelijk vindt ze dat architecten ook meer moeite moeten doen. ‘Ik vind dat ze hun creativiteit moeten inzetten. Dat ze moeten protesteren bij elke vernauwing die er komt in ons beroep.’

Van Hee heeft lak aan regels. Ze ondermijnen de essentie van menselijkheid in de architectuur, zegt ze. Een van haar deviezen is: ‘Ni dieu, ni maître’. Ze wil geen God, geen meester. ‘Dat is juist’, knikt ze. ‘Al wil ik mezelf daar nu ook niet per se boven tillen. Het gebouw blijft voor mij belangrijker dan de architect. Net zoals bij de abdij van Le Thoronet. Dat gebouw is imposant en belangrijk, niet wie het indertijd gebouwd heeft.’

‘Ik ben niet iemand die puur gefocust is op dat waar ik zelf mee bezig ben. Ook al is iets mijn stijl niet, ik kan wel aanvoelen welke visie erachter zit. De uitvoering doet geen afbreuk aan het welzijn van de mens. Het zich goed voelen in die ruimte, dat is een universeel gevoel.’

Van Hee blijft op papier ontwerpen, vanaf nul, iedere keer. Aan tafel, met een potlood.
©Courtesy of Marie-José Van Hee

Chirurg met vaste hand

Het is al laat. We zijn plots drie uur verder, alsof de tijd hier in deze ruimte heeft stilgestaan. Het leven buiten de muren roept. Ik stel haar een laatste vraag. Wat wil ze in de komende jaren nog graag bouwen? ‘Mijn droom om bruggen te bouwen is intussen gerealiseerd, in Deinze. En straks wordt hier in Gent onze Verapazbrug afgewerkt. Toch zou ik wel nog wat projecten willen verwezenlijken in de publieke ruimte. Dat vind ik uitdagend. Evengoed wil ik doorgaan met huizen bouwen. En een verbouwing zie ik ook altijd zitten. Na al die jaren heb ik veel inzicht vergaard. Als ik ergens binnenkom, kan ik er zo de kankerplekken uithalen. Net zoals een chirurg. Zolang die nog een vaste hand heeft, zal zij het juiste doen.’

De droom van Van Hee om bruggen te bouwen, is intussen gerealiseerd, in Deinze.
©Crispijn Van Sas

‘A Walk’, de overzichtsexpo van Marie-José Van Hee Architecten, op uitnodiging van het Vlaams Architectuurinstituut en De Singel, loopt tot en met 21 mei 2023.

Advertentie