sabato

Toparchitect Klaas Goris: 'Het gebouw moet de kunst dienen'

Op vijf jaar tijd vier ateliers voor topkunstenaars mogen realiseren: wij zouden stilaan spreken van een specialisatie. Of toch minstens van een momentum. ©Tim Van De Velde

Klaas Goris, partner bij Coussée-Goris-Huyghe, bouwde vier monumentale ateliers voor Mark Manders, Berlinde De Bruyckere, Michaël Borremans en Peter Buggenhout.

Je moet als architect vooral zelf geen kunstenaar willen spelen. Dat is een kunst op zich.’ Architect Klaas Goris, partner bij het Gentse bureau Coussée-Goris-Huyghe, blijft tamelijk nuchter als we hem vragen hoe het komt dat vier Belgische topkunstenaars net bij hem aanklopten voor een nieuw atelier. ‘Puur toeval is het. Peter Buggenhout en Berlinde De Bruyckere ken ik al sinds hun studententijd, Michaël Borremans is een vriend geworden via kunstenaar Dirk Braeckman. We behoren allemaal tot dezelfde generatie, zoals veel van mijn bouwheren.'

'Mark Manders is een pak jonger. Maar hem ken ik via zijn Antwerpse galerie Zeno X, waarvoor we ook de nieuwe locatie in Borgerhout ontwierpen. Via Zeno X-oprichter Frank Demaegd, voor wie ik ook de privéwoning bouwde, leerden wij Manders persoonlijk kennen. Hij vond ons werk interessant en contacteerde ons voor zijn nieuwe atelier in Ronse, dat pas is opgeleverd’, zegt Goris. ‘Manders was de eerste die ons contacteerde, maar die atelieropdrachten liepen door elkaar.’

©Tim Van De Velde

‘Als een gebouw architectuur wordt, dan is het kunst’, zei de Deense architect Arne Jacobsen. Zijn Amerikaanse tijdgenoot Philip ‘Glass House’ Johnson was nog stelliger: ‘Architectuur is niets anders dan kunst.’ Ondanks zijn voeling met kunst houdt Goris de twee toch liever uit elkaar. ‘Veel architecten die een museum mogen bouwen, ontwerpen een sculptuur die iconisch wil zijn. Terwijl het gebouw in de eerste plaats de kunst moet dienen, zoals de Fondation Beyeler in Zwitserland’, zegt hij.

‘Een architect is een dienstverlener. Als je dat níét wil zijn, moet je maar kunstenaar worden. Architecten moeten samenwerken met mensen en voor hen oplossingen bedenken waar ze zelf achter staan. Als bureau schemert onze ontwerpvisie door in elk ontwerp, hoe verschillend ook. Je kunt onze hand herkennen, ook al hebben we geen stijl. Dat heeft ook geen zin: onze architectuur toont onze manier van reageren en luisteren op een vraag.’

Functionaliteit primeert

Onze vraag is dan: hoe begin je aan zo’n kunstenaarsatelier, toch het delicaatste heiligdom waar nieuw werk ontstaat en mislukt? Moet alles netjes zijn plaats hebben, of creëer je een arena voor het toeval? Heeft sprekende architectuur wel zin als een studio binnen de kortste keren compleet vol staat met nog sprekender kunstwerken? Bouw je een isoleercel waar een kunstenaar zich creatief kan afzonderen? Of voorzie je een fontanel om de buitenwereld toch binnen te laten?

‘Een kunstenaarsatelier ontwerpen is iets helemaal anders dan een woning realiseren’, zegt architect Klaas Goris. ‘Je moet snappen hoe kunstenaars functioneren.’

‘Een atelier bouwen is helemaal anders dan een woning realiseren. Maar net zoals je eerst een gezinsleven moet ‘lezen’, moet je eerst goed snappen hoe kunstenaars functioneren. En wat ze daarvoor nodig hebben qua ruimte, schaal, licht en voorzieningen. Dat verschilt grondig van artiest tot artiest,’ zegt Goris. ‘Ook al zijn Peter Buggenhout en Berlinde De Bruyckere een koppel, toch hebben zij compleet andere noden, ook al werken ze op dezelfde schaal. Berlinde is een detaillist, die haar beelden benadert als een schilder. Peter wou een groot depot plus atelier, waar hij enorme beelden kon maken en opslaan. Geen vergezochte architectuur, wel een praktisch gebouw dat niet te veel vragen stelt: de constructie mocht gewoon bloot zitten.'

'Mark Manders’ praktijk vroeg dan weer om nóg andere oplossingen: hij wilde een grootschalige industriebouw met daarin een zomer- en winterstudio, een schrijnwerkerij en een metaalbewerkingsatelier. En voor Michaël Borremans was vooral het licht en de afzondering belangrijk. Vooraleer hij begint te schilderen, gaat hij maniakaal op zoek naar de juiste lichtinval in zijn studio. Vandaar de verschuifbare wand, waarmee hij de ruimte kan afbakenen en licht kan vangen.’

Kunsterfenis

Het helpt natuurlijk dat Klaas Goris zelf een hart voor kunst heeft. Een erfenis van zijn vader, zegt hij, een kunstkenner die close was met veel kunstenaars uit het Brusselse. ‘Ik ben als kind in heel veel studio’s geweest. Zo’n atelierbezoek was telkens een wondere wereld die voor me openging. Bij schilder Maurice Wyckaert heb ik zelfs mijn eerste werkje gekocht.'

©Tim Van De Velde

'Ikzelf heb ook nogal wat kunstenaars in de vriendenkring. En vier daarvan vroegen me dus bijna simultaan om een nieuw atelier te ontwerpen. Zo’n studio is niets meer dan een huls waarin een kunstenaar kan functioneren. Als architect moet je niet zelf beeldhouwer spelen, want het draait niet om ons werk. De essentie is: luisteren naar de kunstenaar en daar iets boeiends mee proberen te doen.’

'Veel architecten die een museum mogen bouwen, ontwerpen een sculptuur die iconisch wil zijn. Terwijl het gebouw in de eerste plaats de kunst moet dienen.'
Klaas Goris
Architect en partner Coussée-Goris-Huyghe

De ‘Waalse Krook’-bibliotheek in Gent, het Zwinpaviljoen in Knokke, Kanaal in Wijnegem, Zeno X Gallery in Antwerpen, deze vier kunstenaarsateliers… Het portfolio van Coussée-Goris-Huyghe Architecten is wel coherent en ambitieus, maar bevat – tot nog toe – vreemd genoeg geen museumgebouw. ‘Dat is wel degelijk onze ambitie. We hebben al aan verscheidene wedstrijden meegedaan, maar geen enkel ontwerp konden we realiseren’, geeft Goris toe.

‘Met deze artiestenateliers hebben we bewezen dat we – zelfs low budget – gebouwen kunnen ontwerpen die de kunst dienen. Nee, we hoeven geen museum te bouwen om onszelf onsterfelijk te maken. Een mens is toch maar een korrel in de geschiedenis. Maar ik hoop dat sommige van onze gebouwen toch de tijd zullen doorstaan. En een museum zou een mooie kanshebber zijn.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie