sabato

Oostblokwagens verzamelen? Niet zonder spionage-angst

De DKW Auto Union 1000 Coupé (1958) heeft Peter Oppermans al sinds 1986. ©Thomas Vanhaute

Een tocht langs garages in België en omstreken. Deze week: Oostblokwagens bij Peter Oppermans.

Dit weekend komen fans van Oost-Europese klassiekers samen in Lier. Een Belgische grootverzamelaar bedankte ervoor om zijn collectie met onder meer Lada’s en Volga’s in Sabato te tonen. Te riskant. Maar hij verwees ons door naar de voormalige garagehouder Peter Oppermans uit Tilburg, waar veel Belgen naartoe gaan voor advies. ‘De garage is verkocht, maar ik mag de showroom nog vier jaar gebruiken om mijn auto’s te stallen’, zegt hij.

Peter Oppermans (69)

Gepensioneerd garagehouder.

Daily: Renault Scenic (2002).

Eerste: Wartburg Coupé (1965). ‘Op de sloop beland, maar nu veel geld waard.’

Beste: Audi 100 (1994).

Slechtste: Scaldia 412 LS.

Met spijt verkocht: Wartburg 312 Hardtop.

Droom: Wartburg 313. ‘Een tweezitter, gebouwd op iets meer dan 200 stuks. Betaal je 50.000 euro.’

Oppermans is de bezieler van Tweetakt Tuffers Nederland, een zusterclub van het Belgische Ostalgie Stammtisch Kempen. ‘Toen ik drie was, zetten mijn ouders me in een auto, bonden het stuur vast, lieten hem stationair draaien en rondjes rijden op een veld’, lacht hij. ‘Hiertegenover begon mijn vader in 1948 als hersteller van DKW. Later werd hij dealer van Wartburg, Trabant en Barkas. In 1967 kwam ik erbij, en later ook mijn broer Henri. We zouden ook Lada en Moskvitch - ‘Scaldia’ in Nederland en België - verkopen.’

Er staan meerdere Wartburgs, genoemd naar het gelijknamige kasteel en gebouwd in de Eisenacher Automobilfabrik, die in 1928 werd overgenomen door BMW maar na de Tweede Wereldoorlog in de Sovjetzone terechtkwam.

‘Deze 353 (1971) is ongerestaureerd, alleen opnieuw gespoten. Hij is nog erg goed. De zwakke plek waren zijn trommelremmen.’ Zijn exemplaar uit 1988 toont meteen een pijnpunt van het merk: het is identiek. ‘Deze heeft wel al schijfremmen’, zegt Oppermans. ‘Er staan 27.000 kilometer op de teller. De Wartburg was een ruime auto. Het nadeel was de driecilinder tweetaktmotor. Je moest eerst olie in de tank kappen, en dan benzine erbij.

In 1967 kostte hij omgerekend 2875 euro, de Volkswagen Kever was 750 euro duurder. En trager.’ De productie van de 353 liep van 1966 tot het vallen van de Muur in 1989. Nadien kwam er een moderne viercilindermotor van Volkswagen in, maar de auto was hopeloos achterop. In 1991 was het verhaal voor Wartburg voorbij.

Op deze Trabant 601 (1972) draait alles rond Maxima en Alexander ©Thomas Vanhaute

‘Dit is de allerduurste’, grapt Oppermans. Zijn blauwe Trabant 601 Cabriolet (1971) is een eigen creatie: hij haalde zelf het dak er af. ‘Oorspronkelijk was hij oranje en zetten we hem buiten als het Nederlandse elftal speelde.’

De rode open Trabant (1975) is wel origineel. ‘In groene uitvoering was het een militaire Kübel, in burgerversie een Tramp. Deze heb ik sinds 1993 en mag ik van mijn kleinzoon van 16 nooit verkopen.’

‘Na de Wende wilde elke student een Trabant. Omstreeks 2000 waren er nog 600.000 exemplaren. Nu zijn dat er 30.000 tot 35.000. Recentelijk kocht een vriend van me er een in nieuwstaat voor 8000 euro.’ De Barkas (1967) was de Oost-Duitse variant op de Volkswagen Transporter. ‘Deze hebben we zelf dertien jaar lang als servicewagen gebruikt’, zegt Oppermans. ‘Mijn laatste Lada heb ik dit jaar verkocht aan een Belgische verzamelaar. Je kan niet alles houden.’

De vier ringen van het fusiebedrijf Auto Union gingen later over op Audi. ©Eyeside Bvba

Hij heeft ook West-Duitse auto’s. De gerestaureerde DKW 1000 Coupé (1958) al sinds 1986. Hij laat het typische geluid horen. ‘Het is zowat dezelfde motor als in de Wartburg: ingenieurs liepen over naar West-Duitsland en bouwden er een DKW. De vier ringen in het logo verwijzen naar het fusiemerk Auto Union, dat ontstond uit Audi, DKW, Horch en Wanderer, en later Audi werd.

Deze DKW F12 (1965) stond jarenlang bij de NOS in Hilversum. ©Thomas Vanhaute

De DKW F12 (1965) kocht mijn broer omstreeks 1987 van de voorzitter van de DKW-club. Hij werkte bij de NOS, waar de auto jarenlang had gestaan. Om hem vanuit Hilversum hierheen te rijden, gebruikten we de handrem: we hadden geen aanhanger bij en de voetrem werkte niet.’

In de werkplaats aan zijn huis restaureert hij nog een Wartburg Trans Pick-up (1981). ‘Die wordt beter dan nieuw. Het is mijn laatste restauratie.’ In de ‘bunker’ ernaast vinden we een Barkas B100 FF-drieasser (1986).

Oppermans heeft ruim 500 modelautootjes, waarvan een aantal uit het Oostblok. ‘Kijk, deze is in mijn vitrinekast gewoon uit elkaar gevallen, zonder aan te raken’, lacht hij. Dat echte Oost-Duitse auto’s minderwaardig waren, krijgt hij niet over zijn lippen. ‘Kort na de oorlog was dat zo. Er was amper staal beschikbaar. Het koetswerk van een Trabant bestond uit duroplast: geperst katoen. Maar vanaf 1965 werden ze beter.’

Uit België: Trabant 601 Combi (1973) met tapkraan van Primus. ©Thomas Vanhaute

Er komt een Belgische vriend langs in een gele Wartburg 353 (1984). ‘Ik begon met een Trabant, maar toen ik van Peter eens een Wartburg leende, was ik meteen verkocht’, vertelt hij. ‘Dat is echt een luxewagen. Alles zit erop, zelfs intervalruitenwissers. Het rijcomfort is top. Dit Hongaarse exemplaar is in zijn eerste lak. Ik ben er enorm trots op.’ Ook hij wil anoniem blijven. De angst voor spionage gaat blijkbaar samen met de hobby. Of is het een apart soort humor?

Lees verder

Advertentie
Advertentie