sabato

Van een oliepomp van een melkflesje tot een motorlogo gemaakt van moeders juwelen

Jan Bouchet in zijn 2pk (1965) met Lomax-bouwkit. Achteraan de Fiat 500 (1960) met bijzondere caravanconstructie. ©Thomas Vanhaute

Een tocht langs garages in België. Deze week: lang en inventief leven met Jan Bouchet.

Elke morgen stapt Jan Bouchet zijn garage in en begint te sleutelen, tot de vroege avond. Het is zijn lang leven, en dat mogen we met 91 lentes letterlijk nemen. 'Ik ben gepensioneerd', zegt hij. 'Al drieëndertig jaar. Niks te doen hebben is het ergste wat je kan overkomen.

En de Saroléa Atlantic 600 lag hier al twintig jaar buiten. Touring Wegenhulp heeft er nog mee gereden. Hij is van 1954, het geboortejaar van mijn zoon Jos. Die heb ik toen gerestaureerd. En ik had de microbe beet.'

'Of wacht: mijn eerste restauratie was een Harley-Davidson Electra Glide - soms hapert mijn geheugen wat. In elk geval: na die twee projecten wilde ik zelf een motorfiets maken, geïnspireerd op een Saroléa. Ik vertrok van alleen maar een cilinderkop en maakte zelf een piston. Zelfs de tandwielen heb ik met de hand geperst, zoals vroeger.'

De met gestolen goud afgewerkte Solsar. ©Thomas Vanhaute

Hij toont de rode Solsar - genoemd naar zijn kleindochters Solange en Sarah. 'Uit noodzaak moest ik vindingrijk zijn. De oliepomp maakte ik van een melkflesje. Het koper in de carburateur komt van een oude waterslang, en de zitting van een lederen schooltas. Toen alles klaar was, stal ik goudwerk van ons ma, dat ik versmolt tot naamplaatjes: eentje op de koplamp en eentje in de wielnaaf. Je kan je voorstellen dat het hier kermis was.'

Een Gillet 250 cc van 1927 met comfortabel 'zijspan'. ©Thomas Vanhaute

'Ik ben technisch vrij begaafd', zegt hij. 'Tot mijn zeventiende volgde ik de technische school. Ook later zat ik altijd met mijn neus in de boeken. Ik kan niet stilzitten. En wat heb je er nu aan als je gerestaureerde motorfietsen koopt?' Hij toont een Indian Scout uit 1926 en een uit 1927. 'Van de ene was alleen het zadel nog goed. Vroeger werden ze allemaal weggegooid. Als je er nu nog eentje vindt, betaal je je blauw. Maar eigenlijk rijden deze motoren niet zo fijn. Ze hebben geen vering achteraan en springen als een bok. De Raleigh 300 cc (1932) is wel een gezapige, gemakkelijke motorfiets.'

'De blauwe Rush 250 met schakelpook is een zeldzaam, Belgisch fabricaat uit de jaren 20. De BSA is van de jaren 30. De Motobecane (1928) is compleet, maar rot.'

In legerversie is de Harley-Davidson Liberator (1947) courant, maar dit burgertype is dat niet', aldus Bouchet. 'Hij heeft een voet- én een handkoppeling. Als je gas geeft, trekt hij als een paard. Maar het is een moeilijke machine om bochten te nemen - zeg maar levensgevaarlijk. De rode Moto Guzzi Falcone 500 diende in de jaren 60 bij het Italiaanse leger. Hoe en waar ik die ooit vond, weet ik niet meer. Eigenlijk is het een stom ding. Hij ziet er lomp uit, en zo rijdt hij ook.'

Een BMW R50/5 (1974) met zelfgebouwd zijspan. ©Thomas Vanhaute

Aan de muur lezen we: het onmogelijke wordt hier direkt (sic) gedaan / wonderen duren iets langer / op verzoek wordt hier getoverd / af en toe gebeurt hier een mirakel. Hij toont lasapparaten, frees- en draaimachines en materieel om claxons, uitlaten en tandwielen te maken. 'In de week sleutelde ik, in het weekend gingen we rijden. Jos en ik hebben ook veel samen gereisd met motorfietsen, al dan niet met zijspan. Naar Italië, Oostenrijk, Spanje...'

Jan Bouchet (91)
Voormalig hoofd van de technische dienst bij de landbouwwerktuigenfabriek PZ.

Eerste: Citroën Rosalie (1935).

Laatste: Skoda Roomster (2008).

Beste: Citroën DS.

Slechtste: 'De Citroën CX (1974) roestte bliksemsnel, maar was voorts wel goed.'

 

Op het chassis van een Citroën 2pk (1966) monteerde hij lang geleden een Lomax-bouwkit. Hiermee maakt hij nog geregeld een ritje. Aan de bestuurderskant is een ketting bevestigd. 'Voor de hond', lacht hij. En bij zijn gerestaureerde Fiat 500 (1965) bedacht hij een op z'n zachtst gezegd bijzondere constructie.

'Jaren geleden vroeg ik me af waarom een trekhaak altijd achteraan en onderaan moet staan. Ik plaatste de bol in het midden van het dak en bouwde een minicaravan van 1,90 bij 1,25 meter. Als je die aan de bol koppelt, kan je met de auto 360 graden rond de caravan rijden en alle kanten op manoeuvreren - je lacht je kapot als je het ziet.'

Als een jong veulen springt hij op de deurdorpel van de Fiat, koppelt de sleurhut aan de bol op het dak, kruipt achter het stuur en demonstreert de uitvinding. 'Misschien ben ik een beetje gek', lacht hij. Tussen vader en zoon ontspint zich nog een discussie over de vraag of hij met het resultaat nu al dan niet de weg op mag. 'Op reis gaan zit er sowieso niet meer in: mijn zicht gaat achteruit. Maar hier in de buurt rij ik wel nog rond.'

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect