Jaren 60-huis vol asbest wordt modernistische cohousing

Wat moet je met een veel te grote paviljoenwoning vol asbest? Twee Leuvense architecten vormden ze om tot een modernistische cohousing voor hun twee gezinnen.

‘Hey, we zijn twee architecten die in 2017 hopeloos verliefd werden op een bungalow uit de jaren 1960. Met veel zorg en liefde voor de originele architectuur maakten we er een cohousing van voor onze twee gezinnen.’ Het is het soort mails dat we met plezier openklikken. En waarvoor we graag naar Kessel-Lo trekken. In de groene rand rond Leuven staan nogal wat verkavelingen met riante villa’s, gebouwd voor academici, vrije beroepers en ondernemers. De eengezinswoningen zijn – zeker naar huidige (energie)normen – bovenmaats. En de opmerkelijke dokterswoning uit 1964 aan de Koetsweg al helemaal.

Architecten Liesbeth Put en Anne-­Valérie de Mûelenaere
©Jeroen Verrecht
Advertentie
Advertentie

Tussen de klassiekere fermettes en landhuizen valt ze op door haar modernistische architectuur. De paviljoenwoning doet met­een denken aan de Amerikaanse Case Study Houses. Meer bepaald aan het werk van Craig Ellwood (1922-1992), de Californische autodidact die sinds de jaren 1950 bekend werd met zijn strak geritmeerde staalskeletwoningen. Architect Georges E. Vranckx – docent aan Sint-Lukas in Brussel – ontwierp voor de arts uit Kessel-Lo een gelijkaardige patio­woning met een stalen frame.

Dokterskabinet

‘Elke vleugel van het huis heeft zijn kwaliteiten: de een heeft een idyllisch uitzicht op de vijver, de ander geniet van de avondzon’, aldus Anne-Valérie de Mûelenaere.
©Jeroen Verrecht

De tuin van de villa loopt onzichtbaar over in een kasteelpark met volwassen bomen. Rond de binnentuin liggen de twee aparte vleugels, verbonden door een centrale glazen hall. ‘In het linkerdeel, aan de vijver, woonde de arts met zijn gezin van vijf kinderen. Rechts waren de slaapvertrekken én zijn dokters­kabinet’, zeggen architecten Liesbeth Put en Anne-­Valérie de Mûelenaere. In 2017 kochten zij samen met hun partners de riante bungalow om er een cohousing van te maken. Het project werd niet alleen een renovatie­pareltje, maar vooral ook een casestudy van hoe je XL modernistisch erfgoed kunt herbestemmen voor de woonnoden, energiekwesties en bouwbudgetten van nu.

Advertentie
Advertentie

Hoe kwam dit onevidente pand op jullie radar?

Liesbeth Put: ‘Via een openbare verkoop. Er was veel interesse, vooral van ontwikkelaars die het wilden afbreken voor een nieuwbouw. Ook al stond de bungalow niet op de lijst met beschermd erfgoed, toch wilde Monumenten & Landschappen dat de koper het pand in ere herstelde. Dat heeft veel bieders afgeschrikt. Maar wij waren sowieso niet van plan om het af te breken. Initieel kocht iemand anders het pand, maar die heeft zich uiteindelijk teruggetrokken. Zo konden we toch nog ons droomhuis verwerven.’

©Jeroen Verrecht

Hoe reageerde de doktersfamilie op jullie cohousingplannen?

Anne-Valérie de Mûelenaere: ‘Voor de dokter waren het huis en de tuin te groot geworden. Heel die familie was wel gehecht aan het huis. Elke herfst kwamen ze hier samen voor een ‘bladerenfeest’: dan ruimde iedereen samen de afgevallen bladeren op. Op het laatste feest waren ook wij aanwezig. We hebben toen onze maquette aan de familie getoond, zodat ze wisten dat we de architectuur van het huis zouden eerbiedigen. Onlangs kwamen de dokter en zijn vrouw op de koffie. We voelden hun appreciatie voor het eindresultaat.’

Put: ‘Anne-Valérie en ik hebben best lang gezocht naar een geschikt pand om op te splitsen als cohousing. Zoveel ideale huizen zijn er niet, zeker niet in het Leuvense. Er was altijd wel iemand die het mooiste uitzicht of de beste oriëntatie had.’ 

Kijk mee binnen in deze Antwerpse art-nouveauparel

Lootjes trekken

De keukens zijn gepersonaliseerd, de andere elementen – zoals de gemetste badkamercilinder – komen aan weerszijden terug.
©Jeroen Verrecht

Jullie wonen nu elk in een aparte vleugel van de patiowoning. Hebben jullie lootjes getrokken om te beslissen wie waar belandde?

De Mûelenaere: ‘Eén vleugel van de woning staat aan de rand van de vijver. Het uitzicht is er prachtig, maar omdat ik toen nog een baby had, vond ik dat te onveilig.’

Put: ‘De oriëntatie verschilt, maar eigenlijk zijn beide vleugels van de paviljoenwoning gelijkwaardig. Ze zijn allebei 175 m² groot en hebben evenveel kamers. We delen het toegangspaviljoen, dat fungeert als wintertuin en speelkamer. En de kelder is ook gemeenschappelijk. Heel handig, want onze huizen hebben niet zoveel bergruimte.’

De Mûelenaere: ‘Onze privévleugels liggen wel dicht bij elkaar, maar toch hebben we de inkijk relatief gemakkelijk kunnen oplossen. Het huis bestond aan weerszijden uit een stalen structuur met een travee van vier gelijke delen. Dat grid hebben we behouden, maar we maakten wel dat de nieuwe ramen niet tegenover elkaar zaten. De vaste gevelpanelen zijn nu geschrankt, zodat er optimale privacy is. En ook onze zithoeken, eetkamers en keukens bevinden zich niet op dezelfde plaats. We zien elkaar dus niet zitten in de zetel ‘s avonds.’ 

Hoe hebben jullie het privacyprobleem buiten opgelost?

Put: ‘Het huis had oorspronkelijk één groot terras aan de achterzijde. Prachtig, maar we zagen het niet zitten om dat met onze twee gezinnen te gebruiken. Dus maakten we elk ons eigen terras aan een stukje privétuin. Maar de parktuin delen we.’ 

De Mûelenaere: ‘Nu bevindt er zich tussen onze woningen zes meter. Dat is alsof we buren zouden zijn in een straat met kleine stadstuintjes. Wij lopen elkaars deur dus niet plat, we eerbiedigen elkaars leefruimte, maar springen evengoed binnen voor een spontaan aperitief. De ongeremdheid van onze kinderen versterkt dit. Ze spelen geregeld samen in de inkomhal of de tuin. Of ze lopen gewoon bij elkaar binnen, zonder daar vragen bij te stellen. Dat je soms nog in je pyjama rondloopt, neem je er dan maar bij.’    

Burn-out

De keuken van Anne-Valérie de Mûelenaere, die uitkijkt op de parktuin.
©Jeroen Verrecht

Hadden jullie ook een gemeenschappelijk verbouwbudget? Of leidde het financiële luik tot spanningen?

Put: ‘We hadden één totaalbudget voor beide woningen, maar onze eigen uren hebben we nooit meegerekend. Door samen met onze mannen veel zelf uit te voeren, konden we de prijs drukken. Tweeënhalf jaar heeft de werf geduurd. Met je lief verbouwen is al pittig, maar met een collega is het nog heftiger. We legden de lat hoog voor onszelf en voor elkaar. Mensen verklaarden ons gek. “Zullen jullie elkaars baby ook dragen misschien?”, zegden ze. Al een geluk dat onze partners geen architecten zijn.’

Binnenkijker | De Vlaamse versie van Frank Lloyd Wrights ‘Usonian Houses’

De Mûelenaere: ‘Een verbouwing in combinatie met een gezin en een eigen bureau is zwaar. Ik ben op het einde van de werf in een burn-out beland. Nadien besliste ik om uit ons architectenbureau Fijn Atelier te stappen. In de ontwerp- en bouwfase van de cohousing was het heel handig om een klankbord zo dichtbij te hebben: beslissingen maken ging des te vlotter. Negentig procent van de tijd verliep de samenwerking goed. Ik had het met niemand anders zo vlot kunnen doen als met Liesbeth.’ 

Helemaal gestript

Het toegangspaviljoen fungeert als wintertuin en speelkamer. Tussen de vleugels is er zes meter en de geschrankte vaste gevelpanelen geven optimale privacy.
©Jeroen Verrecht

Verschilden jullie smaak en budget niet te veel? 

De Mûelenaere: ‘We kozen voor dezelfde materialen en dezelfde afwerkingsgraad. Gelukkig zaten we op dezelfde golflengte qua smaak, programma en concept. Beide woningen ademen dezelfde sfeer. Alleen de keuken verschilt.’

Put: ‘We wilden er geen sixtiesteletijdmachine van maken. We recupereerden wel enkele deurkrukken en houten panelen, om de identiteit van de vroegere woning deels over te nemen. Ook de trapbalustrade hebben we in ‘oude stijl’ nagemaakt. Binnen was de erfgoedwaarde gering. Het huis was relatief somber door het donkere tapijt en de vele schrootjesplafonds. Toen we die houten latjes afbraken, bleken er slanke houten balken onder te zitten. Die waren zo mooi en creëren zoveel ruimtelijkheid dat we ze bloot lieten. We voegden ook uitgesproken nieuwe elementen toe. Zoals die bakstenen cilinder, waarin de badkamer zit. De volumes die we in de open ruimte schoven, hebben elk hun eigen identiteit.’

De cohousing is een mooie invulling van XL patrimonium dat te ruim is als eengezinswoning.
©Jeroen Verrecht

Hoe losten jullie het energievraagstuk op?

Put: ‘De woningen zijn gerenoveerd naar de huidige energetische standaarden. Alleen de hal heeft nog de originele enkele beglazing. De beide woonvleugels zijn helemaal gestript tot op het staalskelet, volledig geïsoleerd en voorzien van duurzame technieken. De stalen balken lopen nog altijd van buiten naar binnen, dus niet ideaal voor koudebruggen en condens. Het was een esthetische toegeving om die structuur zo te laten.’ 

Welke lijken zijn er uit de kast gevallen? Wat zou je nu anders doen?

Put: ‘Budgettair moesten we enkele compromissen sluiten, omdat er een pak kosten bij kwamen. De gevelpanelen bleken asbest te bevatten. Het dak was gemaakt van rieten matten met roofing erover. De staalstructuur moest helemaal gezandstraald en herschilderd worden. Om te besparen hebben we dat zelf moeten doen. Drie maanden werk vergde dat. Hadden we al het geld van de wereld, dan hadden we ook geen polybeton, maar een vloer in breuksteen gekozen. Een materiaal met meer warmte en patina.’

De Mûelenaere: ‘We hebben allebei drie slaapkamers. Een extra bureauruimte zou soms wel handig zijn. Leven in één open ruimte met twee kinderen is soms wel heftig, zeker omdat ik gevoeliger ben geworden voor drukte en lawaai.’   

Is de cohousing zo ontworpen dat de twee entiteiten ooit weer één kunnen worden?

Put: ‘Dat kan wel, maar is het wel relevant om nog zo groot te wonen? Hier weggaan zou ik lastig vinden. Eerlijk gezegd: ik zie me nergens anders meer wonen. Deze plek is uniek. We zijn hier zo met ons gat in de boter gevallen.’

Advertentie