sabato

César Baldaccini's muze koppelt hem aan Pablo Picasso

Stéphanie Busuttil-Janssen, muze en erfgename van Franse beeldhouwer César, organiseert voor zijn 100ste verjaardag vier expo's. Onder meer in Pablo Picasso’s buitenverblijf in Normandië, Château de Boisgeloup.

Een tikkeltje meer naar rechts. Ja. Ja. Stop. Hou hem even op die hoogte. En nu nog 10 centimeter naar beneden. Ja, daar. Perfect.’ Als we de kapel op het voormalige privédomein van Pablo Picasso binnenwandelen, treffen we Stéphanie Busuttil-Janssen in volle concentratie. Een half uur geleden installeerden kunstverhuizers – op haar commando – nog Césars gigantische bronzen duim in de voortuin van het Château de Boisgeloup, in de buurt van het stadje Gisors in Normandië. Nu manoeuvreren ze voorzichtig een stuk geplette carrosserie boven het altaar. ‘Hayon Corail’ heet het werk. ‘Dat koraalrood past hier perfect bij de glasramen’, zegt ze.

‘We waren de klok rond samen. Liefde en werk vloeiden in elkaar over.’
Stéphanie Busuttil-Janssen
Muze en erfgename van César Baldaccini

Autokunst in een 13de-eeuwse kapel: het is minder vergezocht dan het lijkt. In 1960, in een tijdperk waarin de auto nog heilig was, liet César Baldaccini (1921-1998) autowrakken hydraulisch samenpersen tot compacte sculpturen. Later maakte de kunstenaar ook ‘compressions’ van motoren, frisdrankblikjes, petflessen en andere consumptieartikelen. ‘Heel visionair werk, nu we zo bezig zijn met recycleren en upcyclen van industrieel afval’, zegt Busuttil-Janssen. Zij was de muze, levensgezel en studiodirecteur van César tijdens de laatste tien jaar van zijn leven. Als oprichtster van de Fondation César is zij nu de eigenaar van de morele én reproductierechten op zijn werk. ‘De stichting houdt zijn oeuvre levend, onder meer door tentoonstellingen te organiseren’, zegt ze. ‘In 2021, het jaar dat César honderd zou zijn geworden, doen we vier expo’s: twee in Parijs, een in New York en een hier in Gisors, waar Picasso tussen 1930 en 1937 zijn buitenverblijf en beeldhouwatelier had.’ 

In de voortuin van het Château de Boisgeloup, het voormalige buitenverblijf van Pablo Picasso in de buurt van het stadje Gisors in Normandië, staat een gigantische bronzen duim van kunstenaar César te pronken. ©Alexander D'Hiet

Lijkbleke geesten

Op de expo ‘Hommage à César’ palmen Césars sculpturen vooral Picasso’s voormalige atelier in het koetsgebouw in. Maar ze duiken ook op in de kapel, in de voortuin, in de gerestaureerde duiventoren én in de garage van het kasteel. Op de plek waar nu een bronzen ‘Plaque Femme’ prijkt, stond vroeger Picasso’s Hispano-Suiza H6B uit 1930. Het automerk is in dikke letters op de muur geschilderd. Zijn nummerplaat 2287KD75 hangt te roesten aan een nageltje.

Stéphanie Busuttil-Janssen was 22 jaar toen ze verliefd werd op César, 46 jaar ouder. Na zijn dood richtte ze de Fondation César op om zijn kunst levendig te houden. ©Alexander D'Hiet

Van de wagen zelf is voorlopig geen spoor. ‘Nee, César heeft er geen compression van gemaakt’, lacht Busuttil-Janssen. ‘Picasso’s kleinzoon, Bernard, heeft hem helemaal gerestaureerd. Speciaal voor de expo zullen we de wagen op het domein parkeren.’ Fotografiekenners snappen meteen waarom: in 1932 maakte Brassaï een beroemde fotoreeks in Picasso’s atelier in Boisgeloup. Omdat het al donker was toen de shoot begon, gebruikte hij de koplampen van Picasso’s Hispano-Suiza als enige lichtbron. De gipsen bustes van zijn muze Marie-Thérèse Walter lichtten op als lijkbleke geesten, die over Picasso’s getrouwde leven spookten. ‘Op die foto’s herken je ook Picasso’s originele ateliertrap, die hier nog altijd staat’, zegt Busuttil-Janssen. ‘Het is het enige wat bewaard is gebleven uit zijn atelier.’

Al zie je op de muren ook nog tekeningen van musketiers en andere potloodkrabbels. Soms met zijn naam erbij, soms gewoon met een datum. ‘Picasso’s aanwezigheid is nog heel voelbaar in het atelier. Dat bepaalde ook de keuze van de werken voor deze expo. Ik beeldde me in dat César hier te gast was. Vandaar dat ik ook zijn atelierzetel, gemaakt van hoorns, naar hier verhuisde. De hele expo is een hommage aan César, maar ook aan de weinig bekende vriendschap tussen César en Picasso.’

Césars ‘compression’ bijvoorbeeld is een referentie aan de Hispano-Suiza van Picasso. De plaasteren bustes van Picasso gaan de confrontatie aan met een gigantisch zelfportret van het hoofd van César. En natuurlijk is er Césars duim, die origineel is bedacht voor een expo in 1965 waarbij ook Picasso betrokken was.  

Duister geheim

Picasso’s voormalige buitenverblijf is nu uitzonderlijk open. De kunstenaar en zijn eerste vrouw Olga Khokhlova - een danseres van Les Ballets Russes met wie hij in 1918 trouwde - kochten Château de Boisgeloup in 1930. De Normandische ‘gentilhommière’ was in rampzalige staat, maar Olga gaf hun buitenverblijf een bourgeois make-over, met de hulp van modeontwerpster Coco Chanel.

In de jaren 1950 begon César uit armoede sculpturen te lassen met oud ijzer. Al snel werd hij internationaal opgepikt en groeide hij uit tot een spilfiguur van het nouveau réalisme. ©Alexander D'Hiet

De jarendertigvakantiekiekjes van Olga, Pablo, hun zoon Paulo en hun hond Bob lijken idyllisch. Maar Picasso droeg een duister geheim mee: hij had al sinds 1927 een affaire met Marie-Thérèse Walter, zijn piepjonge muze. Meer nog: zijn atelier in het koetshuis van het kasteel gebruikte hij vooral om haar te boetseren en te liefkozen. Toen de affaire in 1935 uitlekte, was Marie-Thérèse zwanger. Olga vertrok terstond naar Zuid-Frankrijk, maar zou nooit officieel scheiden.

In de jaren 1950 kwam hun zoon Paulo in het vervallen kasteel wonen, tot aan zijn dood in 1975. In de jaren 1980 restaureerde Paulo’s zoon Bernard op zijn beurt het domein. Hij en zijn vrouw, galeriehoudster Almine Rech, gebruiken het kasteel nu - net als Picasso - als buitenverblijf, op zo’n 70 kilometer boven Parijs. ‘Voor Picasso’s kleinzoon Bernard is deze plek vooral jeugdsentiment. Maar dankzij Almine waait er nu ook een hedendaagse wind door het klassieke kasteeldomein’, zegt Busuttil-Janssen. ‘Als kunsthandelaar organiseerde zij er al enkele tentoonstellingen met werk van hedendaagse artiesten.’

De honderdste geboortedag van César wordt gevierd met vier expo’s: twee in Parijs, een in New York en een in het Normandische Gisors. ©Alexander D'Hiet

Villa Californie

In 1985, twaalf jaar na Picasso’s dood, maakte César met ‘Le Centaure’ een monumentale hommage aan de Spaanse meester. Het mythologische beeld heeft het hoofd van César, het dodenmasker van Picasso en het lijf van een paard. Een bronzen exemplaar van vijf meter staat op de Place Michel Debré in Parijs, en op Césars graf in Montparnasse. In Boisgeloup ontbreekt ‘Le Centaure’, maar Busuttil-Janssen selecteerde wél plaasteren koppen die César van Picasso maakte. ‘Die fragiele werken komen uit de collectie van de Fondation César en zijn zelden getoond’, zegt ze.

Kenden Picasso en César elkaar ook echt? ‘Veel mensen zeggen graag dat ze een vriend van Picasso waren. Maar bij César was dat ook echt het geval’, zegt Busuttil-Janssen. ‘Picasso was wel veertig jaar ouder, maar volgde Césars parcours vanaf zijn eerste expo bij de Parijse galerie Lucien Durand in 1954. Hij was heel geïnteresseerd in het werk van jonge artiesten.’

Op de expo zijn heel wat plaasteren koppen te zien die César van Picasso maakte. ‘Zelden getoonde werken die aantonen hoe complex de band was tussen die twee.’ ©Alexander D'Hiet

Picasso en César leerden elkaar kennen in het Parijs van de jaren 1950, toen César in een kamer woonde onder het atelier van de Zwitserse beeldhouwer Alberto Giacometti. Ze cirkelden rond in dezelfde kunstenaarskringen in Montparnasse en Saint-Germain-des-Prés. ‘Er was een wederzijds respect en begrip tussen hen. Beide mannen hadden mediterrane roots. César groeide op in Marseille als kind van Toscaanse ouders, Picasso was een Spanjaard die zich in Parijs vestigde. Ze spraken allebei Frans met een zwaar zuiders accent. Dat schiep wellicht een band’, zegt Busuttil-Janssen.

‘Je leven wijden aan het werk van je overleden partner is voor mij een soort roeping. Ik doe dit niet met tegenzin, ik heb het nooit gezien als een last.’
Stéphanie Busuttil-Janssen
Muze en erfgename van César Baldaccini

Midden de jaren 1950 begon César uit armoede sculpturen te lassen met oud ijzer. Zijn werk werd al vroeg internationaal opgepikt; César zou uitgroeien tot een spilfiguur van het nouveau réalisme, de Franse tegenhanger van de popart zeg maar. In Engeland en de VS verkocht hij aan belangrijke verzamelaars, die ook al Picasso in hun verzameling hadden. Ook in het Zuid-Franse kunstdorpje Saint-Paul-de-Vence, waar César later een huis had, kwamen hij en Picasso elkaar tegen. Bijvoorbeeld in La Colombe d’Or, het mythische restaurant waar vele artiesten hun rekening betaalden met kunst. Op de binnenplaats daar staat trouwens nog altijd een bronzen duim van César. ‘Er zijn ook prachtige foto’s van César in Picasso’s Villa Californie in Cannes.’

Amour fou

Tussen Stéphanie Busuttil-Janssen en César was er 46 jaar verschil toen ze elkaar in februari 1989 leerden kennen in Antibes. Busuttil-Janssen, 22 toen, werkte voor een pr-agentschap dat een persreis organiseerde voor vastgoedontwikkelaar Christian Pellerin. César was daar ook aanwezig. De twee werden verliefd. ‘We waren de klok rond samen. Leven, liefde en werk vloeiden continu in elkaar over.’

Een bronzen ‘Plaque Femme’ prijkt in de voormalige garage van Picasso, waar zijn Hispano-Suiza ooit stond. ©Alexander D'Hiet

César werkte in zijn Parijse atelier in de rue Roger. Hij had succes en leidde een mondain leven: hij was close met onder meer de modeontwerpers Sonia Rykiel en Yves Saint Laurent, zakenman Pierre Bergé, architect Jean Nouvel en de schatrijke familie Rothschild. ‘Maar hij vergat zijn afkomst nooit. Het liefst droeg hij oude legerkleren, werkmanshemden en klompen. Hij hield van doorleefde dingen’, zegt Busuttil-Janssen. ‘Ons leeftijdsverschil was nooit een probleem. César was zeer jong van geest, zat vol energie en bulkte van de ideeën. Toen we elkaar leerden kennen, zat zijn carrière op een toppunt en vroeg hij me om zijn studiomanager te worden. Voor hem hielp ik mee rondreizende tentoonstellingen te organiseren.’

‘Zijn werk is visionair, nu we bezig zijn met recycleren en upcyclen van industrieel afval.’
Stéphanie Busuttil-Janssen
Muze en erfgename van César Baldaccini

‘Het grootste project dat we samen deden, was de Biënnale van Venetië in 1995, drie jaar voor zijn dood. Wat hij in het Franse paviljoen realiseerde, grensde aan het onmogelijke: hij wilde maar liefst 520 ton autowrakken persen tot één groot postindustrieel landschap. Al sinds de jaren 1960 droomde hij daarvan. Ik zie ons nog staan op dat autokerkhof in Lyon, in de bijtende kou, tussen de industriële persen en die stinkende wrakken. Na de Biënnale zijn een paar van die ‘compressions’ in collecties terechtgekomen. De rest is gerecycleerd tot oud ijzer.’

Juridisch en fiscaal kluwen

Na de dood van César, in 1998, wachtte Busuttil-Janssen een juridisch en fiscaal kluwen over de nalatenschap. ‘Kunstenaars leiden niet altijd een doorsnee leven. Maar het was toch minder complex dan bij Picasso’, lacht ze. Toen er eindelijk een akkoord werd bereikt met de familie van Césars eerste echtgenote, richtte ze de Fondation César op. ‘Toen ik de stichting opende, heb ik eerst een tour gedaan langs enkele andere grote stichtingen van bekende kunstenaars, zoals Alberto Giacometti, Alexander Calder, Donald Judd en René Magritte. We kennen allemaal dezelfde problemen en uitdagingen, zowel logistiek, financieel als juridisch. Maar sommige zijn logge instituten met dertig man in dienst, andere hebben een lichte structuur. Zoals ik. Ik omring me met freelancespecialisten, die me ad hoc helpen met projecten.’

In de kapel is Stéphanie Busuttil-Janssen, Césars muze en erfgename, richtlijnen aan het geven voor de plaatsing van het werk ‘Hayon Corail’, een van zijn typische ‘compressions’. ©Alexander D'Hiet

Nog altijd leidt Busuttil-Janssen, samen met twee assistentes, de stichting vanuit haar woning in Elsene. Het is haar taak om het werk van César te verdedigen, te promoten, te produceren en in de markt te zetten. ‘Je leven wijden aan het werk van je overleden partner is voor mij een soort roeping. Ik doe dit niet met tegenzin, ik heb het nooit gezien als een last. Al te vaak zie je dat goeie kunstenaars vergeten raken, omdat de afstammelingen niet genoeg moeite doen om het werk onder de aandacht te houden. Hij heeft zeker zijn plaats in de kunstgeschiedenis. En in de filmgeschiedenis, want hij ontwierp het beeld voor de Césars, de Franse filmprijzen.’

Thumbs up

Om Césars oeuvre levendig te houden, werkt Busuttil-Janssen samen met galeries en museumcuratoren. Ze faciliteert mee tentoonstellingen, zoals de expo in Parijs in de Fondation Cartier in 2008 en de expo in het Centre Pompidou in 2018, respectievelijk tien en twintig jaar na zijn dood. ‘De gigantische bronzen duim van zes meter hoog die toen op het plein voor Beaubourg stond, is intussen verkocht. Hij staat nu in Doha, in een soek. César had dat vast een fantastisch idee gevonden.’

©Alexander D'Hiet

Hoewel hij zichzelf vaak afbeeldde in zijn werk, is die duim uitgegroeid tot het ultieme zelfportret van César. ‘Een vingerafdruk toont iemands identiteit. Maar als beeldhouwer gebruik je ook je duim om te creëren. Het is een symbool van trots, van mannelijkheid en van optimisme. Het verwijst ook naar de Romeinse traditie waarbij de keizer in de arena zijn duim omhoog of omlaag steekt om over het lot van de gladiatoren te beslissen. Het beeld barst van de connotaties’, zegt Busuttil-Janssen.  

De voorbije decennia doken de duimen wereldwijd op, van La Défense in Parijs tot de Fondation Gianadda in Zwitserland en de tuin van Guy Pieters in Saint-Tropez. De originele ‘Pouce’ maakte César in 1965 voor de Parijse galeriehouder Claude Bernard. Toen die aan César vroeg om een werk te maken voor zijn expo ‘La main de Rodin à Picasso’ wilde de kunstenaar geen banale handsculptuur, maar een conceptueel zelfportret inleveren. Hij deed de omgekeerde beweging van zijn ‘compressions’: met een pantograaf vergrootte hij de mal van zijn duim uit. Die goot hij af in verschillende formaten en materialen, eerst kunststof, later ook suiker en brons.

©Alexander D'Hiet

‘Naargelang het materiaal en de schaal ziet de duim er telkens compleet anders uit’, zegt Busuttil-Janssen. ‘In gietijzer lijkt hij op een olifantenhuid, in gepolijst brons is hij bijna een juweel. In de jaren 1970, toen César bevriend was met productontwerper Roger Tallon en architect Claude Parent, speelde César zelfs met de idee om een bos van duimen te realiseren. Of een woontoren in de vorm van zijn duim.’ Of Busuttil-Janssen dat ooit nog gerealiseerd wil zien? Wij duimen alvast.

‘Hommage à César’ in Château de Boisgeloup in Gisors.

Open op 2 en 3 oktober, 9 en 10 oktober, 16 en 17 oktober en 23 en 24 oktober, telkens van 10 tot 18 uur.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie