sabato

Luc Tuymans: 'De achterlijkheid in onze maatschappij groeit met de seconde, ondanks de technische vooruitgang'

©Charlie De Keersmaecker

‘Dit is de stad van het oog; je andere zintuigen spelen een zwakke tweede viool’, schreef Joseph Brodsky over Venetië. Op die ogen mikt schilder Luc Tuymans. Vanaf zondag 24 maart stelt hij, op uitnodiging van zakenman en kunstverzamelaar François Pinault, tentoon in het Palazzo Grassi. ‘Niet zozeer de vergeethoek boezemt mij angst in, wel de schrik om ‘het’ niet meer te kunnen.’

Natuurlijk kom je met de watertaxi aan. Je stapt uit aan Madonna dell’ Orto en je wandelt door de straatjes. Straatjes van stilte, geen auto’s en geen fietsen, er is alleen het getik en getak van gehakte prinsessen, het geluid van voetstappen en van verwachtingen: wie verschijnt om de volgende hoek?

Ja, er zijn bootjes die Davide, Alice, Chiara, Erika en Matteo heten, door die namen varende verhalen op de kanalen. Ze vervoeren vis, mensen, doden, kaas, verhuisdozen, brieven, brood, bouwmaterialen. Soms vervoeren ze schilderijen. ‘Het is het eigene aan Venetië’, zegt Bram Bots, studiomanager van Luc Tuymans. ‘Het Palazzo Grassi heeft geen eigen stockageruimte. Er komt werk van overal in de wereld. Dat moet eerst naar een depot buiten de stad en komt dan, in schijfjes, met bootjes naar hier. Maar de locatie deed geen enkele verzamelaar afschrikken. In Qatar (waar in 2015 een tentoonstelling van Tuymans liep, nvdr.) was dat anders, maar dat had met het regime te maken. Het was er moeilijker om bruiklenen te krijgen.’

©Charlie De Keersmaecker

De vaporetto op Linea 2 heeft ons aan San Samuele afgezet en zo voor het Palazzo Grassi. Tussen 1748 en 1772 door architect Giorgio Massari gebouwd voor de familie Grassi, het laatste paleis aan het Canal Grande. De afspraak is om 15 uur en - vanzelfsprekend rokend - wacht de schilder ons op.

Hij houdt niet zo erg van Venetië. ‘Je kan het als een soort Disneyland bekijken’, zal hij later zeggen. ‘Maar dat zei ik, met mijn Antwerpse arrogantie, ook van Brugge. Door met mensen uit Brugge aan mijn expo daar te werken, moest ik mijn mening herzien. De verrotting, de morbiditeit en het verval maken Venetië interessant, maar het is mijn biotoop niet. Dit is de stad waar je op de meest oncomfortabele manier comfortabel kunt zijn, maar er heerst een verkeerd begrip van luxe, vind ik. Al die steegjes, al dat water, al dat verloren lopen over die ontelbare brugjes. Het is me te claustrofobisch. Ik heb het ook met Amsterdam. Ik hou van uitgestrekte steden.’

Gruwelijke onwetendheid

In onze tas zit ‘La Pelle’, roman uit 1949, vertaald als ‘De huid’ en door Curzio Malaparte geschreven. Curator Caroline Bourgeois en Luc Tuymans kozen het boek als thema voor de nieuwe tentoonstelling. Maar de tas is zwaar door nog drie andere boeken. Eén dun: ‘Kade der ongeneeslijken’ van Joseph Brodsky, die de stad vele winters bezocht en nu zijn hele dode leven naast onder meer Igor Stravinsky rust op het Venetiaanse dodeneiland San Michele. Dikker is ‘Venetië. De leeuw, de stad en het water’, pas verschenen van Cees Nooteboom.

©Charlie De Keersmaecker

Ten slotte ‘De klank van de stad’, 408 verse bladzijden van Eric Min en Gerrit Valckenaers. Al op pagina 48 vallen de namen van schilders: Titiaan, Paolo Veronese, Jacopo Bassano en natuurlijk Tintoretto. Zijn werk moet niet per boot naar Venetië gebracht worden, zijn werk ligt op de muren en plafonds van kerken als de Santa Maria Mater Domini en de Chiesa della Madonna dell’Orto (waar hij begraven ligt) en in de majestueuze Scuola Grande di San Rocco. Een journalist van The New York Times had vorig jaar drie dagen nodig voor 150 Tintoretto’s op 23 locaties in de stad: ‘A Whirlwind Tintoretto Tour’, noemde hij het.

Dat weet Tuymans. Hij was 18 toen een Italiëreis hem naar Rome en Siena bracht en dan naar hier. ‘s Nachts ontmoette hij een student van de academie voor schilderkunst die, als conciërge, waakte over het palazzo van een Amerikaanse weduwe aan het Canal Grande. Tuymans bleef er later 14 dagen en toen al viel de verrotting hem op. Het woord valt opnieuw: ‘Het morbide gegeven.’

Nu zegt hij: ‘Een tentoonstelling in deze stad is zeer specifiek en pervers. Het Palazzo staat symbool voor de rijkdom en de macht van de lagunestad die geen deel uitmaakte van Italië. Dit was altijd de poort naar het Oosten. Daarom wilde ik geen retrospectieve expo. Ik wilde niet opnieuw ‘Mwana Kitoko’ of de portretten van Lumumba en Condoleezza Rice tonen. Ook geen animatiefilms of tekeningen. Het gaat volledig over mijn schilderkunst, volledig over het geheugen. En dan is er geen betere stad te bedenken dan Venetië.’

‘Het is een reusachtig Italië-jaar door ‘Sanguine’ (de door Tuymans gecureerde tentoonstelling over barok, nvdr.) in de Fondazione Prada en nu zijn alle Italianen nieuwsgierig naar wat ik zelf maak. Ik heb de Latijnse wereld altijd aangevallen omdat ze zich vanuit een gruwelijke onwetendheid niet geïnformeerd heeft. Kijk naar de politiek in dit land, maar ook naar Frankrijk. (lacht) Nu ik in de herfst van mijn leven zit en ik continu gekakt heb op de Fransen, blijkt de grootste verzamelaar van mijn werk een Fransman te zijn. Dat is l’ironie du sort.’

‘We begrijpen elkaar’

Die Fransman is de 82-jarige zakenman François Pinault (‘geen Parijzenaar, hij komt uit Bretagne’, zegt Tuymans en dat is geen detail), die eigenaar is van het Palazzo Grassi. Hij wilde iets gelijkaardigs op het Île Seguin in Parijs, de politiek werkte dat tegen en toen trok hij naar Venetië. Ondertussen is er in Parijs wel bijna de Bourse de la Commerce, waar de Collection Pinault ook later, na zijn dood, te zien zal zijn.

Nu ik in de herfst van mijn leven zit en ik continu gekakt heb op de Fransen, blijkt de grootste verzamelaar van mijn werk een Fransman te zijn. Dat is l’ironie du sort.

In die collectie zitten zeker 25 werken van Luc Tuymans (naast onder meer Picasso en Jeff Koons), en een aantal daarvan is vanaf zondag 24 maart in het Palazzo Grassi te zien. In die tentoonstelling, die dus ‘La Pelle’ zal heten en die in totaal meer dan tachtig werken toont. Het oudste, zegt de schilder, dateert van 1989. Het gros is redelijk nieuw: tussen 2015 en 2018 gemaakt. Nadat hij in 2001 deel uitmaakte van de Biënnale is hij nu, nadat Pinault het Palazzo Grassi eerder door Damien Hirst liet volhangen, de ster.

Hij kent Pinault. Goed. En al heel lang. ‘Frank Demaegd (van galerie Zeno X, nvdr.) introduceerde me bij hem. Zeker twintig jaar geleden. Het klikte onmiddellijk. We zijn allebei selfmade men, we begrijpen elkaar. Maar mijnheer Pinault is ook oprecht gepassioneerd door wat hij verzamelt. Het contact is zeer direct. Hij heeft assistenten die uitkijken en die hem foto’s tonen, maar mijnheer Pinault gaat altijd zelf kijken en kiezen. Hij wil fysiek contact met het werk en koopt dus niet via een foto op de iPhone.’

Geregeld was hij in Tuymans’ atelier in Antwerpen op bezoek. ‘Hij verzamelt in de diepte, niet alleen van mij overigens. Zo krijg je body. Toen ik begon, maakte ik met Frank (Demaegd, nvdr.) en David (Zwirner, zijn galeriehouder in New York, nvdr.) de afspraak dat zeker een derde van mijn werk - ook belangrijke werken - publiekelijk te zien moest zijn in museale ruimtes, bij foundations of via mensen als François Pinault. Hij verzamelt niet om het onzichtbaar te maken. Al hangt er ook wel wat in zijn woning.’

2420

Die Zeit, 1988, oil on cardboard / quadriptych, 34,6 x 36,9 cm, 36,5 x 35,1 cm, 31,4 x 36,9 cm, 34,6 x 35,1 cm. Private collection. ©Studio Luc Tuymans, Antwerpen

Deze stad lijkt eeuwig en met al die bruggen is het niet zo moeilijk er eentje te metselen tussen Luc Tuymans zelf en de schilders van Italië. Een dag later zegt curator Caroline Bourgeois: ‘We kunnen helaas niet voorspellen of en hoe over 400 jaar naar Lucs werk gekeken zal worden, zoals wij nu naar Caravaggio kijken. Toch zie ik gelijkenissen. Lucs werk is actueel, maar dat zal het ook in 2420 zijn. Zoals Caravaggio dat vandaag is. Hun schilderijen zijn dragers van de geschiedenis van een tijdperk. On s’engage pour essayer: ze willen niet verleiden, ze willen werk maken dat belangrijk is. Dus? Ja.’ Ja, antwoord dat vandaag niemand kan checken.

In de vooravond betalen we 10 euro om in de Scuola Grande di San Rocco naar Tintoretto te kijken. Het is nog koud nu, begin februari, maar daar schreef Brodsky dit over: ‘Dit seizoen bedwingt misschien niet per se je zenuwen, maar maakt ze wel ondergeschikt aan je instincten; wat mooi is bij lage temperaturen ís mooi.’ Met spiegels kun je hier de werken op het plafond bekijken. Ook Tintoretto schilderde dit meer dan 400 jaar geleden.’ Als de 32 zalen van het Palazzo Grassi vanaf volgend weekend gevuld zijn met Tuymans, zullen al die Venetiaanse toeristen dan hetzelfde voelen als bij deze kruisiging van Christus?

In ongenade

Wat voelt hij? ‘Je kan anticiperen’, zegt de schilder, ‘maar we leven in een periode waarin veel in de vergeethoek geraakt. Misschien vindt iemand over 20 jaar het impressionisme weer uit, omdat men niet meer weet dat het al bestaan heeft. De achterlijkheid groeit met de seconde, ondanks de technische vooruitgang. Aan de andere kant geloof ik in wat zwart op wit staat.

Als kind werd ik zwaar gepest. Ik maakte mee dat de volledige klas me in een grote vuilnisbak gooide. Kinderen kunnen onmenselijk wreed zijn.

Gisteren was ik in Verona, waar het tweede deel van mijn catalogue raisonné wordt gedrukt. Ook het derde deel komt dit jaar nog uit. Alles samen toch 660 werken, voor de tekst koos ik geen poëtisch verhaal, maar gewoon het zakelijke, letterlijke. Hoe zal dat over 400 jaar zijn? Dat is moeilijk in te schatten. Rubens werd nooit uit het oog verloren, dat had ook te maken met het schema waarin hij zich paste. Maar Caravaggio werd 300 jaar vergeten, ook Vermeer en Rembrandt vielen op het einde van hun leven in ongenade, zelfs Goya raakte volledig geïsoleerd.’

Is er schrik voor dat lot? Hij zucht. ‘Het kunstenaarsbestaan is een zeer compulsief bestaan. Het heeft met dwangmatigheid te maken, maar ook met plezier. Als het plezier verdween, zou ik iets anders gaan doen. Schrijven of filmen, ik weet het niet. Gelukkig is dat nu niet zo. Angst? Niet zozeer de vergeethoek boezemt mij angst in, wel de schrik om ‘het’ niet meer te kunnen. Dat bedoel ik létterlijk: de voeling met het medium.’

‘Die angst heeft niets te maken met wat iemand anders ervan vindt. Dat heeft me nooit echt geïnteresseerd. Het is belangrijk, maar het is een bijproduct. Er is een reusachtig verschil tussen het maken van een kunstwerk en de Umwelt.’

Chirurgische ingreep

In die catalogue raisonné moet ‘Needles’ staan, een werk uit 1972, dat nu in de vaste collectie van het museum van Osaka zit. Tuymans weet nog perfect hoe het ontstond: ‘Ik zat op de trein tussen Gent en Antwerpen, zag een figuur met een stokje en rood stof, in de beweging van de snelheid van de trein. Ik weet nog dat er onder dat werk vandaag vier of vijf eerdere werken zitten. Als ik het nu zie, herken ik de schriftuur. Al was ik altijd tegenstander van het ontwikkelen van een stijl, daar maak je je schriftuur mee kapot. (glimlacht) Maar na 660 werken krijg je vanzelf toch wel een stijl. Alleen is die organisch gegroeid. Van de meeste werken kan ik letterlijk zeggen waar ze begonnen en eindigden. Ze terugzien is daardoor geen verrassing. Die droom is er nog wel om er als complete moron te kunnen naar kijken, maar daar moet ik eerst voor dementeren.’

Corso II, 2015, oil on canvas, 195,5 x 152,5 cm. Private collection. Courtesy David Zwirner, New York/London. ©Studio Luc Tuymans, Antwerpen

Die organische groei, van oeuvre maar eerst nog van werk tot werk, bleef. Hij vertelt hoe hij meestal op donderdag werkt. ‘Of vrijdag. Maar altijd over de helft van de week.’ Een schilderij wordt op één dag gemaakt. De eerste helft van de week is voorbereiding. ‘Mentaal. Ik ben niet de man van het spontane denken op doek. Het is voorbereid.’ Dan is hij ‘extreem nerveus’ en voelt hij ‘stage fright’. Nog altijd, hij is 60. ‘Die extreme nervositeit en spanning zijn noodzakelijk. Pas tijdens het maken, na een uur of drie, iets over het midden van het werk, pas dan, als ik voel dat het iets wordt, begint het plezier. Het kan niet anders. Was het anders, dan schilderde ik binnen een proces. Van dag één tot nu gaat het zo.’

Donderdag of vrijdag. Altijd opnieuw. Donderdag of vrijdag. ‘Op woensdagavond mag ik niet gezopen hebben’, glimlacht hij. ‘Ik moet nuchter zijn. En uitgeslapen.’ Donderdag of vrijdag: schilderen, uren en uren, schilderen, wegkrabben, schilderen, schilderen, schilderen. ‘Ik vergelijk het met een chirurgische ingreep. Het heeft diezelfde intensiteit, al speelt een chirurg natuurlijk met mensenlevens. Maar de dokter dekt het lichaam af en concentreert zich op dat ene stukje.’

Volledig platgewalst

Dan is het klaar. De schilder gaat naar huis (‘nooit wil ik nog wonen waar mijn atelier is’), bekijkt op zijn iPhone de foto’s die hij gaandeweg maakte van het werk en moet ‘unwinden’. De volgende dag kijkt hij met klare ogen. ‘Als het gelukt is, denk ik nog altijd: hoe kan dat nu? Die verwondering blijft. Maar nog meer: het verbaast me dat iets opgepikt wordt. Mijn eerste tentoonstelling was in Ruimte Morguen (in Antwerpen, 1988, nvdr.) op vraag van Marc Schepers, die zelf postconceptuele kunst maakte. Mijn werk was niet zo spectaculair, toch kwamen mensen kijken. Tot vandaag begrijp ik het niet.’

‘Ik begrijp zelfs niet dat mensen mijn werk aan de muur hangen. Zelf heb ik geen enkel schilderij van mezelf. Op twee of drie na, die ik aan mijn vrouw (de Venezolaanse kunstenares Carla Arocha, nvdr.) schonk, maar ze mag die níét ophangen. Het lijkt me verschrikkelijk naar mezelf te kijken. Als ik bij een verzamelaar ga eten en per ongeluk hangt mijn werk in zijn eetkamer, dan ga ik er met mijn rug naartoe zitten. Ik wil de fouten niet zien die ik gemaakt heb. (lacht) Dan kijk ik liever naar de fouten van een ander.’

©Charlie De Keersmaecker

Een andere Antwerpse schilder, Philip Aguirre y Otegui, herinnert zich die eerste tentoonstelling in Ruimte Morguen. Hij bezocht die. ‘Je voelde in het werk van Luc een heel aparte benadering, een frisse kijk op schilderkunst. Zijn werk was heel sober, maar het waren zeer intense schilderijen.’

Tuymans herinnert zich dat hij als kind, met een oom, in het Gemeentemuseum van Den Haag de betovering van kunst voelde bij een werk van Mondriaan. ‘Ik was acht of negen, ik kon überhaupt niet begrijpen wat ik zag, maar ik begreep wel de monumentaliteit van dat werk. Al was het abstract. Hetzelfde had ik toen ik in Brugge voor het eerst werk van Van Eyck zag. Ik was volledig platgewalst. Later had ik dat ook toen ik werk van Hopper zag. Daarom vind ik het zo’n ramp dat het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen nog tot 2020 dicht is. Een volledige generatie kan dat nu niet zien en meekrijgen.’

Eddy Merckx

Nog eerder ontdekte hij zelf zijn talent. Tuymans was zes en al vaker vertelde hij: een zeer stil kind, ‘op de rand van het autistische’. Grote vakanties bracht hij door bij familie in het Nederlandse Zundert. ‘Er waren activiteiten voor kinderen, we waren met 150, en er werd een soort Tour de France georganiseerd. Vooral sport. Maar op een dag werd op een groot plein stoepkrijt uitgedeeld en iedereen moest iets tekenen. Ik tekende een ridder en kreeg de gele trui. Het moment dat ik op dat podium moest, voelde ik: dit is de manier waarop we geaccepteerd zullen worden. Wat kunstenaarschap was, wist ik niet. Maar ik wist wel waarmee ik me kon onderscheiden.’

Later, op Sint-Lucas in Brussel, was mijnheer Desmet (‘de leraar modeltekenen’) de man die hem stimuleerde om hiermee verder te gaan. ‘Hij zei: “Jij moet schilderen.” Hij trok me letterlijk over de streep. Waarvoor dank. Toen ik in 2011 tentoonstelde in Bozar heb ik hem uitgenodigd en zijn zoon kwam.’

Ik hou niet zo erg van Venetië. Je kan het als een soort Disneyland bekijken - niet mijn biotoop.

Diep in de tijd en ver van Venetië zijn we gevaren, het Canal Grande uit, de zeeën over, naar jaren van toen. De gele trui doet denken aan wat Jan Hoet ooit over Tuymans zei: ‘Hij is de Eddy Merckx van de schilderkunst.’ Dat is wat. Eddy Merckx was niet de beste van België en niet de beste van zijn generatie: hij was de Beste Aller Tijden. ‘Jan Hoet was een bijzonder figuur in mijn leven. Hij was heel gepassioneerd, wat voor veel mensen ook nefast werd. Toen hij een eerste keer naar mijn atelier kwam, had ik drie andere kunstenaars uitgenodigd. Het moest voor hem toch boeiend genoeg zijn. Nadien leek het alsof er een bom was gevallen. Uit de 150 werken die ik had, haalde mijnheer Hoet er één uit: ‘The Spirit of St-Louis’. Een klein schilderijtje, wat zal dat gekost hebben? 2.000 frank? (lacht) Later verkocht hij het op een veiling om het huwelijk van zijn zoon te betalen.’

Twee andere vroege werken, ‘The Swimming Pool’ en ‘Body’, waren ook voor Hoet. Het eerste zit nog bij de familie, het andere zit in de collectie van het SMAK. ‘Mijn laatste herinnering aan Jan is hoe we na een tv-programma buiten een sigaret stonden te roken. Ik weet niet of hij schrik had voor de dood. Jan was een alfamannetje, hij liet zijn zwakheden niet graag zien. Maar je zag wel dat het niet goed ging. Jan was altijd heel ad rem, op het einde nam dat af. (met een glimlach) Eigenlijk verbaast het dat hij 78 werd. Zijn energie, zijn buitenissigheid van eten en drinken: dat was allemaal extreem. Jan leefde met 150 per uur, maar met de wagen reed hij nog veel sneller. Ooit reed ik met hem terug van de Documenta. Hij reed 240, bleef de hele tijd praten en ik telde 35 bijna-ongevallen. Toen ik uitstapte, zei ik: “Met u rijd ik nooit meer mee.’”

Antwerpen met lede ogen

Die Jan Hoet stampte twintig jaar geleden het SMAK uit de grond, in Gent. Hoet deed mensen dromen. Daarnet vertelde Tuymans over het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. ‘Ik kijk met lede ogen naar mijn stad. Het is niet alleen een Antwerps verhaal, het is geglobaliseerd, maar de stad die meer nationaliteiten heeft dan ooit voelt veel minder kosmopolitisch aan. Dat zeg ik, maar dat zeggen ook veel cafébazen. Antwerpen is ingeperkt.’

We praten verder over Antwerpen, over waarom hij zegt dat hij ‘met lede ogen’ naar zijn stad kijkt, natuurlijk over het stadsbestuur van de jongste zes en de komende zes jaar en over zijn eigen familiale historische achtergrond als reden voor zijn allergie voor rechts en extremer rechts. ‘De man naar wie ik genoemd ben, een broer van mijn vader, zat bij de Hitlerjugend. Mijn nonkel sneuvelde op 16-jarige leeftijd als mascotte. Met drie broers waren ze in 1943 weggestuurd naar scholen in Duitsland, alleen hij keerde niet levend terug.’

Het bezwaarde de kunstenaar, te zien hoe een ideologie een jong mensenleven kan eisen en - Tuymans is Tuymans - daar komen uitgesproken meningen en gemeende uitspraken van. Maar in dit verhaal wil hij die niet gepubliceerd zien. Omdat Antwerpen Venetië niet is of misschien vooral omdat hij zijn Venetiaanse doortocht niet wil laten ontsieren door uitspraken die tot polemiek of ongewenste naweeën leiden.

©Charlie De Keersmaecker

Casanova

Even is, door deze passage in het gesprek, een zware geschiedenis gevallen over de stad waar de muziek van Vivaldi en Monteverdi werd geboren. De stad waar Casanova de liefde vierde. De stad waarin Peggy Guggenheim werk van Picasso, Magritte en Giorgio de Chirico toont. De stad van gondels, souvenirwinkels en te dure osteria’s. Maar verdomd lekker. Hier zal Luc Tuymans’ werk acht maanden lang het Palazzo Grassi bewonen. Hij liet er twee vensters openmaken en werkte in situ aan een mozaïek, waarvan de primeur voor de opening is. A la limite wil hij het nog tonen op zijn iPhone, maar zijn twee medewerkers zijn categoriek: ‘Als je het wil zien, moet je nog eens terugkeren naar Venetië.’

Als ik bij een verzamelaar ga eten, zit ik altijd met mijn rug naar een werk van mij. Ik wil de fouten niet zien die ik heb gemaakt.

Of de stad inspireert, vraag je. ‘Bij elke reis zie je wel iets. Dat is niet afhankelijk van Venetië. Deze morgen gaf het hoogwater wel een ander beeld van de stad. Maar ik ben hier wel al vaak geweest. Veel komt terug.’

Achttien jaar na zijn deelname aan de Biënnale is hij nu de man rond wie het alleen draait. De grote Tuymans die jonge kunstenaars steunt. Recentelijk nog raakte hij geïntrigeerd door het werk van Manu, ‘op zijn familienaam kom ik niet’: ‘Allemaal kleine schilderijtjes, redelijk abstract, heel raar.’ Hij volgt zijn vroegere assistenten Joris Van Poucke en David Wauters. Natuurlijk is er Carla, zijn vrouw, en zijn er mensen als Stéphane Schraenen, Dennis Tyfus en Vaast Colson. ‘Een hele biotoop in het stadje zelf’, glimlacht hij. ‘Dat versterkt zich.’

Zwart op wit

De laatste vragen houd je - het zit in de woorden zelf - voor het laatst. Dit wordt een ongebruikelijk slot, maar dat mag. Luc Tuymans is een ongebruikelijk mens. Drie vragen nog, drie antwoorden. Zwart op wit.

Hoe kijkt u naar de heisa die rond Jan Fabre ontstond?

Tuymans: ‘Ik ken Jan al dertig jaar, maar niet echt goed. We zien elkaar twee keer per jaar. Ik kan er weinig over vertellen. Die #metoo-beweging is niet slecht, ze heeft haar functie. Ik huiver alleen voor processen die gemaakt worden in de media. Dat heeft repercussies. Anne Teresa De Keersmaeker zei dat goed. We moeten afwachten wat er gebeurt als het tot een echt proces komt. Zeer intelligent vond ik het dat ze zich niet wilde verontschuldigen voor iets wat zij niet gedaan heeft. Ik heb Jan nog niet gesproken sinds dit uitkwam, maar ook als er iets gebeurd is, vind ik dat de artistieke productie een apart gegeven is. De kans bestaat dat een oeuvre van 30 jaar ineens anders wordt bekeken. Dat vind ik een gevaar.’

U gebruikte eerder de woorden ‘Antwerpse arrogantie’ over uzelf. Toch zeggen veel mensen dat u in werkelijkheid zacht en lief bent. Wat hier ook blijkt. Dat is dan imago. Heeft u dat nodig?

Tuymans: ‘Het is pure bescherming. Als kind werd ik zwaar gepest. Ik was klein, was stil, was blond en mager. Ik maakte mee dat de volledige klas me in een grote vuilnisbak gooide. Ik was zeven of acht. Als ik vandaag een groepje kinderen rond een kleine van zes met een brilletje zie staan, kom ik tussenbeide. Kinderen kunnen onmenselijk wreed zijn. Toen ik 14 was, groeide ik en begon ik te praten. Ik blijf verlegen, maar ik praat dat weg. Zo is een beeld ontstaan dat niet klopt. Of het handig is? Bij momenten wel. Maar mensen die brains genoeg hebben, zien er dwars doorheen.’

Tot slot: hoe hebben uw ouders uw succes als kunstenaar beleefd?

Tuymans: ‘Ze leven niet meer, maar ze hebben het gelukkig wel nog kunnen meemaken. Ze waren erbij op de tentoonstelling in Tate Modern (2004, nvdr.), dat maakte hen trots en ze konden dat ook uiten. De wereld is eindig en het leven is dat ook. Ik aanvaard dat iets tot een einde komt. Alleen was ik wel razend toen mijn moeder één jaar na mijn vader stierf. Zijn dood zat eraan te komen, hij was ziek, dat was eerder een opluchting. Maar toen wilde ik haar kunnen meenemen naar New York. Ze had geen fantastisch leven gehad en had een minderwaardigheidscomplex dat in Venetië niet binnen kon. Ik had het haar zo graag gegund. Ik vond het wraakroepend dat ze op tachtig moest sterven.’

Wateralarm

Het water stijgt en stijgt, er klinkt een wateralarm boven de stad, en al snel verhuurt het hotel rubberlaarzen. Venetië is voorzien op het water. Canal Grande gaat vannacht over de kades klotsen. Met Cees Nooteboom waden we de nacht in: ‘De doge slaapt, Tintoretto slaapt, Monteverdi slaapt, Rilke slaapt, Goethe slaapt, de leeuwen, draken, basilisken, de standbeelden van heiligen en helden, allemaal slapen ze, tot de eerste schepen met vis en verse groente binnenvaren en de symfonie van de honderdduizend voeten opnieuw begint.’

‘La Pelle’, Luc Tuymans, van 24 maart tot en met 6 januari 2020 in Palazzo Grassi, Campo San Samuele 3231, 30124 Venetië.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content