Advertentie
sabato

Entrepreneur Isolde Pringiers over haar crush op Japanse mode

©Cici Olsson

Radicaal, grensverleggend, extreem, avant-gardistisch. Door ontwerpers als Rei Kawakubo en Yohji Yamamoto vereenzelvigen we Japanse mode vaak met dat soort adjectieven. Mode voor durvers dus, zoals je kan zien tijdens de expo ‘Across Japan’ in het Hasseltse modemuseum. ‘Ik ben altijd aangetrokken geweest door het bizarre.’

‘Waarom zit jij niet op Instagram?’, hoor ik vaak. Maar likes als pasmunt, daar hou ik niet van. Ik kleed me voor mezelf. Het is gewoon iets natuurlijks en existentieels waar ik me niet te veel vragen bij stel.’

Wie? Isolde Pringiers.  
Wat? Had een architectuurpraktijk in Bulgarije, waar ze ook mee een lifestylemagazine oprichtte. Ze had een galerie in Brussel, geeft boeken uit over design en kunst (onder meer over het werk van haar moeder) en werkt op dit ogenblik pro bono voor de filantropische organisatie van haar vader in Sri Lanka. Daarnaast beheert ze haar eigen immobiliën.  Is fan van? Sacai, Rei Kawakubo en Junya Watanabe, onder meer.

‘Toen ik 17 was, ben ik in Japan japanologie gaan studeren. Ik kreeg geld van mijn ouders om er te kunnen leven, maar daar kwam ik niet mee toe. Daarom kluste ik bij als model en gaf ik Engelse les aan dokters in ziekenhuizen. Een groot deel van dat geld spendeerde ik aan Japanse designerkledij. Midden jaren 80 was een zeer avant-gardistische periode voor de Japanse mode. Er was Issey Miyake, Yohji Yamamoto, Comme des Garçons, Kansai… Ik hield ook enorm van de ‘technocouture’ van Junya Watanabe in de jaren 90 en 2000, omdat die draagbaarder is en hij een meester is in structuur.’

‘Ik vond die stukken toen zo fantastisch. Ik ben opgegroeid in Sri Lanka en daar waren geen modereferenties. Behalve dan de nationale klederdracht van sarongs en sari’s - mensen kleden er zich met een rol stof - was er daar niet veel te koop. Daarom ontwierp ik zelf mijn kleren, die ik dan bij een naaister liet maken.’

Wit harnas, Comme des Garçons. ©Cici Olsson

‘Dat ik enorm hou van het experimentele in de Japanse stijl zal wel iets met mijn opvoeding te maken hebben. Mijn moeder is kunstenares. Ik groeide niet op in een familie waar je bepaalde regels moest naleven. Ik deed gewoon mijn zin, er was ook geen groepsdruk in Sri Lanka.’

‘Ik ben altijd aangetrokken geweest door het bizarre, het niet-conventionele, het architecturale, door asymmetrie en volumes die rond het lichaam spelen. Het gaat me zeker niet om de naam van een ontwerper, maar om wat die doet en hoe dat met mij resoneert. Die andere idee van esthetiek, van vrouwelijke schoonheid, van proporties maken Japanse mode zo interessant.’

‘Wat ik draag, moet overeenkomen met wie ik ben, mijn kledij is een veruiterlijking van wat ik voel. Ik vergeet vaak wat ik draag, het stuk wordt dan een deel van mezelf. Pas als mensen er iets over zeggen, besef ik wat ik aan heb. Maar ik voel me nooit opgekleed. Ik kleed me gewoon. Een vriend zei me dat ik me uitdruk als een artiest. Dat ben ik niet, ik ben hoogstens artistiek.’

Handtas met gaten van Louis Vuitton, een ontwerp van Rei Kawakubo. ©Cici Olsson

‘Soms merk ik dat een modehuis na twintig jaar niet meer zo sterk is. Dat stoort mij niet: niets blijft voor altijd. Het is boeiend om dan naar iets nieuws te zoeken. Maar de goede stuks die ik toen kocht, draag ik nog altijd. Ik heb weinig stukken die ik niet heb gedragen. Niet dat ik alles honderd keer aantrek.’

‘Die kleren zijn niet traditioneel sexy, hoor ik wel eens. Ze nemen inderdaad veel plek in. Een man kan zijn arm soms niet over je heup leggen, maar dan zijn er vaak wel andere onverwachte openingen in het stuk.’ (lacht)

Pringiers in een rok uit de ‘White Drama’-lentecollectie 2012 van Comme des Garçons. ‘Ik kocht hem voor de dag dat ik opnieuw trouw, maar aangezien dat nog niet gebeurd is, draag ik hem nu zomaar.’ ©Cici Olsson

‘Ik ben intussen wel wat milder geworden in mijn kledingkeuze. Maar wat ik koop, moet nog altijd net iets meer hebben. Tegenwoordig ben ik erg voor vloeiende vormen, simpele lijnen die meer body-conscious zijn. Ik hou van vakmanschap als borduurwerk en macramé en van natuurlijke materialen. Terwijl Japanse kleren vaak van synthetische, futuristische materialen gemaakt zijn. Het is stadskledij voor bepaalde seizoenen. Vaak kan je er geen mantel over dragen of zijn ze veel te warm in de zomer. Die stuks zijn ook moeilijk om mee te reizen, want ze passen niet in een valies. Of je hebt een volledige valies nodig voor één stuk.’

‘Ontwerpster Rei Kawakubo doet nu echt heel extreme dingen, de showcollecties zijn intussen kunst en geen mode meer, want niet langer draagbaar. Tegelijk blijft ze fascineren en verrassen en zijn haar shows in Paris echte ‘fashion moments’. Ze is en blijft een grote, ongeëvenaarde, solitaire doyenne in de modewereld, wars van alle opgelegde commerciële regels of seizoenen. Ik bewonder haar meedogenloze, subversieve oneerbiedigheid en haar obsessieve zoektocht naar extreme vernieuwing over wat kledij kan zijn of betekenen. Als eerbetoon wordt in mei in het Metropolitan Museum in New York een retrospectieve expo van haar werk getoond.’

Dit zijn geen schoenen, maar accessoires die je over je schoenen moet dragen. Van Comme des Garçons. ©Cici Olsson

‘De jongste jaren hou ik ook erg van Sacai, een Japans merk dat heel draagbaar is en net dat beetje extra heeft dat het cool maakt. Ik ben sowieso altijd op zoek naar jonge ontwerpers.’

‘Hoeveel stuks ik heb? Dat weet ik niet. Misschien zou het geen slecht idee zijn om een boek over mijn verzameling te maken. Het zal allicht geen groot publiek aanspreken, maar ik zal dan wel precies weten hoeveel stuks ik bezit.’

De expo ‘Across Japan’ vindt tot 3 september plaats in het Hasseltse modemuseum. Thema is de kruisbestuiving tussen Japanse en westerse mode, van de jaren 80 van vorige eeuw tot vandaag. De tentoonstelling wordt georganiseerd naar aanleiding van het Yokosofestival - 5 jaar Japanse Tuin in Hasselt. www.modemuseumhasselt.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie