interview

In het hoofd van de supporter

©Kristof Vadino

De enen hijsen zich in een gek truitje en schreeuwen zich hees. Anderen zijn allergisch voor voetbaluiterlijkheden en volgen stoïcijns de match. Maar over één ding zijn supporters het eens: voetbal doet iets met een mens.

MIGUEL WIELS (42), ARTIEST, PRODUCENT EN COMPONIST

Heeft al zijn hele leven een abonnement van KAA Gent. Hij supportert samen met zijn vader. Luidruchtig en hevig, maar zonder frustratie.

‘Goed gevierd donderdag, het is 4 uur geworden. Maar eigenlijk dringt het nu pas helemaal door: we zijn echt kampioen. Ik ben ongelooflijk trots. En blij. Zeker voor mijn vader, die al zoveel langer voor de club supportert. Het was de meest heroïsche match ooit van KAA Gent. Wat er hierna ook gebeurt, ze staat voor altijd in het geheugen van alle buffalo’s gegrift.’

‘Voetbal is een hobby, een passie en pure ontspanning. Als ik naar een wedstrijd kijk, kan ik probleemloos alle andere zaken naast mij neerleggen. Daarbij is het ook iets dat ik met mijn vader deel: we gaan bijna altijd samen naar de matchen kijken. Onlangs heb ik ook mijn zoon voor de eerste keer meegenomen. Ik hoop stiekem dat ik de microbe ook aan hem en mijn dochtertje kan doorgeven. Ik zie mezelf in elk geval tot mijn tachtigste - met een wandelstok en op mijn gemak - naar de Ghelamco Arena wandelen. Waarom niet?’

‘Ik was vijf toen ik voor de eerste keer het Jules Ottenstadion binnenwandelde. Mijn vader, een autoverkoper, werkte voor een firma die de ploeg sponsorde. Bij elke thuiswedstrijd reed hij voor de match en tijdens de rust met een auto rond het veld, bij wijze van promotiestunt. Mijn broer en ik zaten op de achterbank. Geweldig vonden we dat: we konden de spelers van dichtbij zien opwarmen. Vanaf dat moment ben ik onvoorwaardelijk fan van KAA Gent. Ik heb letterlijk al mijn hele leven een abonnement.’

©Kristof Vadino

‘Het is niet altijd zo’n groot feest geweest als nu. In de late jaren tachtig is de ploeg zelfs even naar tweede klasse gedegradeerd. En in de jaren daarna kampte het bestuur met financiële problemen. Het was soms een beetje triestig, maar ik ben altijd blijven supporteren. En ik niet alleen. Gent heeft - zeker in vergelijking met andere topploegen - een schare heel trouwe fans.’

‘De ploeg maakt deel uit van Gent, ze heeft een volks karakter. Daarom dat ik er zo van hou. Er hangt iets heel sympathieks rond KAA Gent. Daarbij komt dat ik chauvinistisch ben: ik ben een trotse Gentenaar. Supporteren voor de thuisploeg hoort er gewoon bij. Dat gevoel gaat zo ver dat ik me tijdens het WK echt moest opladen om mee te doen met de hysterie rond de Rode Duivels. Het voelde vreemd om spelers aan te moedigen die enkele maanden voordien nog tegenover Gent stonden. Het was en is mijn ploeg niet, dat is KAA Gent al.’

‘Ik ben een luidruchtige en hevige supporter. Zo weet iedereen in mijn omgeving voor welke ploeg ik supporter. Het bewijs: ik heb veel blauw-witte voetbaltruitjes gekregen bij de geboorte van mijn zoon. (lacht) Ruzie maken over een match doe ik nooit. Het is maar een spelletje. Mijn broer is vreemd genoeg een diehard fan van Club Brugge. We jennen en plagen elkaar constant, maar verder gaat dat niet. Het moet plezant blijven. Ik doe zelf niets liever dan een match bekijken met een supporter van de tegenstander op de stoel naast mij. Frustratie of woede na een slechte match, dat heb ik niet.’

‘Ik ga zo vaak ik kan naar de matchen kijken. Op één na heb ik alle play-offwedstrijden bijgewoond. Ook de uitmatchen. Ik vind het leuk om eens een andere voetbalcultuur op te snuiven. In de Ghelamco Arena heb ik een mooi vast plaatsje in de hoofdtribune. Niet in de loges, nee. Je moet het stadion langs buiten voelen. Ik ben al een paar keer uitgenodigd om een match mee te pikken in luxueuzere omstandigheden, maar ik kan het nooit laten om na het eten te vragen of we niet buiten naar de wedstrijd gaan kijken.’

‘Mijn beste voetbalherinnering is de legendarische 4-1-overwinning tegen rivaal Club Brugge op 1 april 2006, met speler Mbark Boussouffa in een glansrol.’

‘Ik was zelf ook een vrij goede voetballer toen ik jong was. SK Beervelde, dat was mijn ploeg. Tot rond mijn 18de heb ik vrij intensief gespeeld. Daarna moesten keuzes worden gemaakt en is voetbal naar de achtergrond verschoven. Ik heb er lang spijt van gehad. Maar nu besef ik dat ik waarschijnlijk nooit goed genoeg was om het echt ver te schoppen.’

‘Vandaag staat voetbal volledig los van mijn werk, al kan je niet ontkennen dat de Ghelamco Arena dé plek is om te netwerken. Iedereen die iets betekent in Gent, zowel in de politiek als in het zakenleven, zie je daar passeren. Drie jaar geleden heb ik samen met Kurt Burgelman wel het supporterslied ‘Mijn Buffalo’ geschreven voor KAA Gent, maar dat was puur voor het plezier.’

 

Jan Callebaut (59), CEO Why5Research

Supportert al meer dan veertig jaar ‘vurig’ voor RSC Anderlecht. Maar meezingen doet hij nooit. En een sjaal kan alleen voor de foto.

‘Ik groeide op in Affligem, vlak bij Brussel. In onze familie werd je automatisch Anderlechtsupporter. Net als mijn vier broers ben ik al ruim veertig jaar een vurige supporter. Anderlecht zit voorgoed in mijn hart. Ik heb al acht jaar drie zitabonnementen, aan de kant van de hoofdtribune. Mijn 19-jarige zoon zit naast me, de andere plek is voor een vriend, een van m’n vier broers of een vriend van mijn zoon.’

©Kristof Vadino

‘Ik zou nooit achter glas in de loge naar de match willen kijken. Voetbal kijken is er een steriel gebeuren. Op de tribune voel je tenminste de wind en de energie van de supporters. Ik netwerk ook nooit op Anderlecht. Voor mij is voetbal een soort escapisme, een intiem familiemoment, pure qualitytime met mijn zoon. We zitten altijd een halfuur voor de aftrap op onze plek. Het is een stuk van het plezier om samen de ploegopstelling te achterhalen tijdens de opwarming.’

‘Ik heb nog nooit een sjaal van Anderlecht gedragen, zelfs niet als kind. Ik heb niets met dat soort dweperigheid. Ik zing ook nooit mee. Ik ben analytisch van aard, ik geniet in stilte van de vloeiende stijl van een Dennis Praet of een Youri Tielemans. Dat is Anderlecht ten voeten uit. Anderlecht heeft een kennerspubliek. Na de 0-5-pandoering in de Champions League twee jaar geleden tegen Paris-Saint-Germain kreeg hun sterspeler Zlatan Ibrahimovic een staande ovatie van het Anderlecht-publiek. Schitterend vond ik dat. De stijl van het huis, de relatieve ingetogenheid, sluit aan bij mijn karakter. De Anderlechtsupporter is veel gereserveerder dan de Club Brugge-fan, die de ploeg veel intenser naar voren stuwt.’

‘Mijn zoon is veel uitbundiger. Die kent alle supportersliedjes vanbuiten. Hij draagt altijd een truitje en een sjaal, en heeft een vlag bij. Hij lacht me dikwijls uit omdat ik eerder pessimistisch ingesteld ben. Ik ga er voor de match van uit dat het wel mis zal lopen. Dat is bijna een ritueel, alsof ik zo de nederlaag probeer te bezweren.’

‘Ik heb een grote bewondering voor de identiteit van de club, die ze nooit heeft afgezworen. Anderlecht hanteert geen bulldozerstijl, gebaseerd op agressie of het overpoweren van de tegenstrever. Het legt de klemtoon op techniek en vakkennis. Het is een dominante club die elke keer de beste wil zijn. En ze straalt succes uit. Ik heb me daar professioneel altijd aan gespiegeld.’

‘Tot twintig, dertig jaar geleden was Anderlecht ook Europese top. De club was een eindstation voor topspelers. Nu is het een opleidingsinstituut. Je weet als supporter dat supertalenten als Youri Tielemans en Dennis Praet de club vroeg of laat verlaten. Dat is een jammerlijke evolutie. Als supporter bouw je dan toch wat meer reserve in. Mijn favoriete Anderlecht-speler ooit is Paul Van Himst. Hij was een en al gratie en straalde rust en bescheidenheid uit. Bij Van Himst kwamen er nooit grote verhalen of bluf aan te pas.’

‘Normaal ga ik niet mee op verplaatsing. Maar toen ik eens door Vlerick Business School voor een gastles in Sint-Petersburg werd gevraagd, liet ik die trip samenvallen met een Europese wedstrijd van Anderlecht ter plekke. De sfeer in het stadion was memorabel. Het was twintig graden onder nul, het stadion was niet overdekt, maar de Russische supporters zongen uit volle borst in ontbloot bovenlijf. Als Anderlechtsupporters voelden we ons net kleine meisjes die werden omvergeblazen door stoere krijgers.’

‘Éen van de meest emotionele momenten op Anderlecht beleefde ik vijf jaar geleden, toen Marcin Wasilewski een open beenbreuk opliep door een horrortackle van toenmalig Standard-speler Axel Witsel. Op zo’n moment word je gegijzeld door je emoties. De spanning in het stadion was te snijden, maar als supporter wist je niet wat er aan de hand was. Het schone aan voetbal live beleven is dat je soms het momentum in het voordeel van een ploeg voelt kantelen terwijl je dat op dat moment niet kan uitleggen. Je voelt vanalles tijdens zo’n wedstrijd, terwijl de verklaring meestal pas nadien volgt.’

‘Het meest memorabele moment was toen Anderlecht in 2013 op de laatste speeldag in eigen huis de titel behaalde tegen Zulte-Waregem. Na de 0-1 was Zulte-Waregem virtueel kampioen. Maar twee minuten later maakte Anderlecht gelijk, wat volstond voor de titel. Onvergetelijk.’

‘Professioneel heb ik al regelmatig voor andere eersteklasseclubs gewerkt. Ik deed ooit voor Roland Duchâtelet een behoeftenonderzoek voor het stadion van Sint-Truiden. En ik was nauw betrokken bij de lancering van de Ghelamco-arena in Gent. Ik zag zo al vaak live wedstrijden bij andere eersteklasseclubs. Maar dan is voetbal altijd slechts het decor. Ik kijk er als buitenstaander, de intense beleving van bij Anderlecht is er nooit.’

 

Peter Bossaert (49), CEO Medialaan

Club Brugge-supporter sinds zijn vijfde. In Jan Breydel komt zijn ‘andere ik' tot leven. Dan nemen de zenuwen het over en schreeuwt hij zich hees.

‘Weinig dingen maken me zo nerveus als een match van Club Brugge, vooral bij topwedstrijden. Mijn functie bij Medialaan kan behoorlijk stresserend zijn, maar dat is niets vergeleken met negentig minuten naar het spelletje kijken vanop de tribune in Jan Breydel. Na de match ben ik vaak hees. Dan heb ik onbewust luid zitten schreeuwen, alsof een andere ik tot leven kwam.’

©Kristof Vadino

‘Als het goed gaat met Club, kan ik op een wolk leven. Maar als blauw-zwart onderuitgaat, zoals vorige week tegen AA Gent, ben ik even niet aanspreekbaar. Dan moet ik afstand nemen. Niet dat Club mijn leven bepaalt, maar het doet iets met me. Ik ben al sinds mijn vijfde supporter. Ik kreeg de microbe met de pap ingelepeld door mijn grootvader. Ook mijn twee zonen van 14 en 16 zijn emotioneel verknocht aan de club. We gaan altijd samen naar de match kijken.’

‘Ik zou willen dat ik niet zo verslingerd was aan blauw-zwart. Echt waar. (lacht) Dan zou ik er emotioneel minder last van hebben. Eigenlijk is het onnozel. Voetbal is de belangrijkste bijzaak van de wereld, maar ik kan niet zonder. Het is zoals liefde of passie, je hebt het of je hebt het niet. Het is sterker dan jezelf. Waar ook ter wereld ik ben, als Club speelt en ik heb geen verbinding, loop ik ongedurig rond tot ik te weten kom hoe de match is verlopen en wat de uitslagen zijn.’

‘Ik heb er geen verklaring voor. Het overkomt me. Een overwinning in de bekerfinale zoals dit jaar tegen Anderlecht kan me tot tranen toe bewegen. De legendarische finale in de Europacup I in 1978 tegen Liverpool staat voor altijd op mijn netvlies gebrand. Het vreemde is ook: vraag me niet hoe het spelletje tactisch precies in elkaar zit, daarvoor heb ik te weinig verstand van voetbal. Ik zie wel de grote lijnen, maar ik ben geen kenner. Ik ben een supporter.’

‘Je doet me geen plezier als ik vanop een businessseat achter glas naar de match moet kijken. Dat vind ik zo ouderwets. Ik wil het voetbal buiten beleven. Toen ik jong was, stond ik achter de goal tussen de spionkop. Heerlijk! Daar wordt pas luidkeels gezongen en voel je de adrenaline door je lijf gieren. De meeste liederen of hymnes ken ik nog van buiten.’

‘Tegenwoordig zit ik met mijn twee zonen wat hoger in de tribune. Dat is telkens weer een sociaal genoegen. Je kent je buren, slaat een praatje en drinkt na de match samen een pintje. Voetbal is voor mij iets heel persoonlijks. Als ik in de tribune kom, vergeet ik al de rest: de vele telefoons, e-mails en zakelijke beslommeringen. Het is pure ontspanning en plezier. Geen plek waar ik snel zakelijke contacten zal leggen. Ik heb het voorrecht veel mensen uit het bedrijfsleven te kennen, maar als ze met mij na de match over zaken willen praten, dan bel ik ze nadien wel terug.’

‘Ik probeer het altijd netjes te houden. Ik roep vaak tijdens de match en kan me blauw ergeren aan spelers die een schwalbe uitvoeren, maar ik zal nooit iemand afsnauwen of verwensen. Ik heb een hekel aan hooliganisme en verlaat nog liever het stadion dan met racisme te worden geconfronteerd. En toch topvoetbal is zoals het bedrijfsleven: de competitie is vaak bikkelhard en wie te netjes blijft, is verloren.’

‘Ik kan me wel iets voorstellen bij die uitspraak van de Nederlandse coach Rinus Michels: ‘Voetbal is oorlog.’ Je wil de oorlog winnen, maar als de speelstijl te hard of te agressief wordt, haak ik af. Respect voor de tegenstander is voor mij heilig. Zelfs als die tegenstander Cercle Brugge is. Je hebt Club-fans die weigeren om naar de Brugse derby te gaan als groen-zwart thuis speelt. Ik zou niet weten waarom. Een match tegen Anderlecht of Standard vergt veel meer van mijn zenuwen dan een match tegen Cercle.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect