‘De gratiscultuur op het internet moet eruit'

©BELGAIMAGE

Jaron Lanier mist de toekomst. Het is te zeggen: vroeger, voor het internet een dataslurpende modderpoel werd, klonk de toekomst veel interessanter. Maar de Amerikaanse godfather van de virtual reality, een van de invloedrijkste digitale denkers ter wereld, heeft een oplossing voor de manipulatiemachine van de grote techbedrijven. ‘Het is hoog tijd voor een humanere digitale samenleving.’

Als Jaron Lanier op het einde van ons gesprek wegsloft naar zijn volgende afspraak en ik aan de bar van het Brusselse hotel waar hij verblijft mijn koffie en zijn ijsthee (zonder suiker!) ga afrekenen, kijkt de getatoeëerde kelner me met open mond aan. ‘Die man met wie jij net zat te praten is een van mijn absolute helden. Ik heb bijna al zijn boeken gelezen. Ik denk niet dat er iemand slimmere dingen zegt over onze digitale wereld.’

De huidige digitale technologie maakt ons gek en verhindert ons te focussen op de echte problemen.
Jaron Lanier
Techgoeroe

Dat is het soort effect dat Lanier op mensen heeft. Voor zover supersterren in de wereld van de technologiefilosofen en futuristen bestaan, is Lanier een van de grootste. Goeroe is een stevig uitgehold woord dezer dagen, maar voor de 59-jarige Amerikaan is het misschien wel een accurate beschrijving. Niet het minst wegens zijn voorkomen: Lanier is een grizzly van een vent, gekleed in zijn typische oversized zwarte broek en T-shirt, met een dun baardje en dikke slierten van dreadlocks die tot bijna op zijn achterwerk bengelen. Maureen Dowd, columniste van The New York Times, begon ooit een interview met hem met de zin: ‘Hij is de meest ongewone persoon die ik ooit heb ontmoet.’

Dat komt ook omdat Lanier een soort renaissancemens van de 21ste-eeuwse cyberspace is. Naast computerwetenschapper, veelschrijver en onderzoeker bij de technologiereus Microsoft is hij een artiest, muzikant en moderne componist. In zijn huis in de heuvels van Berkeley in Californië heeft hij een van de grootste verzamelingen van muziekinstrumenten ter wereld, goed voor duizenden exemplaren, waarvan hij er nog veel bespeelt ook. Hij was een van de grondleggers van het technologiemaandblad Wired en staat bekend als de peetvader van virtual reality, een term die hij overigens heeft uitgevonden. Hij verkocht al start-ups aan Google, Adobe, Oracle en Pfizer.

In de luren leggen

Tegenwoordig gaat veel van zijn tijd naar nadenken over hoe de hedendaagse internetbedrijven mensen in de luren leggen met hun algoritmes. Daarover sprak Lanier onlangs voor een vol auditorium op een conferentie van de Benelux-afdeling van Singularity University, een ondernemersschool/hypefabriek uit Silicon Valley. Tussen alle hoeraspeeches en demonstraties over onze collectieve digitale toekomst door kwam Lanier wijzen op wat vandaag online misgaat. Dat deed hij zittend, omdat hij graag deel van het publiek wou zijn, en geen professor. En omdat rechtstaan vermoeiend is.

Vandaag behandelen we persoonlijke data zoals we vroeger slavenwerk behandelden.

‘Er is iets met de huidige digitale technologie dat ons gek maakt en ons verhindert te focussen op de echte problemen en uitdagingen’, zegt Lanier. Sociale media noemt hij ‘behavioral manipulation empires’ die van ons ‘assholes’ maken: ze zijn ontworpen om ons constant te surveilleren en in te spelen op negatieve gevoelens als angst en irritatie die zich als een sneeuwbal versterken. Het is ook het thema van zijn recentste boek: ‘Ten Reasons to Delete your Social Media Accounts Right Now’. Samengevat: telkens als twee mensen op deze planeet met elkaar willen communiceren, wordt dat gefinancierd door een derde partij die de twee andere manipuleert. Die derde partij waar Lanier het over heeft, zijn de sociale media (lees: Facebook) die wij gebruiken om met elkaar contact te houden, maar die een financiële motivatie hebben om ons aan het lijntje te houden.

Aan kritische denkers en sprekers die graag alarmeren over Google, Facebook en co. geen gebrek tegenwoordig. Maar weinigen hebben ons denken over technologie zo vormgegeven als Lanier. Hij maakt zich ook al lang zorgen over de impact van technologie op de mensheid. ‘Ik schreef in de jaren 80 een essay over hoe bots verkiezingen kunnen beïnvloeden. Negatieve voorspellingen maken en die dan zien uitkomen: it sucks. Ik zou veel liever ongelijk hebben.’ Het grote verschil met vele anderen is dat hij de vinger precies op de wonde kan leggen, en - vooral - dat hij een weldoordachte oplossing aanreikt.

Google en Facebook vernietigen hun eigen fundering door te veel dingen gratis te maken en te veel data op te zuigen van mensen.

Die oplossing bestaat in wat Lanier ‘data dignity’ noemt. De gratiscultuur op het internet - waarbij alles voor niks is in ruil voor de inzameling van persoonlijke gegevens - moet eruit. Mensen moeten betaald worden voor hun data, want die zijn wel degelijk geld waard, en mensen moeten zelf betalen om onlinediensten als Google en Facebook te gebruiken, stelt Lanier voor. ‘Mensen zijn duidelijk bereid om te betalen voor de videostreamingdienst Netflix. Dus dan kan het ook voor sociale media of zoekopdrachten.’

‘Is dat onhaalbaar?’, vraagt hij retorisch aan de zaal. ‘Wees dan sceptisch, daag het plan uit. Dat vind ik prima. Maar ik hoor nergens een andere oplossing.’

Later die dag hijst Lanier zich niet zonder moeite in een stoel voor onze afspraak. Hij heeft een beetje ‘mixed feelings’ bij Brussel, zegt hij, een stad die volgens hem de meest Amerikaanse van alle Europese hoofdsteden is. ‘Net als de VS voelt België als een geconstrueerd land.’ Hij houdt van de muziekscene, al heeft hij op deze trip helaas geen tijd om op jacht te gaan naar instrumenten. Het Muziekinstrumentenmuseum in de hoofdstad vindt hij dan weer ‘kind of a sad place’ omdat het alleen maar om te kijken is en niet om te spelen. ‘Zoals als dierenliefhebber naar een taxidermiemuseum gaan. Maar goed, de instrumenten worden goed bewaard, zoals dieren in een zoo. Dat is ook wat.’

Geiten hoeden

De liefde voor muziek komt van zijn moeder, een pianovirtuoze uit Wenen die de Holocaust overleefde en hem op jonge leeftijd al klassieke sonates aanleerde. Ze overleed in een auto-ongeval toen Lanier negen was, waarna hij met zijn vader van New York naar de woestijn van New Mexico verhuisde en er een tijdlang in tenten woonde. Zijn jeugd was op zijn zachtst gezegd zonderling. Toen Lanier elf was, ontwierp hij een koepelvormig huis voor hem en zijn vader. Hij betaalde zijn studies deels door geiten te hoeden en melk en kaas te verkopen. Hij begon aan de universiteit toen hij dertien was.

De andere fascinatie uit zijn kinderjaren die is gebleven, is technologie en haar eindeloze mogelijkheden. Maar de beloftes en de hoop van toen zijn niet uitgekomen. ‘Ik mis de toekomst’, verzucht Lanier wel eens. ‘Vroeger dachten we over de toekomst vol verwondering. Ik ben net oud genoeg om me de maanlanding te herinneren. Het gevoel was toen dat we een goede toekomst konden uitvinden. Maar dat zijn we op een of andere manier vergeten, en in de plaats is iets gekomen dat sterk lijkt op een nepgodsdienst. ‘In de toekomst gaan we allemaal eeuwig leven. En we hebben robots die je nagels knippen.’ Enzovoort. Ga naar eender welke techconferentie en iedereen heeft de mond vol over hoe die nieuwe technologie alle mensen samen gaat brengen en al onze problemen zal oplossen. Maar niemand gelooft het nog. Het is een soort vreemd ritueel geworden. Een sussende fantasie.’

Het drukst van al maakt Lanier zich over het businessmodel van sociale media, met zijn algoritmes die zichzelf automatisch beter maken in het grijpen en het vasthouden van de aandacht van mensen. ‘Engagement en overtuigen, noemen ze dat. Ik verkies verslaving en manipulatie.’ Dat heeft geleid tot een feedbackloop van negatieve emoties, omdat de algoritmes ervaringen versterken die leiden tot een engagement dat gemeten kan worden binnen de gelimiteerde technologische setting van een smartphone. En het best te detecteren zijn gevoelens als angst, boosheid, agressie, verveling en irritatie.

Valsspelers

Daarbovenop zijn er valsspelers en ‘creeps’, al dan niet in opdracht van autoritaire regimes, die valse data in het systeem pompen aan de hand van fake accounts en zo een fake realiteit online creëren. ‘99 procent van de nieuwe profielen op Facebook en Twitter is nep, ontworpen om mensen te manipuleren. Dat is oprecht verschrikkelijk. Die kwaadwillige krachten zijn minstens even verantwoordelijk voor de ervaring die we allen hebben op Facebook of Google als de bedrijven zelf. Ze zijn coprogrammeurs.’

De gevolgen voor de samenleving en de democratie zijn duidelijk, zegt Lanier. ‘Je vindt hetzelfde patroon terug bij veel leiders die in deze tijden van Facebook en Twitter aan de macht zijn gekomen. Omdat de algoritmes het makkelijkst die rauwe emoties oppikken, kunnen politici daarop inspelen en een cultuur van angst, boosheid en onzekerheid uitvergroten.’

Opvallend: Lanier wijst niet met de vinger naar machtige techbonzen die het systeem met boze bedoelingen bedacht hebben, maar hij schrijft de problemen toe aan enkele historische vergissingen. ‘Toen ik vorig jaar daarover een TED-talk gaf, zaten de oprichters van Google in het publiek. Toen ik Sergey Brin aankeek, zag hij er nogal gepijnigd uit. (lacht) Maar Sergey ken ik, en ik weet 100 procent zeker dat hij geen slechte intenties had. Je zou wel kunnen zeggen dat Google na verloop van tijd moet inzien wat er misloopt en zijn verantwoordelijkheid moet nemen. We zijn zelfs voorbij dat punt.’

De oorzaak zit eerder bij enkele foute beslissingen in de digitale cultuur. ‘Bij de opkomst van het internet was er een sterke beweging die overtuigd was dat alles online gedeeld en gratis moest zijn’, legt Lanier uit. ‘De ultieme openheid. Maar dat marxistische ideaal werd vermengd met een verafgoding van de techentrepreneur als superman. Apple-topman Steve Jobs was daarvan de ultieme belichaming. De enige levensvatbare manier om het socialistische en het kapitalistische te verzoenen was via reclame. Het geld moest ergens vandaan komen. Dat begon onschuldig, maar naarmate computers krachtiger en netwerken groter werden, mondde dat uit in de surveillance-economie.’

Het resultaat is volgens Lanier dat we vandaag in een soort echte versie van de ‘Skinner-box’ leven. De Amerikaanse psycholoog B.F. Skinner onderwierp in de jaren 30 dieren aan allerlei stimulus-responsexperimenten in een kamertje. ‘We leven in een transparante versie van dat kamertje. Zodra je op je smartphone zit, word jij ook aan experimenten onderworpen. Misschien ervaren de meeste mensen dat niet als een groot persoonlijk probleem, maar de gecumuleerde impact op de samenleving is groot. Uiteraard is niet alles op het internet slecht. Maar het internet vergroot wel de slechtste menselijke eigenschappen uit.’

Lanier leunt achterover en laat zijn armen gekruist op zijn buik rusten terwijl hij praat. Af en toe wrijft hij zich in de ogen als de woorden om zijn wilde ideeën beknopt en begrijpelijk uit te leggen wat moeilijker komen. Graag wil hij praten over hoe het volgens hem allemaal beter kan. Want samen met andere researchers bij Microsoft heeft hij een economisch model uitgedacht en getest voor een betere digitale samenleving, en hij is overtuigd dat het kan werken.

Grof geld

Hij noemt zijn idee ‘datawaardigheid’. ‘Het is een economie waarin data behandeld worden als een waarde. Je hebt een moreel recht op de economische waarde van een bit die bestaat dankzij jou. Het maakt niet uit of je actief en bewust inhoud aan het internet levert, zoals kooklessen op YouTube plaatsen of zo, dan wel dat er onbewust of zonder intentie informatie over je verzameld wordt. Het zijn allemaal data. Nu zijn er een paar grote bedrijven die met elkaar concurreren om onze data te bemachtigen. Zij verdienen grof geld met onze gegevens. In een betere interneteconomie zouden bedrijven met elkaar concurreren om ons voor onze data te betalen. Een soort traditionele markteconomie waarin mensen dingen kopen en verkopen. Dus eigenlijk is het niet zo radicaal. Ik denk ook dat het de traditionele links-rechtsverdeling overstijgt.’

Iedereen wordt dus betaald voor zijn data, maar moet ook zelf betalen om diensten te gebruiken, luidt de visie van Lanier. ‘Terwijl je gewoon piraatfilms kan vinden, betaal je toch voor Netflix, waar geen reclame op te zien is en dat de beste televisie ooit aflevert. Rara, als je voor iets betaalt, wordt het beter. Dat kan ook voor het gebruik van Facebook. Advertenties worden wat mij betreft niet verboden, maar het gebruik van persoonlijke data voor het reclame-ecosysteem moet wel verboden worden. Je mag niet personaliseren. Of toch niet op individueel niveau. Je kan personaliseren voor 1 miljoen mensen bijvoorbeeld, zoals traditionele reclame dat doet voor geografische markten. Maar het mag niet te persoonlijk worden, want zodra dat gebeurt, zit je in de Skinner-box en wordt iedereen gek.’

Om dat te doen werken, roept Lanier een nieuwe entiteit in het leven die zich zal opstellen als een soort vakbond/advocaat voor uw data. Lanier doopt die MID: Mediator of Individual Data. ‘Het is een simpel maar subtiel idee. Een MID kan groepen mensen vertegenwoordigen en hun belangen behartigen, maar kan ook complexiteit voor je managen, zoals moeilijke privacycontracten uitpluizen. Wanneer mensen met complexiteit moeten omgaan hebben ze experts nodig die ze kunnen vertrouwen, zoals dokters of advocaten. En een advocaat mag niet voor beide partijen in een dispuut optreden. Facebook kan bijvoorbeeld nooit ook je vertrouwenspersoon zijn.’

Uw en mijn data zijn dus geld waard, vindt Lanier. Best veel geld, als je kijkt naar de waarderingen van de grote techbedrijven uit Silicon Valley, waarvan de waarde volledig gebouwd is op onze persoonlijke gegevens. De MID van Laniers visie zou ook instaan voor de uitbetaling van royalty’s die we met onze data verdienen, en die we zouden kunnen opbouwen als een alternatief pensioen. ‘Als we naar een toekomst gaan met veel werkloosheid door automatisering, dan heb je eigenlijk drie opties. Ofwel heb je veel mensen die het financieel zwaar hebben, ofwel geef je een basisinkomen, ofwel doe je wat ik voorstel. Datawaardigheid. En in alle research die ik heb gedaan lijkt het erop dat dat beter werkt dan een basisinkomen.’

Lokmiddel

Waarom zouden Google en Facebook hun uitstekend werkende businessmodellen nog maar een klein beetje omgooien? Ze maken miljarden dollars winst en hun aandeelhouders zijn vast erg tevreden. ‘Daar heb je een goed punt. Maar op lange termijn gaan ze de hele economie waarop ze steunen vernietigen. Ze slopen hun eigen fundering door te veel dingen gratis te maken en te veel data op te zuigen van mensen. Uiteindelijk is er niemand meer over om reclame voor te maken als alles gratis lokmiddel voor advertenties is.’

‘Vandaag behandelen we data zoals we slavenwerk behandelden: we plakken er geen cijfer op’, vervolgt Lanier. ‘Als we dat wel doen, hoeveel groter zal de economie dan zijn? Ik geef toe dat dit heel moeilijk en misschien controversieel is, maar we hebben geprobeerd het te becijferen. En we geloven dat in bijna elk denkbaar scenario bedrijven als Google en Facebook nog winstgevender zouden zijn dan vandaag. Ook al wordt hun relatieve aandeel in de economie kleiner.’

Voor hij dringend naar zijn volgende meeting met een anonieme ‘EU-bureaucraat’ moet, drukt Lanier me op het hart dat hij geen doemdenker is. ‘Maar ik wil ook geen fake leeg utopisch praatje geven. Ik probeer de problemen zo goed mogelijk uit te leggen en toon een pad richting een oplossing. Dat is geen simpele rol, maar ik denk dat ik in de goede richting zit. Er zijn niet veel opties.’

Al is er één ervaring die hem somber stemt: het pessimisme onder de jongeren. ‘Ik ben oud genoeg om al met meerdere generaties tieners te hebben gepraat. Ik zag de punkers, de boze tieners, de rebellerende tieners. Maar ik heb nog nooit zoveel doodsangsten en gebrek aan hoop gezien als in de huidige generatie. Het is hartverscheurend. Volgens mij komt het omdat mensen en hun waarde volledig worden weggecijferd in de huidige digitale cultuur. Daarom is het hoog tijd voor een humanere digitale samenleving.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect