‘Ik kan de eer gemakkelijk aan iemand anders laten'

Ze staat met één been in het bedrijfsleven, met het andere in de non-profitsector. Christ’l Joris, de nieuwe voorzitster van de technologische sectorfederatie Agoria, laat zich niet in een van beide werelden opsluiten. ‘Uiteindelijk komt het op hetzelfde neer: welvaart creëren en welvaart herverdelen. Ik wil aan beide kanten staan.’ Portret van een uitzonderlijk spontane vrouw die wordt gedreven door het hart, niet door macht en nog minder door een uitgekiend carrièreplan.

Christ’l Joris staat op het punt haar 56ste verjaardag te vieren. Maar met de dynamiek en de energie van een dertigjarige verschijnt ze op de plaats van afspraak aan de ingang van het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Ze heeft eerder die ochtend al 7 kilometer gelopen ter voorbereiding van haar zevende marathon. ‘In oktober wil ik de eindmeet halen in Venetië. Dan komt mijn einddoel om in totaal tien marathons te lopen weer wat dichterbij’, klinkt het enthousiast. Ik voel me, hoewel tien jaar jonger, in één klap tien jaar ouder. ‘Er is nog hoop’, lacht ze, goedbedoeld. ‘Ik was pas vijftig toen ik mijn eerste marathon liep.’ Ik krimp ineen. ‘Je moet het plezier van lopen ontdekken. Ik begreep vroeger ook niet wat mensen daar nu zo leuk aan vinden. Maar als je zo aangemoedigd wordt door duizenden supporters langs de kant van de weg, krijg je een boost. Toen ik bij mijn eerste marathon, in New York, besefte dat ik de finish zou halen, werd ik euforisch. Dat gelukzalige gevoel zinderde nog lang na. Drie weken lang kon werkelijk niets me kapot krijgen.’

Ook in het park rond het Afrikamuseum komt Joris wel eens joggen. Maar dat is niet haar enige band met het schitterende kader in Tervuren. Als studente sociale en culturele antropologie raakte ze er gefascineerd door de tientallen tentoongestelde maskers en daarbij behorende rituelen. De jaren deden die fascinatie niet verbleken. Als we samen langs de maskers wandelen, wordt Joris nog steeds laaiend enthousiast. ‘Kijk toch eens, hoe prachtig allemaal!’ Ook later vertoefde ze graag in het museum, ook al bleven haar drie kinderen liever hangen bij de opgezette zebra’s en gnoes.

En er is de link met Congo, een van de ontwikkelingslanden waar de stichting Gillès - waarvan Joris voorzitster is - kleinschalige economische projecten steunt. ‘Deze plek stemt me telkens weer gelukkig. Daarom heb ik hier vorig jaar ook mijn verjaardag gevierd. Ik vind ook die reuzenfontein bij de ingang zo grappig. Dit is geen kunst die je ziel diep beroert, maar van die musicerende kikkers en krokodillen word ik wel goedgezind. Het hoeft ook allemaal niet zo serieus te zijn. Men moet de dingen kunnen relativeren’.

De pop en stop

Mijn gesprekspartner is overduidelijk gelukkig. ‘Ik heb drie gezonde kinderen waar ik fier op ben. Ik heb een heel fijne band met mijn echtgenoot, een rustige man die me af en toe met de voetjes op de grond zet. Ik kom uit een warm nest, en had een heel onbezorgde jeugd.’ Joris heeft vier zussen en drie broers. Haar vader is Norbert Joris (84), van 1991 tot 1993 voorzitter van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO). Hij noemde zijn kroostrijke gezin ooit ‘een zegen’. ‘Ik heb dat ook altijd als een rijkdom ervaren’, zegt Joris. ‘Al loerde altijd wel een beetje het gevaar om de hoek dat ik met mijn broers en zussen een clan zou gaan vormen.’

Vader Joris richtte in de jaren 40 ETAP op, een bedrijf dat begon als dienstverlener voor onder meer scheepsbouwers en later diversifieerde naar verlichting en zeiljachten- en huizenbouw.

‘Over ETAP werd thuis zelden gesproken. Meer nog dan ETAP was ‘De pop en stop’ bij ons een begrip, de ‘onderneming’ van mijn moeder. Mijn moeder, een heel creatieve vrouw, had een naaiclub opgericht. De dames knutselden en naaiden van alles aan elkaar. Elk jaar werd de oogst van al dat creatieve naaiwerk - poppen, badhanddoeken, tafellakens - verkocht. De opbrengst ging naar de lagere school. Die tijdelijke boetiek heette dan ‘De pop en stop’. Soms schakelde mijn moeder ook mijn vader in voor haar onderneming. Dan werd ‘De pop en stop’ een samenwerkende vennootschap.’

‘We werden thuis aangemoedigd om actief te zijn, het maakte niet eens uit op welk terrein. Zolang we ons maar inzetten, onze verantwoordelijkheid opnamen en onze nek durfden uit te steken.’

Vader Joris had voor Christ’l veel in petto. ‘‘Een beetje zelfvertrouwen kan geen kwaad.’ Dat heb ik vaak te horen gekregen. Als kind was ik wat onzeker. En ook nu moet ik soms nog weerstanden overwinnen om naar buiten te treden.’

De ouders Joris moedigden hun acht kinderen aan van jongs af aan de wereld te verkennen. ‘Het was in 1971, ik was 17, toen ik halfweg het schooljaar naar een Engelstalig gezin in Zuid-Afrika vertrok. Dat botste toen op nogal wat weerstand bij de schooldirectie. Toen ik een jaar later terugkeerde, heb ik mijn schooljaar eerst moeten afmaken. Maar onze familie was toen al vertrouwd met American Field Service (AFS). Via hen hadden we al Amerikaanse studenten bij ons opgenomen. Maar ik had weinig zin om in het linkse, maatschappijkritische sfeertje van toen naar de VS te trekken. Mijn vader begreep dat wel, maar stelde als voorwaarde dat ik dan naar een ander land ‘op het noordelijk halfrond’ zou gaan. Het is natuurlijk een land ’op het zuidelijk halfrond’ geworden. Als jonge tiener wilde ik arts worden in een ontwikkelingsland, en Zuid-Afrika lag toch meer in die lijn.’

Ontworteld

‘In Zuid-Afrika heb ik ontzettend veel geleerd. Het contact met andere culturen doet mensen openbloeien. Dat spreekt voor zich. Maar er was meer. Zo’n verblijf in het buitenland confronteert je met totaal andere uitdagingen dan die waar je op een traditionele school voor staat. Ik moest mijn plan trekken in omstandigheden waar ik totaal niet mee vertrouwd was. Ik voelde me wel wat ontworteld toen. Ik kwam in een vriendelijk, maar veeleer koel gezin terecht. Qua ‘sfeer’ kon het contrast met het thuisfront haast niet groter zijn. Er was maar één inwonende dochter, Jenny, mijn Zuid-Afrikaanse zus. Maar met haar kon ik het niet altijd goed vinden.’

‘Blanken en zwarten leefden compleet gescheiden. Als je al een zwarte ontmoette, was het een dienstbode. Ik miste als 17-jarige ook het politieke en geschiedkundige kader om apartheid te plaatsen. Apartheid was toen in Zuid-Afrika heel normaal. Er werd in mijn gastgezin niet eens over gesproken. Niet omdat er een taboe op rustte, maar omdat het gewoon geen issue was.’

‘Zuid-Afrika is ontzettend mooi, maar het heeft toch een paar jaar geduurd voor ik de draad met dat land weer kon opnemen. Ik hield wel contact met mijn gastgezin, maar dat verliep nogal gereserveerd. Pas later, toen Jenny en ik beiden kinderen hadden gekregen en rijper waren geworden, zijn onze contacten intenser geworden.’

‘Helaas is ook Jenny ondertussen uit Zuid-Afrika vertrokken. Zij en haar echtgenoot waren nochtans heel erg opgetogen toen Nelson Mandela werd vrijgelaten en de apartheid werd afgeschaft. Maar Jenny’s echtgenoot kon nog moeilijk een job vinden. Hij botste op allerlei vormen van positieve discriminatie van de zwarte bevolking. Toen ze daarbovenop nog een paar keer met geweld werden geconfronteerd, besloten ze veiliger oorden op te zoeken. Uiteindelijk emigreerden ze naar Nieuw-Zeeland.’

‘Ik heb wel begrip voor de bezorgdheid van blanken die de kansen voor zichzelf en hun kinderen na de afschaffing van de apartheid zagen verkleinen. Maar wat ik niét begrijp, zijn mensen die zich opsluiten in zo’n streng beveiligd condominium. Dat vind ik vreselijk, zo’n afgesloten en ommuurde compound vol blanken die de wereld daarbuiten als heel gevaarlijk en bedreigend ervaren. Dat zijn mensen die weigeren zich in te schakelen in het nieuwe Zuid-Afrika.’

Sociaal ondernemer

Haar afgrijzen voor ‘gated communities’ zegt veel over Christ’l Joris. Ze ontwikkelde al heel snel een onbevangen belangstelling voor andere mensen, en zeker voor mensen die - zo beseft ze maar al te goed - veel minder bevoorrecht zijn dan zij.

‘Mijn sociale bewogenheid heb ik van thuis meegekregen. Mijn vader trok in de jaren 60 al naar India om te zien of hij ook daar geen werk kon creëren. De welvaartskloof verkleinen door jobs te scheppen, niet door aalmoezen uit te delen. Dat zit er bij mij diep in. Daarom kon ik, toen ik in de jaren 70 studeerde, de toenmalige kritiek op de patroons, de zogenaamde dictatoriale werkgevers, niet vatten. ‘Die vreselijke baas’ had ik thuis nooit gekend. Ik kwam uit een sociaal gezin waar constant overleg was, en waar gelijkheid en gelijkwaardigheid vanzelfsprekende waarden waren. En toch. Ik durfde als student nauwelijks te vertellen dat mijn vader bedrijfsleider was. Ik vreesde dat ik de stempel van ‘rijkeluisdochter’ opgekleefd zou krijgen, iemand van ‘dat verderfelijke ras’.’

Christ’l Joris besloot al snel zich te engageren voor mensen die ‘geen gelijke tred konden houden’, naar het voorbeeld van haar vader. Als jonge moeder van drie werd ze bestuurder bij ETAP én schreef ze een doctoraat over de migrantengemeenschap uit Sicilië. Dat belette haar niet tussen de bedrijven door met acht gelijkgestemde vrouwen Casa Blanca op te richten, een huis voor migrantenvrouwen in Vilvoorde.

‘Ik kwam in die periode vaak in contact met kansarme migrantengemeenschappen. Ik merkte dat vooral de vrouwen vooruit wilden, maar dat ze vaak niet de instrumenten hadden om dat te realiseren. Daarom, vonden we, moesten we hun een forum geven waar ze van elkaar konden leren. ‘Integratie door emancipatie’, daar ging het ons om. Casa Blanca was meer dan een naaiclubje of koffiekransje. Veel meer. We leerden die vrouwen bijvoorbeeld vergadertechnieken. We huurden een huis en maakten er iets moois, fris en moderns van, iets dat in schril contrast stond met de gebruikelijke interieurs bij migranten. Daarom schilderen we ook alle muren wit. Toen alles af was, wilde de eigenaar het huis verkopen. Toen dacht ik: ‘We gaan ons toch niet laten doen! Ik ben toen achter mijn pc gekropen en heb honderden persoonlijke brieven verstuurd. We organiseerden een fundraising en een openingsfeest zodat we het huis konden kopen. Dat gaf een enorme boost. Het werd ons huis en dat van al die vrouwen. Later moesten we ook een vzw opzetten en mensen tewerkstellen. Zo werd ik ondernemer in het sociale. Ik ben altijd goed geweest in het opzetten van structuren. Ik had ook het elan om er ten volle voor te gaan.’

Met diezelfde gedrevenheid is Joris ook voorzitster van het Rode Kruis Vlaanderen en de Stichting Gillès, die onder meer microkredieten verleent aan kleinschalige projecten in het zuiden. Geregeld gaat ze die projecten ook bezoeken. Zo kwam Joris een paar jaar geleden in Oost-Congo terecht, een streek die al jaren wordt geteisterd door oorlog, waar alle noodzakelijke infrastructuur ontbreekt en waar maar geen einde lijkt te komen aan de corruptie en de ellende. Stemt dat haar soms niet moedeloos?

‘Ik ben daar niet blind voor. Ik geef grif toe dat niet alle door ons gesteunde projecten ook slagen. Maar dat risico willen we nemen. Bewust. Onze samenleving verdraagt niet meer dat projecten ook wel eens mislukken. Gevolg: ngo’s worden voorzichtig en verlaten steeds minder de bekende paden. Maar soms moet je ook durven, en wat geduld hebben. Een paar jaar verlies slikken, en wachten tot bepaalde projecten eindelijk doorbreken. Je kan niet zomaar zeggen: ‘We kappen ermee. We komen niet meer met hulp over de brug.’ Dat is gewoon... ondenkbaar! Zeker als je mensen in het Zuiden leert kennen, en aangestoken wordt met hun kracht en hun levenslust.’

‘Zullen we de wereld veranderen? Wellicht niet. Zullen we Congo veranderen? Evenmin. Maar hopelijk kunnen we wel voor een paar tientallen mensen iets betekenen. Natuurlijk zijn die mensen je erkentelijk. Maar ik hoef geen dankbaarheid. Ik vind dankbaarheid gênant. Wat ik doe, is vanzelfsprekend.’

Andere wereld

Joris was 39 toen haar vader haar vroeg voorzitster te worden van de raad van bestuur van ETAP. Ze kende het bedrijf. Ze was er al sinds haar 21ste bestuurster. ‘Maar operationele functies heb ik nooit uitgeoefend. Ik ben altijd ‘maar’ bestuurder geweest. Mijn vader is nog steeds een klankbord. Ik kan hem steeds om advies vragen. Maar hij zegt altijd: ‘Uiteindelijk is het jouw beslissing.’ Hij heeft mijn beslissingen altijd gesteund. Ook als ze niet met zijn mening strookten.’

De jaren negentig luidden een periode in waarin minder succesvolle nevenactiviteiten van ETAP werden afgebouwd of verkocht. Dat gold ook voor Batech, het filiaal dat energiezuinige kunststofwoningen produceerde, zeg maar een soort passiefhuizen avant la lettre. ‘Toen we daar in de jaren 80 mee voor de dag kwamen, was de markt er nog niet rijp voor’, zegt Joris. Later werd ook ETAP Yachting, de divisie die onzinkbare zeiljachten maakte, verkocht aan de Duitse sectorgenoot Dehler. Een jaar na de verkoop, kapseisde de zeiljachtenbouwer. ‘Toen we ETAP Yachting overlieten, waren de perspectieven nochtans positief. Als dat dan heel anders uitdraait en zelfs uitmondt in een faillissement, is dat heel bitter. Want je hebt ook mensen overgedragen. En die staan dan plots op straat. Soms is er geen alternatief, maar het neerleggen van de boeken is echt wel het laatste waar wij aan zouden denken.’

Christ’l Joris laat zich door die tegenslagen niet uit haar lood slaan. Integendeel. Als ze over de rol van bestuurders in het bedrijfsleven spreekt, lijkt haar onstuitbare drive nog toe te nemen.

Haantjesgedrag

‘Je kan een bestuursfunctie maar goed vervullen als je dat doet in nauw overleg met de mensen die dagelijks op het terrein actief zijn. Dat heb ik in het oudercomité van de lagere school van mijn kinderen geleerd. Als we daar iets wilden realiseren, bijvoorbeeld de speelplaats herinrichten, ging ik dat vooraf aftoetsen bij de directrice. Ik was toen een van de eersten die dat deden. Dat stelde haar gerust. Ik leg nooit dingen op. Het is makkelijk, hoor, om in een raad van bestuur te gaan zitten, beslissingen te nemen en daarbij een zekere macht te ervaren. Maar ik ben geen machtsmens. Ik vind het veel leuker met het dagelijks management van gedachten te wisselen.’

‘Ik kan de eer gemakkelijk aan iemand anders laten, zolang we onze doelstellingen maar realiseren. Haantjesgedrag is me volslagen vreemd. Iedereen moet zijn rol spelen. Maar je moet vooral oog hebben voor het gemeenschappelijke doel. En een voorzitter moet natuurlijk wel instaan voor een goed samenspel met het dagelijks management. Daarom vervul ik die voorzittersrol, waar dan ook, met zoveel plezier.’

Macht is voor Joris geen drive, geld evenmin. ‘Het moet vooral interessant zijn. Ik ben er niet blind voor dat het financiële voor andere mensen een belangrijke drijfveer kan zijn.Maar gelukkig zit ik ver van de wereld van de grote bonussen. Ik heb weinig begrip voor exuberante vergoedingen. Een bonus moet op een correcte basis worden toegekend. En heel vaak is het moeilijk uit te maken in welke mate de resultaten de verdienste zijn van een enkele persoon.’

Huismoeder

Het gezeur over te weinig vrouwen in bestuursraden gaat aan Joris voorbij. ‘Ik heb net veel kansen gekregen omdat ik een vrouw was. Als je actief bent en genoeg je nekt uitsteekt, volgen de aanbiedingen vanzelf. Heel wat vrouwen lopen niet in the picture, zeker niet voor managementfuncties. Ze stellen zich te weinig kandidaat. Vrouwen gaan ervan uit dat ze gevraagd moeten worden. Al begrijp ik ook dat het vrouwen zwaarder valt de zorg voor de kinderen uit handen te geven.’

Christ’l Joris bijt, heel uitzonderlijk, even op haar tong. Maar na wat twijfelen, spreekt ze haar gedacht toch uit. ‘Ik ga wel eens voor jonge vrouwen praten. En onlangs voelde ik me toch wat oud - met een ‘d’, hé. (glimlacht) Ik wil niet veralgemenen, maar ik heb de indruk dat veel jonge vrouwen wel héél carrièregedreven zijn, maar tegelijk ook héél hoge eisen stellen voor al het andere wat ze doen. Ze willen de perfectie in alles. Ik heb mij dat allemaal nooit zo aangetrokken. Ik kon de opvang van mijn kinderen gemakkelijk overlaten aan andere mensen. Ik heb ook aanvaard dat mijn telgen veel affectie hadden voor de mensen die klaarstonden als ik er niet was. Ik ben nooit een perfecte huismoeder geweest. Mijn kinderen zijn ook wel eens met gaten in hun sokken naar school vertrokken. Maar als ik dat zo vertel, voel ik dat veel jonge vrouwen mij afkeurend aankijken. Alsof dat allemaal niet door de beugel kan.’

‘Je kan niet alles controleren en sturen. Je moet dingen uit handen geven. Het leven is geen catalogus waarbij je de pakketten maar hebt te bestellen om daarmee je bestaan samen te stellen. Soms moet je keuzes durven te maken. En moet je daar vooral ook de consequenties van aanvaarden. Het enige waar ik nooit tussen zou kunnen kiezen, zijn mijn bestuursfuncties in het bedrijfsleven en die in de non-profitsector. De variatie in die opdrachten vind ik ontzettend belangrijk. Uiteindelijk gaat het altijd over hetzelfde. Er zijn mensen nodig die welvaart creëren, en er zijn mensen nodig die ze herverdelen. Ik wil beide doen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content