Deelstaten verliezen slag in oorlog om 5G-geld

Een beschadigde telecommast in Huddersfield, een stadje in Engeland. De uitrol van 5G verloopt ook in andere landen moeizaam. Er komt veel verzet tegen uit vrees voor gezondheidsrisico's. ©AFP

De waarde van de belangrijkste 5G-frequentieband, nodig om het supersnel mobiel internet uit te rollen, is op twee jaar tijd maal vier gegaan. De kansen slinken dat de deelstaten een fors groter deel van die koek krijgen.

De telecomwaakhond BIPT heeft een studie klaar die de scherprechter moet zijn in een bitse centenrel tussen de federale overheid en de deelstaten. De overheden raken het maar niet eens over de verdeling van de opbrengst van een veiling van radiofrequenties, waaronder die voor het supersnelle mobiele internet 5G. De overheid stelt capaciteit voor mobiel internet niet gratis ter beschikking, operatoren moeten daarvoor in een veiling betalen. 

Het gebekvecht blokkeert al bijna anderhalf jaar de veiling van de frequenties voor 5G. De inzet is niet min en is de voorbije jaren zelfs nog verhoogd, blijkt nu. De 3,5 GHz-band is door Europa aangeduid als de belangrijkste 5G-band. De minimumprijs die het BIPT plakt op die band, is na een nieuwe schatting door een consultant eind vorig jaar flink verhoogd. Bij een eerste schatting in 2017 verwachtte het BIPT minimaal 46 miljoen euro te vangen, eind 2019 ging dat maal vier naar 177 miljoen euro. Het totaalbedrag van de hele veiling stijgt zo van 680 miljoen naar 800 miljoen euro. 

Groter deel van de koek

Bij de vorige veiling in 2013 bedroeg de verdeelsleutel van de opbrengsten tussen de federale overheid en de deelstaten nog 80-20. Maar de deelstaten claimden deze keer een groter deel van de dus al grotere koek. De redenering was dat we met zijn allen meer media consumeren via het mobiele internet op onze smartphone. Media is een bevoegdheid van de regio's, telecom van de federale overheid. Het BIPT moest in een studie die claim nu objectiveren, op vraag van federaal minister van Telecommunicatie Philippe De Backer (Open VLD). 

28,2 procent
Gewicht media
Media maakt maximaal 28,2 procent van het mobiele internetverkeer uit.

Dat bleek niet evident. De telecomwaakhond en de mediaregulatoren hanteren een verschillende definitie van 'media', de eerste strikter dan de tweede. De telecomwaakhond ziet media per definitie als een economische activiteit, afgeleverd door pakweg Netflix of een klassieke zender. De mediaregulatoren daarentegen nemen ook de huis-, tuin- en keukenfilmpjes die ieder van ons op YouTube gooit in overweging, omdat wanneer we daarnaar kijken, 'we naar niets anders kunnen kijken'.

Aanspraak

Naast die twee definities zijn er nog twee manieren om het gewicht van media te bepalen: ofwel via datavolume (afgezet tegen de totale mobiele internettrafiek) ofwel via omzet (afgezet tegen alle omzet gerelateerd aan mobiele internettrafiek). Volgens de breedste definitie, die waarbij de ruimdenkende mediaregulatoren naar de omzet kijken, heeft media een gewicht van 28,2 procent. Maar de meest enge definitie, die waarbij de telecomwaakhond naar volume kijkt, houdt het op nog geen 5 procent. 

Het gewicht van media varieert volgens de studie dus tussen 5 en 28,2 procent. Over het percentage waarop de overheden nu moeten landen, wenst het BIPT zich niet uit te spreken. Maar het lijkt vast te staan dat de deelstaten op weinig meer aanspraak kunnen maken dan die 28,2 procent, tenzij ze de uitkomst betwisten. In federale regeringskringen klinkt het in elk geval dat de deelstaten zelf aandrongen op een objectivering van de discussie. De conclusie die daar nu uitkomt, is de logisch te volgen conclusie, is te horen. 

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud