interview

‘Als sterk zijn je enige keuze is, dan ben je sterk'

©Diego Franssens

‘Gaat u even zitten’, zei de dokter. De woorden die volgden, blazen nog elke dag mensen omver. ‘Uw zoontje heeft kanker.’ Toen kantelde het leven van Rover, Evelien en Pedro.

Op 20 maart trilde mijn telefoon. Op het schermpje verscheen zijn naam: Pedro Elias. Ooit wandelden we samen door Bellver de Cerdanya, het dorp in de Catalaanse heuvels, waar zijn roots liggen. In de Avenida Pedro Elias stonden we voor het huis van zijn grootvader met dezelfde naam. We bezochten het graf van zijn oma. We dronken Vichy Catalan. En hij vertelde over zijn rituelen. Elke zondagochtend luisteren naar de plaat waarop Pablo Casals de cellosuites van Bach speelt. Ziet hij onderweg een Skoda Yeti, dan roept hij: ‘Yeti!’ Bijgeloof en dwangneurose. ‘Ik geloof er zelf niet in. ‘Maar ik schaad er niemand mee.’

Maar nu ging dus de telefoon en Pedro vertelde: ‘Ons zoontje heeft leukemie.’

In de week waarin Kom op tegen Kanker dertig jaar wordt, is dit dus dat verhaal van een jongen van drie. Hij heet Rover. Zijn mama is Evelien Broekaert, die onder meer bij het theatercollectief Compagnie Barbarie speelt en voor Woestijnvis werkt. Zijn papa is Pedro Elias. Die kunt u kennen van televisie, maar dat is nu niet belangrijk.

Bijna een maand na die telefoon zitten we in hun huis in Antwerpen. Er ligt een nieuwe boekenoogst: ‘A Long Way Down’ van Nick Hornby, ‘Brieven aan een jonge dichter’ van Rainer Maria Rilke en ‘De rover’ van Robert Walser. ‘Allemaal voor in de uren tijdens de chemotherapie’, zeggen Pedro en Evelien. Dit is een huis vol boeken, spullen, vlaggetjes en vreugde. De zon schijnt en iemand komt kijken voor een zonnewering. De stadstuin kreeg nieuw gazon. Straks zullen ze de zomer hier doorbrengen en zal dit een ‘café Maison’ worden met vrienden op bezoek. Op reis gaan kan niet. ‘We moeten dicht bij het ziekenhuis blijven.’

Wat volgt, zijn alleen nog woorden van Evelien en Pedro, soms onderbroken door Rover. Tussendoor leest u ook stukjes tekst die Pedro schreef. In een mail of zomaar, wachtend bij de dokter. Ooit wordt dat een boek dat ‘In de nek’ zal heten. Dat is de plek waar Rover Elias het liefst bij zijn papa zit: in de nek.

‘Kinderen mogen niet kaal worden. Mannen wel: Bruce Willis, The Rock, Bob Peeters, onze buurman Franky, hoe kaler hoe liever. Maar geen kinderen. En al zeker mijn Rover niet. En toch gaat het gebeuren.’ (Pedro Elias)

Evelien: ‘Rover is een heel enthousiaste kerel, maar kort voor de krokusvakantie zwakte dat af. Hij zag heel vaak bleek. Hij zeurde veel. Op school zeiden ze hetzelfde: ‘Hij speelt niet meer op de speelplaats, wil altijd een handje geven aan de juf en heeft het voortdurend koud.’ Dat was ons kind niet. Ik dacht aan ijzertekort en dus gingen we bloed laten trekken. ’s Avonds belde de dokter: ‘Zijn witte bloedcellen staan heel laag. 230. Eigenlijk moet dat minstens 1.500 zijn.’’

Die hele eerste nacht waarin ik lag te huilen, was dat het mantra in mijn hoofd: best behandelbaar, best behandelbaar, best behandelbaar.
Pedro Elias

Pedro: ‘Mijn eerste vraag was: ‘Dat is toch geen kanker?’ De huisdokter zei van niet. Niets wees daarop. Want de rode bloedcellen en de bloedplaatjes waren tiptop. Dus wij haalden adem: geen kanker.’

Evelien: ‘De huisdokter maakte wel een afspraak in Gasthuisberg. Daar gingen ze verder onderzoeken. Maar hij ging uit van een postviraal probleem. Op woensdag zaten we in Gasthuisberg.’

Pedro: ‘Op dat moment beseften wij niet dat die afspraak bij oncologie gebeurde. Zo naïef waren we. Plots zaten we bij professor Uyttebroeck, aan wie we vertelden wat er aan de hand was. Er werd opnieuw bloed getrokken, ’s avonds kenden we het resultaat: het is al 540. ‘Dus, lieve mensen, als dat zo blijft, kom dan over een maand eens terug.’ Toen we naar huis reden, voelden we ons schuldig. We hadden de tijd van die dokter ingenomen, terwijl die met échte kankerpatiëntjes had moeten kunnen bezig zijn.’

Evelien: ‘Ze zeiden alleen: ‘Als hij koorts maakt, kom dan meteen binnen.’ Dat was dus woensdag.’

Pedro: ‘Dan wordt het zaterdagavond. (guitig) Netflixen met het vrouwtje. Oei, de Rover heeft koorts. We bellen Gasthuisberg. ‘Ja, kom maar binnen.’ Ik rijd met Rover naar ginder. Ze trekken bloed, het wordt wachten, wachten, wachten. Om 23 uur zeggen ze dat er een hematoloog komt. Ik zeg: ‘Goed, want de witte bloedcellen zijn al gestegen, kanker kan het zeker niet zijn.’ Maar om 1 uur ’s nachts komen twee verpleegsters met een bedrukt gezicht. Het is weer gezakt.’

Evelien: ‘Hoeveel? Dat konden ze niet zeggen. Wellicht hadden ze het wel gezien, maar durfden ze het niet te zeggen.’

Pedro: ‘Plots krijg je kamer 419. Op de kinderkankerafdeling.’

Evelien: ‘Ik dacht nog altijd: ‘Hoe raar is dat toch, waarom leggen ze hem nu daar?’ Ik had niets door. Ik ging er nog altijd van uit dat Rover drie dagen moest blijven om die witte bloedcellen weer omhoog te krijgen.’

Pedro: ‘Ik stak mijn hoofd uit die kamer en zag overal kleine kaalkopjes. Kinderen, baby’s in couveuses. Het is heel egoïstisch, maar ik kon daar tot nu niet tegen. Ik stortte wel altijd voor het goede doel. Maar je koopt daar dus geen aflaten mee. ’s Ochtends, toen Evelien er ook was, kwam dokter Renard binnen. Daar was ik al blij mee. ‘Een dokter die vos heet, gaat onze zoon genezen’, dacht ik. Wij waren nog altijd wat onnozel aan het doen. En toen zei de dokter: ‘Gaat u even zitten.’ Ja, dat is erger dan zeggen: ‘Uw zoon heeft kanker.’’

Evelien: ‘En toen zeiden ze dat toch: ‘Uw zoontje heeft kanker.’ De wereld stortte in.’

‘Het nieuws duwde ons helemaal kopje-onder, maar al gauw merkten we dat we vooral sterk moeten zijn nu en strijden. Rover staat voor twee jaar chemo, waarvan zes maanden intensief. Maar de dokters hebben ons verzekerd dat hij het gaat halen.’ (mail van Evelien en Pedro, op 18 maart, aan de collega’s bij Woestijnvis)

Pedro: ‘De volgende drie dagen waren, voor mij, een hel. Drie dagen dacht ik dat hij zou doodgaan. Ik kon hem niet alleen laten, dus ik bleef drie dagen bij hem in kamer 419. Maar ik kon Rover niet in de ogen kijken. Ik voelde me schuldig omdat ik hem met slechte genen had opgezadeld. En omdat ik geen oncoloog maar wel een onnozelaar op tv was geworden. Ik dacht voortdurend: ‘Hoe snel kan ik nog oncoloog worden?’’

‘De boodschap was een drietrapsraket: ga zitten, hij heeft kanker, maar hij gaat het halen. Want dat zeiden ze ook wel meteen. Alleen duurt de behandeling twee jaar en zijn de eerste zes maanden zeer intensief. En dan zijn er, tot vandaag, twee scholen in dit gezin. De School Evelien die zegt: de wetenschap zegt dat hij ‘very low risk’ is en dat hij 99,9 procent kans heeft. Dus of hij het haalt, is voor haar geen issue. De School Pedro heeft schrik dat het fout afloopt. We zijn door de wetenschap gerustgesteld, maar voor mij is dat niet genoeg.’

Evelien: ‘Misschien heeft dat met moeder zijn te maken. Of met mijn karakter. Maar het is nog nooit door mijn hoofd gegaan dat Rover zou doodgaan. Nooit. Omdat we er ook van dag één bij waren. Op woensdag had hij nog geen kanker, op zaterdag wel. En we waren er.’

Het is nog nooit door mijn hoofd gegaan dat Rover zou doodgaan. Nooit.
Evelien Broeckaert

Pedro: ‘Ik ben meteen beginnen te schrijven. De titel van het eerste stukje is een alliteratie tegen de pijn: best behandelbaar. De dokter zei dat: ‘Het is de best behandelbare kanker.’ Die hele eerste nacht waarin ik lag te huilen en waarin de verpleegsters heel lief voor ons waren, was dat het mantra in mijn hoofd: best behandelbaar, best behandelbaar, best behandelbaar. Ik noem Rover nu de Very Low Risk Man, maar wil de goden niet over me afroepen en ook andere ouders niet schofferen.’

Evelien: ‘We hebben ook chance. Paradijs is een fout woord, maar je belandt wel op de beste afdeling in het beste ziekenhuis aan de top van de wereld. Dokters, verpleegkundigen, sociale dienst, psychologen. Die staan allemaal klaar. Cliniclowns! Muziektherapie! (glimlacht) In mijn hoofd waren dat de rastamuffe hippie scoutsmeisjes van vroeger. Maar jongens toch, die zijn fan-tas-tisch. En Rover vindt dat geweldig. Wat we wel meteen hebben gezegd: we gaan van Rover geen verwend kind maken.’

Pedro: (lacht) ‘Lief, je hebt dat anders gezegd. Ik zat keihard te wenen en dacht dat ons leven gedaan was. En jij zei: ‘We gaan er geen etter van maken.’ Dat is weer het verschil. Ik hoor de dokter zeggen dat de chemo twee jaar gaat duren en denk: ‘Die beweert dat hij nog twee jaar gaat leven, ik zal elke dag voor hem zorgen.’ Daarin herken ik de hoofdfiguur in ‘Kalme chaos’ (het boek van de Italiaan Sandro Veronesi red.). Die beslist een hele dag op zijn kind aan de schoolpoort te blijven wachten als zijn vrouw net gestorven is. Evelien was de mama die al dacht aan het leven na de chemo: hij mag geen verwende etter zijn dan.’

Evelien: ‘Ik kreeg mijn klop drie dagen later. Vooral door zijn hulpeloosheid en zijn kwetsbaarheid. Geef mij die kanker, dubbel zo erg desnoods, maar niet mijn kind. Rover was toen erg ziek. Die fragiliteit vond ik heftig. Toen ben ik beginnen te huilen. Ineens is er een leven voor en een leven na. Alle clichés zijn waar. Alles is nieuw. En er is voor alles weer een eerste keer. De eerste keer lachen als je kind kanker heeft, de eerste keer vrijen, de eerste keer samen gaan eten. Het is een nulpunt.’

‘We hebben beslist dat we gaan blijven schrijven aan onze fictiereeks en zullen dus af en toe op Woestijnvis rondlopen. Wees dus vooral niet ongemakkelijk. En ja, als we eens een mindere dag hebben, betaal ons dan gewoon een Cola Zero, een Kinder Bueno én de hoofdschotel van 8 euro bij Gust.’ (mail van Evelien en Pedro, op 18 maart, aan de collega’s bij Woestijnvis)

Evelien: ‘Op school vroeg de juf: ‘En, hoe gaat het met Rovers bloed?’ Het waren de dagen voor carnaval. Ik stokte. Er kwam nog een juf bij staan en we gingen naar binnen. Allebei waren ze als clowns verkleed. Bonnie (hun dochtertje van tweeënhalf, red.) was mee. Zij zou na de vakantie naar school gaan en we gingen naar het klasje kijken. Daar zei de andere juf: ‘Wat heb ik gehoord?’ Zij was verkleed in Wally van ‘Waar is Wally?’ Buiten viel dat op mijn hoofd. Heb ik zonet aan twee clowns en aan Wally verteld dat mijn kind kanker heeft?’

Pedro: ‘Mensen hebben begrip. We zijn samen een fictiereeks aan het schrijven, al heel lang, toevallig over iemand die kanker heeft. En ik moest nog vier opnames doen voor ‘Control Pedro’ (zijn comedyshow op VIER, red.). Op Woestijnvis zeiden ze: ‘Als het niet lukt, dan niet, it’s only tv.’ Maar ik heb ze opgenomen, ook omdat Evelien daarop aandrong. Wel huilend naar ginder gereden, huilend gerepeteerd, alleen tijdens de opnames ging het, nadien weer huilend naar huis.’

©Diego Franssens

Evelien: ‘Mateo (Pedro’s oudste zoon uit zijn vorige relatie, red.) is jarig op 11 maart. Dat was de maandag na de zondagochtend van 10 maart toen we hoorden dat Rover kanker had. ’s Nachts heb ik slingers opgehangen voor Mateo. Het klinkt stom, ook dat van die clowns, maar dat past alleen in ons leven.’

Pedro: ‘Er flitsen wel heel foute dingen door je hoofd. Ik voelde me een tijdje moreel superieur in het verkeer. Heel raar. Als iemand me de pas afsneed, dacht ik: ‘Och jong, ge weet van niks, heeft uw kind misschien kanker?’ Opeens dacht ik dat ik expert in het leven was. Dat is toch gênant?’

Evelien: ‘Het is, denk ik, een overlevingsdrang. Ik had het met Instagram en met al die foto’s van mensen die heel veel tijd hebben en foto’s posten terwijl ze yoga doen, naar zichzelf zoeken en ‘in hun kracht gaan staan’. Pas op: ik heb ook lang naar mezelf gezocht. Maar door dat zo groot en openbaar te maken wordt het bijna een attitude. Ik heb nog nooit meegemaakt wat ik nu meemaak en over het leven geleerd wat ik nu leer.’

Pedro: ‘Dat bedoel ik met het moreel superieure. Wie zijn wij om te denken dat we ‘het’ weten? Daarom wilde ik dit verhaal ook graag doen. Ik hoop dat andere mensen mee kunnen leren. Als je op die afdeling terechtkomt, lijk je in de hel te komen. Ik had schrik om die kale kopjes te zien. In de cafetaria sloot ik me van al die andere mensen af. Ik wilde niet meemaken dat iemand zei: ‘Zeggen ze dat hij zoveel kans heeft? Dat klopt niet.’ Ik wilde in de kamer van Rover blijven zitten.’

‘Maar nu ga ik er met een zekere graagte naartoe. Er gebeuren zoveel schone dingen. Er is een meisje dat stamceldonatie achter de rug heeft. Ze zit geïsoleerd, haar papa moet telkens van broek verwisselen als hij gewoon in en uit de kamer gaat. Ik durfde daar niet naar te kijken. Tot ik zag hoe die papa zijn meisje aan het wassen was. Dat ontroerde me zo. En dat heb ik geleerd. Het is niet schrikwekkend. En iedereen gaat er anders mee om.’

‘Dit is echt zo’n boek dat is geschreven voor al die velen die het leven niet kennen.’ (uit ‘De rover’ van Robert Walser)

Evelien: ‘Ik wens dit niemand toe. Maar het cliché klopt: relativeren gaat nu vanzelf. En in de miserie zit inderdaad schoonheid. Op de afdeling zit iemand uit Syrië, er zitten mensen met minder geld, er zit een opa op zijn jas te bidden. Als het over kinderen gaat, vallen alle verschillen weg. Of je nu rijk bent, moslim, tv-figuur, arme man. Daar zit iedereen in dezelfde shit. Als er iets fout gaat met je kind, maakt niets meer uit. Je stapt die afdeling binnen en de vieze buitenwereld met alle andere miserie telt niet meer. Iedereen is er lief voor elkaar.’

Pedro: ‘Ik was geneigd mensen tof en minder tof te vinden in functie van hoe hard ze bezig zijn met Rover. Evelien heeft me geleerd dat dat fout is. Op het werk kwam iemand me een knuffel geven, maar ik zag ook iemand die ik al lang ken, wegglippen. Dat maakte me slechtgezind, maar nu weet ik beter. En dit is de opdracht voor mezelf. Al klinkt het heel fout, maar door wat we meemaken, wil ik een beter mens worden. Milder. Iedereen is anders. De ene belt tien keer, de andere niet. Als het waar is wat de wetenschap zegt dat Rover eruit komt...’

Evelien: ‘Wat zo zal zijn.’

Er flitsen wel heel foute dingen door je hoofd. Zo voelde ik me een tijdje moreel superieur in het verkeer.
Pedro Elias

Pedro: ‘Wat zo zal zijn, ja. Wel, dan vind ik dit een cadeau. Ik zie het als een kans om een goeie papa te zijn. We zullen geflirt hebben met het allerergste, maar we krijgen hem terug.’

Evelien: ‘En een goeie mens te zijn. Ook dat heb ik meteen gezegd: we gaan ons verzorgen, we gaan hier niet uitkomen als twee mensen die eruitzien alsof ze tien jaar aan sigaretten, drugs en drank hebben gezeten. Pedro’s mama is 73 en kwam in het ziekenhuis met haar chique jas aan. ‘Ik ga me niet laten gaan’, zei ze. Dat wil ik ook. Uiteraard zou ik soms liever een hele dag in mijn trainingsbroek lopen en niet buitenkomen. Maar dat ga ik niet doen.’

Rover komt tussen: hij wil een Actimel. Pedro vraagt: ‘Quieres aceitunas?’ Rover wil Actimel. Pedro vraagt: ‘Moet papa je helpen?’ Rover wil dat mama helpt.

Evelien: ‘Onze jongen die al drieënhalf jaar niets wilde eten en graatmager was, heeft nu altijd honger. (lacht) En door die cortisone een dik kopje.’

Pedro: ‘Wat grappig is. Sinds dat dik kopje zegt iedereen plots dat hij op mij lijkt.’

Evelien: ‘De behandeling vergroot een paar karaktertrekken. Hij krijgt een lumbale punctie, die ervoor moet zorgen dat de kanker niet naar zijn hersenen gaat. En om de twee weken wordt een beenmergpunctie gedaan. Maar zijn reactie op de anesthesie is pure agressie.’

Pedro: ‘Wij rijden mee op zijn operatiebed, ik denk niet dat je meer betrokken kan zijn. Maar na die anesthesie roept hij: ‘Ga weg, ik wil u niet zien, gij stinkt!’ Dat is vreselijk. Je bent al kapot en droevig en dan dit.’

Evelien: ‘En hij heeft boefkicks. Om 1 uur ’s nachts roept hij: ‘Ik wil pannenkoeken eten!’

Pedro: ‘Dan probeer je alles: ‘Kijk Rover, de maan is er nog, de zon slaapt.’ ‘Ik wil de maan niet zien, ik wil pannenkoeken eten!’, zegt hij dan. Dus dan sta je om 1 uur ’s nachts pannenkoeken te bakken. En de volgende dag maak je in de supermarkt het hele schap met voorgemaakte pannenkoeken leeg.’

Evelien: ‘Vrienden hebben een speciale WhatsApp-groep gemaakt, buiten ons om. Onlangs vroeg iemand van hen hoe de nacht was. ‘Alweer pannenkoekensamba’, zei ik. ’s Avonds stond er een verse stapel pannenkoeken voor onze deur. Iedereen is beginnen te bakken. Het lijkt alsof rond ons gezin een leger van tweehonderd soldaten klaarstaat.’

Pedro: ‘Hoe vaak hangt er niet een zak met eten aan de klink van onze voordeur? Je kan die vriendschap zelfs afmeten aan het aantal vreemde tupperwarepotjes in onze keuken. Gek genoeg lees ik nu ‘Serotonine’ van Michel Houellebecq, een genie dat onder meer de gele hesjes voorspelde. Maar hij schrijft ook dat het geluk gedaan is. Wel, dat geloof ik niet. Aan dat leger rond ons merk ik dat mensen au fond allemaal goed zijn.’

Evelien: ‘De vrienden van onze ouders doen hetzelfde. Die zorgen voor hén, omdat dit voor grootouders ook vreselijk is. Die hebben twee keer verdriet: voor hun kinderen en voor hun kleinkinderen. In Ierland heeft een vriend van mijn ouders een mis opgedragen voor Rover.’

Er is voor alles weer een eerste keer. De eerste keer lachen als je kind kanker heeft, de eerste keer vrijen, de eerste keer een sigaret roken. Het is een nulpunt.
Evelien Broeckaert

Pedro: ‘Twee dagen geleden kwam hij zeggen: ‘Ik wil nieuwe handen. Je moet de mijne nu wegdoen.’ Door de chemo heeft hij tintelingen en hij kon er niet meer tegen. Ik ben met hem op het internet gaan zoeken naar nieuwe handen, maar we hebben die dus niet gevonden.’

Evelien: ‘Na twee uur gejammer ga je roepen: ‘Er bestáát geen winkel met handen!’ Soms wordt het je te veel. Vanmorgen maakten we ruzie voor iets onnozels.’

‘Rover lekt. Eerst dachten we dat het water was dat na een punctie z’n weg naar buiten zocht, maar het blijkt hersenvocht. Daarom liggen we nu al drie dagen in de kliniek. Uit voorzorg. Want een hersenvliesontsteking of ander onheil liggen mogelijks op de loer.’ (Pedro Elias)

Evelien: ‘Ik zei al snel: waar zit je nu met al je bijgeloof? Het helpt blijkbaar voor geen meter. Maar hij roept nog altijd ‘Yeti’ als hij er een ziet rijden.’

Pedro: ‘Vandaag zag ik er een en ik had zin om te roepen: ‘Fuck you, Yeti, het is allemaal naar de kloten!’ Maar waarom zou ik ergere dingen over me afroepen? Dus ik blijf het doen en er komt steeds bij. Vanmorgen was ik aan het stofzuigen. Er lagen nog drie stofjes die ik wilde laten liggen, maar toen dacht ik: ‘Als je het niet doet, gaat hij het niet halen.’ Natuurlijk zal dat niet zo zijn, maar Rovers ziekte is geen schild voor ander onheil. We moeten nu niet denken dat we niet van de fiets kunnen worden gevlamd. (hij kust zijn pols, ook een bijgelovig trekje) Je moet aandachtig blijven.’

Evelien: ‘Het leven is geen spelleke, van dat besef krijg ik nu bijna een kick. Hoe vreselijk ik deze fase ook vind, je voelt wel dat je leeft. Soms zeggen mensen hoe sterk we zijn. Maar als sterk zijn je enige keuze is, dan ben je het. We gaan dit doen. En er is al meer dan een maand voorbij.’

Pedro: ‘Daarom kan je dit dus als een cadeau zien. Vroeger liep ik van alles weg. Zat ik niet goed in mijn vel? Hop, ik ging een jaar in de kibboets werken. Wilden mijn studies niet vlotten? Pedro vloog naar Australië. Gelukkig zit ik nu al jaren in een biotoop waar ik niet moet van wegvluchten en met deze ziekte kan het kleine Pedritootje, het verwende kindje, niet weglopen. We moeten dit nu doen. Dag per dag. En op de chemokalender elke dag een streepje zetten met fluostift.’

Rover Elias zit vandaag in een schema van chemoblokken. Vier keer per week, vier weken lang, elke dag in Gasthuisberg. Dan weer een nieuw blok. Enzoverder. Zes zware maanden. Binnenkort is hij kaal. ‘Het is wetenschap’, zegt Evelien. ‘Helemaal op zijn maat. Kanker is als een vingerafdruk. Zo uniek.’

Pedro: ‘Al jaren luisteren we elke zondagochtend naar de cellosuites van Bach. Dat blijven we doen. Maar ook de plaat van Sufjan Stevens draai ik nu regelmatig.’

Evelien: ‘Ik zet ‘Spiegel im Spiegel’ van Arvo Pärt vaak op. (glimlacht) Ja, ik ga graag hangen in de muziek. Heel theatraal: ‘Zie mij nu met al mijn ellende!’ Maar ik ga ook op zoek naar dingen om het te plaatsen. In het ziekenhuis ging ik naar de Netflix-documentaire over Maddie McCann kijken. Ik maakte direct nieuwe gradaties: dat is veel erger. Maar verdriet kan je niet vergelijken. Op verdriet kan je geen punten plakken. Iemand kan net zo verdrietig zijn als zijn lief het uitmaakt. Alleen heb ik zoiets nodig om te kunnen overleven. En om het aan te pakken.’

Pedro: ‘Dit worden zes zware maanden, maar we gaan dit doen. Toen ik hoorde dat Rover kaal zou worden, stond ik al bijna met de tondeuse klaar om ook zelf mijn haar af te scheren. Al vond ik die symbooldaden vroeger zelf onnozel, maar voor Rover vind ik dat niet onnozel. En wat andere mensen kunnen doen? Bloed geven aan het Rode Kruis. Daarmee kan iedereen mee een steen verleggen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect